ECLI:NL:OGEAA:2025:236
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing vreemdelingenbewaring wegens asielprocedure
Verzoeker is op 7 juli 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld door de minister van Justitie en Sociale Zaken. De rechter-commissaris heeft op 9 juli 2025 de rechtmatigheid van deze vrijheidsontneming bevestigd. Verzoeker heeft vervolgens op 12 augustus 2025 een verzoek ingediend tot opheffing van de bewaring, stellende dat er geen zicht meer is op uitzetting binnen een redelijke termijn vanwege een ingediend verzoek om verdragsrechtelijke bescherming.
De minister betoogde dat de behandeling van het verzoek slechts een tijdelijke belemmering vormt en dat de beslissing spoedig zal worden genomen. De rechter-commissaris overweegt dat het feit dat een rechtsmiddel met schorsende werking is ingesteld niet automatisch betekent dat er geen zicht is op uitzetting binnen zes maanden. Er is geen bewijs dat het land van herkomst niet meewerkt aan terugkeer.
De voortvarendheid van de besluitvorming over het verzoek om verdragsbescherming speelt een rol; aangezien binnenkort een beslissing wordt verwacht, is er geen reden om de bewaring op te heffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van de vreemdelingenbewaring wordt afgewezen omdat er nog zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn.