ECLI:NL:OGEAA:2025:336

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
AUA202500787 EJ
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging agentuurovereenkomst en schadevergoeding bij onvoldoende prestaties

In deze zaak heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker] en de vennootschap PAN-AMERICAN LIFE INSURANCE COMPANY OF ARUBA V.B.A. (hierna: Palig). [Verzoeker] had een agentuurovereenkomst met Palig, die op 5 april 2024 door Palig met onmiddellijke ingang werd beëindigd wegens onvoldoende prestaties. [Verzoeker] heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om schadevergoeding, stellende dat de beëindiging kennelijk onredelijk was en dat Palig de wettelijke opzegtermijn niet in acht had genomen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 17 juni 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de agentuurovereenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst en dat de onmiddellijke opzegging niet rechtsgeldig was. Het Gerecht heeft geoordeeld dat Palig tekortgeschoten is in haar verplichting om de overeenkomst op zorgvuldige wijze te beëindigen, en heeft een schadevergoeding toegewezen aan [verzoeker] voor de periode van 5 april 2024 tot 5 juli 2024. De hoogte van de schadevergoeding is vastgesteld op Afl. 1.712,32, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 juli 2024.

De beslissing van het Gerecht houdt in dat [verzoeker] verlof tot kosteloos procederen is verleend, dat Palig is veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding, en dat de proceskosten zijn gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

Beschikking van 28 oktober 2025
Behorend bij EJ nr. AUA202500787
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
BESCHIKKING
in de zaak van:
[Verzoeker],
te Aruba,
verzoeker,
hierna ook te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor,
tegen:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PAN-AMERICAN LIFE INSURANCE COMPANY OF ARUBA V.B.A.,
te Aruba,
verweerster,
hierna ook te noemen: Palig,
gemachtigden: de advocaten mrs. G.W. Rep en Z.J.S. Soekandar.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 maart 2025;
- het verweerschrift met producties, ingediend op 3 juni 2025;
- de mondelinge behandeling van 17 juni 2025.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen [verzoeker] in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en Palig bij haar gemachtigde mr. Z.J.S. Soekandar, die werd vergezeld door [manager van Palig] (manager van Palig). Partijen hebben (beide mede aan de hand van overgelegde en voorgedragen spreekaantekeningen) het woord gevoerd, op vragen van het Gerecht geantwoord en gereageerd of kunnen reageren op elkaar stellingen.
1.2
Beschikking is nader bepaald op vandaag.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Palig is een verzekeraar. Op 28 juli 2016 is tussen partijen een “
Career Agent Agreement” voor onbepaalde tijd gesloten, waarbij [verzoeker] door Palig is aangewezen als haar agent in Aruba om verzekeringsovereenkomsten met derden te sluiten. Op 12 augustus 2016 is aan de overeenkomst een addendum toegevoegd, waarin wijzigingen zijn aangebracht in de “
General Conditions”.
2.2
Bij brieven van 17 november 2023, 29 januari 2024 en 29 maart 2024 is [verzoeker] door Palig erop aangesproken dat zijn prestaties onvoldoende waren.
2.3
Bij brief van 5 april 2024 heeft Palig de overeenkomst met [verzoeker] met onmiddellijke ingang beëindigd vanwege
"due performance".
2.4
Bij brief van 31 juli 2024 heeft [verzoeker] beroep gedaan op de kennelijk onredelijkheid en onregelmatigheid van zijn ontslag en verzocht hij Palig uiterlijk op 15 augustus 2024 een bedrag van Afl. 13.466,90 aan schadevergoeding te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover gerekend vanaf 15 augustus 2024.
2.5
Bij brief van 23 september 2024 heeft Palig aan [verzoeker] bericht dat hij geen aanspraak kan maken op betaling van provisies, klantenvergoeding en pensioenbijdragen, omdat artikel 7:428 lid 2 BWA bepaalt dat de bepalingen inzake agentuurovereenkomsten niet van toepassing zijn op overeenkomsten waarop de Landsverordening Toezicht Verzekeringsbedrijf van toepassing is.

