ECLI:NL:OGEAA:2025:354

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AUA2025003508 KG
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kinderontvoering van Nederland naar Aruba zonder toestemming van de vader

In deze zaak, die zich afspeelt in het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, heeft de vader een kort geding aangespannen tegen de moeder vanwege internationale kinderontvoering. De minderjarige, geboren in Nederland, is zonder toestemming van de vader door de moeder naar Aruba gebracht. De vader heeft diverse stappen ondernomen, waaronder aangifte bij de politie en het indienen van een bezwaarschrift, om de terugkeer van de minderjarige naar Nederland te bewerkstelligen. Tijdens de mondelinge behandeling op 6 november 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. De vader vordert dat de moeder de minderjarige terugbrengt naar Nederland en dat de hoofdverblijfplaats bij hem blijft. De moeder betwist de vordering en stelt dat er afspraken zijn gemaakt over het verblijf van de minderjarige op Aruba. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de moeder in strijd met het gezagsrecht van de vader heeft gehandeld door de minderjarige zonder toestemming mee te nemen. Het Gerecht heeft de vorderingen van de vader toegewezen, met uitzondering van de voorlopige toevertrouwing van de minderjarige aan de vader, en heeft een dwangsom opgelegd aan de moeder voor het geval zij niet aan het bevel voldoet. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

Vonnis van 19 november 2025
Behorend bij AUA202503508 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser,
hierna te noemen: de vader,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Illes,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: de moeder,
gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 27 oktober 2025;
- de spreekaantekening van de moeder;
- de mondelinge behandeling op 6 november 2025, waarbij zijn verschenen de vader bij zijn gemachtigde en de moeder in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad zijn verschenen mevrouw [medewerker 1] en [medewerker 2].
1.2
Aan partijen is medegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Uit de affectieve relatie tussen de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] de minderjarige [minderjarige] (hierna: de minderjarige) geboren.
2.2
Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
2.3
Partijen woonden samen met de minderjarige in Nederland. In oktober 2024 is de moeder samen met de minderjarige naar Aruba vertrokken, maar in december 2024 zijn zij samen teruggekeerd naar Nederland.
2.4
Op 4 april 2025 is de moeder opnieuw naar Aruba vertrokken, waarbij zij de minderjarige bij de vader in Nederland heeft achtergelaten.
2.5
Op 15 juli 2025 is de minderjarige uitgeschreven uit de basisregistratie van Nederland. Op 21 juli 2025 is de moeder, die op dat moment voor vakantie in Nederland was, met de minderjarige naar Aruba vertrokken.
2.6
Op 5 augustus 2025 heeft de vader bij de politie in [locatie] aangifte gedaan tegen de moeder vanwege internationale kinderontvoering.
2.7
Op 2 september 2025 heeft de vader een bezwaarschrift ingediend bij de gemeente [locatie] tegen uitschrijving van de minderjarige uit de Basisregistratie Personen (BRP).
2.8
Op 8 september 2025 heeft de vader een “aanvraagformulier voor teruggeleiding van het kind” ingediend bij de Nederlandse Centrale autoriteit. Bij brief van 25 september 2025
heeft de Nederlandse Centrale autoriteit bij de Voogdijraad een verzoek ingediend tot teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
De vader vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
de moeder gebiedt om de minderjarige naar Nederland te laten terugkeren;
bepaalt dat het hoofverblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal blijven, in afwachting van een beslissing om wijziging van de gezagsrelatie in een bodemzaak die binnen 2 weken na dit vonnis zal moeten worden ingesteld;
bepaalt dat de minderjarige voorlopig aan de vader zal worden toevertrouwd, totdat in genoemde eerdaags te entameren bodemzaak uitspraak zal zijn gedaan;
de vader toestemming verleent om de minderjarige weer bij de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister van Nederland in te schrijven;
alles op straffe van een dwangsom;
de moeder veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2
De vader legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een kinderontvoering, althans van een onrechtmatige onttrekking aan het gezag. De vader wenst dat de minderjarige zo snel als mogelijk terugkeert naar Nederland, in afwachting van een beslissing in een aanhangig te maken bodemprocedure.
3.3
De moeder heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vader, met veroordeling van de vader in de proceskosten.
3.4
Het Gerecht zal hierna ingaan op de stellingen van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering.

4.DE BEOORDELING

rechtsmacht

4.1
Deze zaak heeft een interregionaal karakter: de minderjarige is immers geboren in Nederland en heeft daar tot voor kort gewoond, maar verblijft nu op Aruba. Daarom moet worden beoordeeld welke rechter bevoegd is over de vorderingen te oordelen.
4.2
Bij de vraag welke rechter bevoegd is in interregionale zaken, moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden volgens het internationaal privaatrecht. Aruba is echter, anders dan Nederland, geen partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdag. Aruba is wel, net als Nederland, partij bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961. Op grond van artikel 9 van dit verdrag, is – samengevat – in spoedeisende gevallen de rechter van de staat op het grondgebied waarvan de minderjarige zich bevindt bevoegd om de noodzakelijke beschermingsmaatregelen te nemen.
4.3
Dat betekent dat de Arubaanse rechter bevoegd is om een beslissing te nemen op de vorderingen van de vader. Hij wil immers terugkeer (teruggeleiding) van de minderjarige naar Nederland en dat is een ordemaatregel, die kan worden gegeven in bijzondere en bijzonder spoedeisende gevallen. De rechter zal op de verzoeken het Arubaans recht toepassen.
inhoudelijke beoordeling
4.4
Volgens de vader is afgesproken dat de moeder van 12 juli tot 2 augustus 2025 met de minderjarige vakantie in Nederland zou vieren en dat zij de minderjarige na afloop van deze periode weer bij hem zou terugbrengen. Op 2 augustus 2025 is de minderjarige echter niet bij hem teruggebracht. De vader ontdekte vervolgens dat de minderjarige was uitgeschreven uit de BRP en door de moeder mee naar Aruba was genomen, met de intentie om haar daar te houden. De vader heeft hier mondeling noch schriftelijk toestemming voor gegeven en zich tot diverse instanties gewend om een zo spoedig mogelijke terugkeer van de minderjarige te bewerkstelligen.
4.5
De moeder betwist dat zij de minderjarige zonder medeweten en instemming van de vader uit de basisregistratie van Nederland heeft uitgeschreven en heeft meegenomen naar Aruba. Volgens de moeder was de vader wel degelijk op de hoogte en heeft hij hiermee ingestemd. Ter onderbouwing heeft zij een formulier “Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland” (het toestemmingsformulier) overgelegd, waarin onder meer het volgende staat:
en:
alsook:
Daarnaast heeft de moeder ook een verklaring overgelegd, waarin het volgende staat:
4.6
De vertegenwoordigers van de Voogdijraad hebben op de zitting verteld dat zij, naar aanleiding van de brief van de Nederlandse Centrale autoriteit, zowel de vader als de moeder hebben gesproken. De vader heeft aangegeven geen toestemming te hebben gegeven voor vestiging van de minderjarige op Aruba. De moeder heeft aangegeven dat zij mondeling afspraken heeft gemaakt met de vader, er waren geen documenten door hem ondertekend. Verder heeft de moeder aangegeven dat zij de minderjarige niet naar Nederland wil laten terugkeren. Onder andere niet omdat dit haar financieel niet lukt. Volgens de vertegenwoordigers van de Voogdijraad is de minderjarige tot op dit moment niet ingeschreven op Aruba. De vader heeft hun verteld contact te hebben opgenomen met Censo, om aan te geven dat hij geen toestemmingsdocument voor inschrijving heeft ondertekend. Censo heeft aangegeven vooralsnog niet over te gaan tot inschrijving, in afwachting van de beslissing in deze zaak. Mogelijk zal Censo ook nog een onderzoek verrichten om te kijken of er sprake is van een vervalst document. De vertegenwoordigers van de Voogdijraad hebben er verder op gewezen dat de geboortedatum van de vader op het toestemmingsformulier voor reizen met een minderjarige onjuist is. Op dit formulier staat 6 oktober 1989, in plaats van 7 oktober 1989.
4.7
Het Gerecht overweegt dat de eerste vraag die hier moet worden beantwoord, is of de vader toestemming heeft gegeven voor vertrek naar en vestiging op Aruba van de minderjarige. Volgens de moeder is dit het geval, volgens de vader nadrukkelijk niet. Het Gerecht is van oordeel dat in dit geding – dat zich gelet op de aard daarvan niet leent voor uitgebreid onderzoek en bewijslevering – niet aannemelijk is gemaakt dat de vader die toestemming heeft gegeven. Het Gerecht twijfelt aan de juistheid van de door de moeder ter onderbouwing van haar standpunt overgelegde documenten. Dit gelet op de gemotiveerde ontkenning van de vader dat hij deze heeft getekend, gelet op wat door de vertegenwoordigers van de Voogdijraad op de zitting naar voren is gebracht en gelet op de inconsistenties en niet nader verklaarde bijzonderheden in het verhaal van de moeder. Het Gerecht licht dit als volgt toe.
4.8
Het standpunt van de vader dat hij niet op de hoogte was van het vertrek naar en de vestiging op Aruba van de minderjarige en evenmin toestemming heeft gegeven hiervoor, wordt ondersteund door het feit dat hij reeds op 5 augustus 2025 aangifte heeft gedaan, op 2 september 2025 een bezwaarschrift heeft ingediend bij de gemeente [locatie] en op 8 september 2025 contact heeft opgenomen met de Nederlandse Centrale autoriteit. Hij heeft zich niet lang na het vertrek van de moeder met de minderjarige dus tot verschillende instanties gewend. Ook bij de Voogdijraad heeft de vader aangegeven dat hij niet op de hoogte was, geen toestemming heeft gegeven en niets heeft ondertekend. Opvallend is dat de moeder bij de Voogdijraad heeft verklaard dat er mondeling afspraken waren gemaakt en dat er geen documenten waren getekend. Nadien heeft zij ook geen documenten aan hen laten zien. Opvallend is verder, zoals door de vertegenwoordigers van de Voogdijraad onder de aandacht is gebracht, dat de geboortedatum van de vader op het toestemmingsformulier onjuist is. Daar komt bij dat de moeder eerst op de zitting heeft verklaard dat zowel het formulier als de verklaring op 12 juli 2025 zijn ondertekend. Het Gerecht heeft de moeder gevraagd hoe het dan kan dat volgens de door haar overgelegde documenten enkel de verklaring op 12 juli 2025 zou zijn ondertekend en het toestemmingsformulier pas op 21 juli 2025 zou zijn ondertekend (dus de datum van vertrek van de moeder en de minderjarige). De moeder heeft daarop verklaard dat de ondertekendatum op het toestemmingsformulier 21 juli is, omdat dit de reisdatum is en zij dacht dat zij deze moest gebruiken. Wat daar ook van zij, waarom dit dan niet ook de gebruikte datum voor de verklaring is, die volgens de moeder kennelijk op dezelfde dag is ondertekend als het toestemmingsformulier, is onduidelijk. Hoe het opstellen van de verklaring en het invullen van het toestemmingsformulier feitelijk verder is gebeurd en hoe tot ondertekening is gekomen, is niet nader naar voren gebracht. Op de zitting heeft de moeder nog (een screenshot van) een WhatsApp-bericht getoond, waaruit volgens haar zou moeten volgen dat de vader toestemming heeft gegeven. Uit dit bericht is echter enkel af te leiden dat de moeder op enig moment van de vader iets moet ondertekenen, in plaats van andersom. Desgevraagd heeft de moeder vervolgens aangegeven dat het bericht illustratief is voor de brutale manier waarop de vader tegen haar praat. Wat daar ook van zij, het toont anders dan de vrouw eerst stellig naar voren heeft gebracht over dit bericht, niet aan dat er sprake is van toestemming.
4.9
Het voorgaande brengt met zich dat het Gerecht ervan uitgaat dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor het vertrek en vestiging van de minderjarige op Aruba. De moeder heeft daarmee in strijd met het gezagsrecht van de vader gehandeld. Zij heeft de minderjarige dus onrechtmatig meegenomen naar Aruba.
4.1
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of de minderjarige moet terugkeren naar Nederland, in afwachting van een beslissing in een bodemprocedure. Het Gerecht is van oordeel dat dit moet. De moeder heeft de minderjarige zonder dat dit mocht uit haar vertrouwde omgeving gehaald en daarmee plotseling het contact dat zij met haar vader had beperkt. In een bodemprocedure, waarin meer tijd is en waarin zo nodig een nader feitenonderzoek kan plaatsvinden, zal moeten worden bepaald hoe het nu verder moet. Namens de vader is op de zitting aangegeven dat een dergelijke procedure in Nederland aanhangig zal worden gemaakt.
4.11
Namens de vader is op de zitting verder aangegeven dat hij bereid is om de minderjarige op te halen uit Aruba, en haar dus te begeleiden op de reis terug naar Nederland. Dit voor zover de moeder niet bereid is om de minderjarige terug te brengen. Het Gerecht gaat ervan uit dat de vader dit in dat geval ook daadwerkelijk zal doen. Het is in het belang van de minderjarige om de terugkeer zo rustig mogelijk te laten voorlopen.
4.12
Het Gerecht zal de vorderingen van de vader toewijzen, met uitzondering van de vordering om de minderjarige voorlopig aan hem toe te vertrouwen. Dit omdat het Gerecht de hoofdverblijfplaats van de minderjarige reeds voorlopig bij hem zal vaststellen, zodat hij geen belang meer heeft bij zijn vordering tot voorlopige toevertrouwing (dit dekt immers dezelfde lading). Het Gerecht zal, nu zij vreest dat de moeder anders niet zal nakomen, ook een dwangsom opleggen.
crossborder mediation
4.13
Het Gerecht heeft op de zitting de mogelijkheid (en het belang) van crossborder mediation besproken, gefaciliteerd door het Nederlandse Mediation Bureau (https://kinderontvoering.org/het-mediation-bureau/crossborder-mediation/wat-is-crossborder-mediation/#/). De vader en de moeder zullen altijd de ouders van de minderjarige zijn en zij zullen hoe dan ook afspraken over haar met elkaar moeten maken. De advocaat van de vader heeft toegezegd deze mogelijkheid met hem te bespreken, de moeder heeft op de zitting reeds aangegeven hier op zichzelf open voor te staan. Het Gerecht hoopt dat de vader en de moeder zich tot dit bureau wenden, in het belang van de minderjarige.
proceskosten
4.14
Het Gerecht zal, zoals gebruikelijk in familiezaken, de proceskosten compenseren en bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
gebiedt de moeder om de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats], voorlopig te laten terugkeren naar [geboorteplaats], in afwachting van een beslissing in een bodemzaak die binnen twee weken na dit vonnis moet worden ingesteld;
5.2
bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader, in afwachting van een beslissing in een bodemzaak die binnen twee weken na dit vonnis moet worden ingesteld;
5.3
verleent de vader toestemming om de minderjarige weer bij de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister in Nederland in te schrijven;
5.4
bepaalt dat de moeder ten behoeve van de vader een dwangsom verbeurt van
Afl. 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen, met een maximum van Afl. 100.000,-;
5.5
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. A.M.M. Vingerling in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 19 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.