De eiseres is eigenaar van een perceel met een woonhuis en appartement te Aruba, waarop de gedaagde verbleef en tot februari 2025 huur betaalde. Partijen sloten mondeling een huurovereenkomst en een beëindigingsovereenkomst waarbij de gedaagde het perceel uiterlijk 30 juni 2025 zou verlaten. De gedaagde is echter niet vertrokken en verhuurt het appartement aan derden tot april 2026.
De eiseres vordert ontruiming binnen zeven dagen na vonnis, betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding, en een dwangsom. De gedaagde voert verweer dat de mondelinge afspraken niet rechtsgeldig zijn en stelt een verrekening van kosten voor verbouwingen.
Het Gerecht oordeelt dat de mondelinge huurovereenkomst en beëindigingsovereenkomst rechtsgeldig zijn. Gezien de afhankelijkheid van de gedaagde van huurinkomsten en het ontbreken van vervangende woonruimte, wordt een langere ontruimingstermijn tot 31 december 2025 toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd. De vorderingen tot betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding worden toegewezen, maar de wettelijke rente wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het verrekenverweer wordt niet gehonoreerd wegens gebrek aan specificatie.
De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming, betaling van voorschotten op huur en gebruiksvergoeding, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.