3.HET VERZOEK

3.1
Naast verlof tot kosteloos procederen verzoekt [verzoeker] dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de beëindiging van zijn agentuurovereenkomst kennelijk onredelijk c.q. onregelmatig is;
II. Palig veroordeelt tot betaling van het recht op provisie van [verzoeker], schadevergoeding en het recht op verdiende klantenvergoeding conform artikel 7:442 lid 1 en 2 BWA;
a. hoofdsom (908,04 + 1.507,86 + 6.489,27) Afl. 9.265,17
b. 15% incassokosten Afl. 1.389,77
Totaal Afl. 10.654,94
vermeerderd met 3% interest per jaar na datum van aanschrijving, t.w. 31 juli 2024, althans iedere andere door het Gerecht in goede justitie te treffen voorziening;
III. Palig veroordeelt in de proceskosten.
3.2 [
Verzoeker] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de agentuurovereenkomst tussen partijen is geëindigd zonder dat rekening is gehouden met de wettelijke opzeggingstermijn en zonder dat een dringende reden voor beëindiging van de overeenkomst is aangetoond. [Verzoeker] is van mening dat de door Palig opgegeven reden voor de opzegging in strijd is met het bepaalde in de artikelen 7:437, 7:439 juncto 7:441 BW.
3.3
Palig heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft verzocht de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, [verzoeker] – uitvoerbaar bij voorraad – en/of de gemachtigde van [verzoeker] persoonlijk te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten gevallen aan de zijde van Palig, althans kosten rechtens.
3.4
Het Gerecht zal hierna ingaan op de stellingen van partijen, voor zover die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

