In deze zaak stond centraal of de koper van een pand het huurbeding, opgenomen in twee opeenvolgende hypotheekrechten, kon inroepen tegen huurders die hun huurovereenkomst sloten tussen de vestiging van het eerste en tweede hypotheekrecht. Kibaima c.s. stelde dat hun huurrechten anterieur waren aan het tweede hypotheekrecht, waardoor het huurbeding niet kon worden ingeroepen. Het Gerecht oordeelde echter dat het tweede hypotheekrecht met het huurbeding niet losstaat van het eerste, maar een bevestiging is van de eerder gemaakte afspraken binnen dezelfde kredietrelatie.
Het Gerecht stelde vast dat het huurbeding bedoeld is om de hypotheekhouder te beschermen tegen huurrechten die na inschrijving van het huurbeding zijn ontstaan. Omdat het eerste huurbeding was gevestigd vóór de huurovereenkomsten, kon de koper, als rechtsopvolger van de hypotheekhouder, het huurbeding inroepen. Tevens werd geoordeeld dat Kibaima c.s. als gelieerde partij minder bescherming geniet dan een externe huurder, omdat zij op de hoogte hadden moeten zijn van het verbod tot verhuur zonder schriftelijke toestemming.
Verder werd vastgesteld dat de hypotheekhouder (RBC) geen schriftelijke toestemming had gegeven voor de verhuur en dat het enkele feit dat RBC van de verhuur wist of deze gedoogde, niet betekent dat het huurbeding niet meer kon worden ingeroepen. Ook de stelling dat de koper voorafgaand aan de veiling wist van de verhuur leidde niet tot een ander oordeel. De vordering van Kibaima c.s. werd daarom afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten.