De werknemer trad op 9 juli 2023 in dienst bij Intiraimi als helper. Op 27 oktober 2023 raakte hij arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval. Tot en met 15 februari 2024 werd zijn volledige loon doorbetaald. Vanaf januari 2024 werd gedeeltelijk loon betaald, waarna vanaf 5 maart 2024 helemaal geen loon meer werd voldaan. De werknemer werkte deels in overleg met de Sociale Verzekeringsbank (SVb) en meldde zich op 18 januari 2024 opnieuw ziek.
De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per direct op 14 mei 2024 wegens vermeende nalatigheid van de werknemer om te verschijnen op het werk vanaf 25 maart 2024. De werknemer stelde dat het ontslag op staande voet nietig is omdat het niet tijdig werd aangevochten en betwistte de reden van het ontslag. Tevens vorderde hij betaling van achterstallig loon over de periode november 2023 tot en met februari 2024 en doorbetaling van loon vanaf 1 maart 2024 tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Het gerecht oordeelde dat de werknemer recht heeft op volledige loonbetaling vanaf 18 januari 2024 tot en met 6 mei 2024, omdat hij arbeidsongeschikt was en de opschorting van zijn werkzaamheden gerechtvaardigd was. Het ontslag op staande voet werd niet tijdig aangevochten, waardoor de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigde op 14 mei 2024. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallig loon met wettelijke verhoging en rente. De proceskosten werden gecompenseerd.