ECLI:NL:OGEAA:2025:353

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA202503494 KG
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning en betaling achterstallige huur met boete en gebruiksvergoeding

Partijen sloten op 22 juli 2022 een huurovereenkomst voor een woonhuis te Aruba. De huurder betaalde sinds augustus 2024, met uitzondering van oktober 2024, geen huur meer, waardoor een aanzienlijke huurachterstand ontstond. De verhuurder sommeerde betaling en ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk op 21 oktober 2025.

De verhuurder vorderde ontruiming van het gehuurde, betaling van achterstallige huurpenningen, een contractuele boete van Afl. 25,- per dag vanaf augustus 2024 en een gebruiksvergoeding voor de periode tot ontruiming. De huurder erkende de huurachterstand en gaf aan meer tijd nodig te hebben voor alternatieve huisvesting.

Het Gerecht stelde vast dat de huurder gehouden is het gehuurde uiterlijk 31 december 2025 te verlaten, matigde de contractuele boete tot Afl. 2.500,- wegens de financiële situatie van de huurder, en veroordeelde tot betaling van Afl. 34.650,- aan achterstallige huur met wettelijke rente vanaf 2 oktober 2025. Tevens werd een gebruiksvergoeding van Afl. 4.950,- voor november en december 2025 toegewezen. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten van Afl. 1.975,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurder veroordeeld tot ontruiming uiterlijk 31 december 2025 en betaling van achterstallige huur, gematigde boete en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 19 november 2025
Behorend bij AUA202503494 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiseres]
te Nederland,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. L.J. Pieters,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 8, ingediend op 24 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling op 7 november 2025.
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2025 zijn verschenen mevrouw [vertegenwoordiger] namens [eiseres], bijgestaan door mr. Pieters, en [gedaagde]. Partijen hebben tijdens de zitting het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
1.3
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Op 22 juli 2022 zijn partijen een huurovereenkomst aangegaan, op grond waarvan [eiseres] aan [gedaagde] het perceel met daarop een woonhuis gelegen te [adres], Aruba (hierna: het gehuurde) verhuurt.
2.2
In de huurovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“4. Indien huurder de huur niet betaalt of de huur te laat betaalt zal er een boete in rekening worden gebracht ter hoogte van Afl. 25,- per dag dat huurder nalatig/te laat is.”
2.3
De huurprijs bedroeg aanvankelijk Afl. 2.275,- per maand. Met ingang van augustus 2024 is de huurprijs, met instemming van [gedaagde], verhoogd naar Afl. 2.475,- per maand.
2.4 [
Gedaagde] heeft de huurpenningen over de maanden augustus en september 2024 niet betaald. De huur over de maand oktober 2024 heeft [gedaagde] wel voldaan.
2.5
Sinds november 2024 betaalt [gedaagde] geen huur meer.
2.6
In januari en februari 2025 hebben partijen nog (per whatsapp en e-mail) gecorrespondeerd over de ontstane huurachterstand. Dat heeft niet tot enige betaling geleid.
2.7
Bij brief van 22 september 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om de achterstallige huur binnen tien dagen te voldoen. Ook is de wettelijke rente aangezegd tegen 2 oktober 2025. Daarnaast is medegedeeld dat aanspraak zal worden gemaakt op de contractuele boete wanneer betaling binnen de gestelde termijn uitblijft. [Gedaagde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
2.8
Op 21 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] per e-mail medegedeeld dat de huurovereenkomst (buitengerechtelijk) wordt ontbonden en dat (onder meer) een vordering tot ontruiming zal worden ingediend.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
Eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
I. om binnen twee weken na de betekening van het vonnis, althans binnen een door het Gerecht te bepalen termijn, het perceel gelegen in Aruba te [adres] te ontruimen en te verlaten met alle zich aldaar van zijnentwege bevindende personen en goederen en het gehuurde ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen;
II. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van Afl. 34.850,- aan achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2025, te vermeerderen met Afl. 25,- per dag aan contractuele boete vanaf 3 augustus 2024;
III. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van Afl. 2.475,- per maand aan vergoeding voor het gebruik van het gehuurde tot de datum van ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente;
IV. tot betaling van de proceskosten.
3.2 [
Eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [Gedaagde] heeft sinds augustus 2024, met uitzondering van de maand oktober 2024, geen huur meer betaald, waardoor een forse huurachterstand is ontstaan. [Eiseres] heeft de huurovereenkomst op 21 oktober 2025 buitengerechtelijk ontbonden. [Gedaagde] verblijft op dit moment zonder recht of titel in het gehuurde. [Eiseres] heeft een spoedeisend belang bij ontruiming van het gehuurde door [gedaagde] en bij betaling door [gedaagde] van de huurachterstand (inclusief wettelijke rente en de contractuele boete) en een gebruiksvergoeding zolang zij gebruikmaakt van het gehuurde.
3.3 [
Gedaagde] heeft ter zitting erkend dat zij sinds augustus 2024, met uitzondering van oktober 2024, geen huur meer betaalt. De huurachterstand is ontstaan als gevolg van een flinke daling in inkomsten, nadat [gedaagde] haar eigen bedrijf (kinderopvang) heeft moeten beëindigen en in loondienst is getreden. [Gedaagde] begrijpt ook dat zij niet langer in het gehuurde kan blijven wonen.
3.4
Het Gerecht zal hierna, waar nodig, nader op de standpunten van partijen ingaan.