4.DE BEOORDELING

kosteloos procederen
4.1
Uit het door [verzoeker] overgelegde bewijs van onvermogen blijkt dat hij de kosten van deze procedure niet kan dragen. Aan [verzoeker] zal daarom verlof worden verleend tot kosteloos procederen.
agentuurovereenkomst
4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst die zij met elkaar hebben gesloten kwalificeert als een agentuurovereenkomst. Dit is een overeenkomst tussen een bedrijf en een zelfstandige verkoper, de handelsagent. Deze verkoper is niet in dienst en de producten blijven eigendom van de producent. De agent bemiddelt alleen bij de totstandkoming van een verkoop. Op de agentuurovereenkomst zijn de bepalingen van titel 7.10 afdeling 4 BW van toepassing. De vorderingen van [verzoeker] zijn daarop gebaseerd.
4.3
Als meest verstrekkend verweer heeft Palig aangevoerd dat de contractuele context een beroep op titel 7.10 afdeling 4 BW uitsluit. Dat verweer slaagt. Op grond van artikel 7:428 lid 2 BW zijn de bepalingen van de afdeling inzake de agentuurovereenkomst immers niet van toepassing op agentuurovereenkomsten, zoals die tussen Palig en [verzoeker], waarop de Landsverordening toezicht verzekeringsbedrijf van toepassing is. Dit artikel is op grond van artikel 155 lid 1 van de Landsverordening overgangsbepalingen vanaf 1 september 2023 van toepassing.
4.4.
De op titel 7.10 afdeling 4 BW gebaseerde vorderingen van [verzoeker] moeten daarom worden afgewezen. Voor de gevorderde verklaring voor recht dat zijn ontslag kennelijk onredelijk is gegeven bestaat evenmin een toereikende rechtsgrond.
4.5
Nu de overeenkomst echter zonder tijdsbepaling is aangegaan en daarmee sprake is geweest van een permanent belasten van [verzoeker] door Palig, is deze onder de noemer duurovereenkomst te vatten. Dergelijke overeenkomsten kunnen in beginsel worden opgezegd. Op grond van artikel 6:248 lid 1 BWA kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid, in samenhang met de aard en inhoud van de overeenkomst en alle overige omstandigheden van het geval, meebrengen dat opzegging slechts rechtsgeldig is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat en een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen, dan wel dat de opzegging gepaard gaat met een aanbod tot schadevergoeding. [1]
4.6
Wanneer een contractuele wederpartij de relatie door opzegging beëindigt, zal dat in het algemeen tot schade leiden. Deze schade komt voor rekening van de ondernemer zelf, tenzij er een rechtsgrond aanwezig is om die schade of een bepaald deel ervan voor rekening van de opzeggende partij te brengen. Die rechtsgrond kan gelegen zijn in contractuele of wettelijke bepalingen die hier echter ontbreken, of in de eisen van redelijkheid en billijkheid, hetgeen hierna zal worden beoordeeld. Een opzegtermijn heeft mede tot doel de opgezegde partij in staat te stellen zich voor te bereiden op de nieuwe situatie, bijvoorbeeld door het zoeken van nieuwe opdrachtgevers of werk. Die ratio van een opzegtermijn weegt sterker naarmate de overeenkomst langer heeft geduurd.
4.7
Het Gerecht overweegt als volgt. Palig heeft de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd wegens onvoldoende prestaties van [verzoeker]. Die beoordeling mocht Palig op zichzelf doen en aan haar beslissing ten grondslag leggen, maar dit rechtvaardigde niet een onmiddellijke opzegging. Prestaties kunnen nu eenmaal teruglopen of achterblijven, maar dat is geen buitengewoon ernstige aangelegenheid die noopt tot acuut ingrijpen.
De onmiddellijke opzegging per brief van 5 april 2024 is daarom niet rechtsgeldig. Deze opzegging komt echter in aanmerking voor conversie in een rechtsgeldige opzegging, met inachtneming van een als redelijk te beschouwen termijn.
In dit geval acht het Gerecht een opzegtermijn van drie maanden redelijk en billijk. Dit betekent dat de opzegging van 5 april 2024 de werking krijgt van een rechtsgeldige opzegging per 6 juli 2024. Palig is daarmee tekortgeschoten in haar verplichting om de overeenkomst op zorgvuldige wijze te beëindigen, door geen redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Dit brengt met zich dat Palig aan [verzoeker] schadevergoeding verschuldigd is over de periode van 5 april 2024 tot en met 5 juli 2024.
hoogte van de schadevergoeding
4.8
Als niet of onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat [verzoeker] de laatste vijf jaren gemiddeld Afl. 6.849,27 per jaar bij Palig verdiende. Het Gerecht zal daarom Palig veroordelen om aan [verzoeker] Afl. 1.712,32 (Afl. 6.849,27 : 12 maanden = Afl. 570,77 x 3 maanden) te betalen als vergoeding naar redelijkheid. De gevorderde wettelijke rente is niet betwist en toewijsbaar.
4.9
De slotsom luidt dat het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 1.712,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024. De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, nu [verzoeker] daarbij gelet op het voorgaande geen belang meer heeft.
4.1
Bij deze uitkomst van de procedure wordt het passend geoordeeld de kosten van de procedure te compenseren zoals hierna te melden. Omdat een betalingsveroordeling van Palig resteert is er dus geen aanleiding [verzoeker] in de proceskosten, laat staan de integrale proceskosten, te veroordelen

5.DE BESLISSING

Het Gerecht:
5.1
verleent [verzoeker] verlof tot kosteloos procederen;
5.2
veroordeelt Palig om aan [verzoeker] te betalen Afl. 1.712,32 aan naar redelijkheid en billijkheid vastgestelde schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2024 tot de dag van de volledige betaling;
5.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
compenseert de kosten van de procedure aldus dat iedere partij belast blijft met de eigen kosten;
5.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Roovers, rechter-plv in dit Gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier. Bij afwezigheid van mr. J. Roovers is deze beschikking ondertekend door mr. J. Brandt.

Voetnoten

1.HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141.