4.DE BEOORDELING

4.1
Het spoedeisend belang van [eiseres] volgt uit de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.
Ontruiming
4.2
De vraag ligt voor of [gedaagde] is gehouden om het gehuurde te verlaten, en zo ja, op welke termijn zij dat moet doen. [Gedaagde] heeft ter zitting erkend dat zij het gehuurde moet verlaten, maar zij heeft aangegeven dat zij meer tijd nodig heeft om een alternatieve woonruimte te vinden voor haar en haar minderjarige [minderjarige]. Partijen hebben vervolgens ter zitting een langere ontruimingstermijn afgesproken, namelijk 1 januari 2026. Het Gerecht zal daarom bepalen dat [gedaagde] is gehouden om het gehuurde op uiterlijk 31 december 2025 te ontruimen.
Achterstallige huur
4.3 [
Eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huurpenningen, in totaal een bedrag van Afl. 34.850,- over de periode augustus 2024 tot en met oktober 2025 (met uitzondering van oktober 2024). Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] sinds augustus 2024, met uitzondering van de huur over oktober 2024, geen huur meer heeft betaald, zodat [gedaagde] aan [eiseres] in ieder geval een bedrag van Afl. 34.650,- (veertien maanden × Afl. 2.475,-) is verschuldigd.
4.4 [
Eiseres] heeft verder gesteld dat [gedaagde] over oktober 2024 een bedrag van Afl. 200,- te weinig heeft betaald, omdat zij de oude huurprijs heeft overgemaakt. Ter zitting heeft het Gerecht [eiseres] erop gewezen dat uit de door haar overgelegde bankafschriften volgt dat [gedaagde] over oktober 2024 een (juist) bedrag van Afl. 2.475,- heeft betaald. De gemachtigde van [eiseres] heeft de vordering vervolgens met Afl. 200,- verminderd.
4.5
De vordering wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van Afl. 34.650,-. De gevorderde wettelijke rente hierover is als onweersproken toewijsbaar vanaf 2 oktober 2025.
Contractuele boete
4.6 [
Eiseres] vordert ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de contractuele boete vanaf 3 augustus 2024, omdat zij vanaf augustus nalatig is met het voldoen van de huurpenningen. Op grond van de huurovereenkomst is [gedaagde] in beginsel gehouden om een boete van Afl. 25,- per dag te betalen voor elke dag dat zij nalatig is met het betalen van de huur. Vaststaat dat [gedaagde] sinds augustus 2024 geen huur meer heeft betaald. [Eiseres] heeft ter zitting te kennen gegeven dat de contractuele boete (om die reden) fors is opgelopen en dat het aan het oordeel van het Gerecht is om de boete al dan niet te matigen.
4.7
Het Gerecht ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de door [gedaagde] verschuldigde contractuele boete te matigen. Hiervoor is van belang dat [gedaagde] al diverse (hoge) schulden heeft en het nog maar de vraag is of zij deze schulden, waaronder de achterstallige huurpenningen, op korte termijn kan aflossen. Toepassing van een boetebeding van Afl. 25,- per dag, die bovendien niet is gemaximeerd, zal in dit geval naar voorshands oordeel leiden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Bovendien is de boete vele malen hoger dan de wettelijke rente, die [gedaagde] ook over de huurachterstand zal moeten betalen. Het Gerecht zal de boete matigen en maximeren tot Afl. 2.500,-.
Gebruiksvergoeding
4.8
Nu ervan moet worden uitgegaan dat de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is geëindigd, maar [gedaagde] nog tot 1 januari 2026 het gehuurde mag blijven gebruiken, is [gedaagde] naar voorlopig oordeel een gebruiksvergoeding aan [eiseres] verschuldigd over de periode van 1 november 2025 tot en met 31 december 2025. Die gebruiksvergoeding is gelijk aan de maandelijkse huurprijs, te weten Afl. 2.475,-, wat leidt tot een bedrag van Afl. 4.950,- (twee maanden × Afl. 2.475,-).
Proceskosten
4.9 [
Gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.975,- (Afl. 750,- aan griffierecht + Afl. 225,- aan explootkosten + Afl. 1.000,- aan salaris gemachtigde).

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde gelegen aan [adres] te Aruba, met alle zich aldaar van zijnentwege bevindende goederen en personen, uiterlijk op 31 december 2025 te ontruimen en te verlaten;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van Afl. 34.650,- aan achterstallige huurpenningen tot en met oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 2 oktober 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de contractuele boete van Afl. 2.500,-;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van Afl. 2.475,- per maand aan (een voorschot op de) vergoeding wegens gebruiksgenot vanaf 1 november 2025 tot en met 31 december 2025;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiseres] worden begroot Afl. 1.975,-;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.