Art. 3 EVRMArt. 15, eerste lid, aanhef en onder d, Landsverordening toelating en uitzettingArt. 16, tweede lid, Landsverordening toelating en uitzettingArt. 17, vierde lid, onder a en b, Landsverordening administratieve rechtspraakArt. 19 Landsverordening administratieve rechtspraak
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen uitzettingsbevel en meldingsplicht op Aruba
Appellant, een Venezolaanse nationaliteit, verbleef sinds 30 maart 2019 illegaal op Aruba nadat zijn toeristisch verblijf was verlopen en zijn asielaanvraag was afgewezen. De minister van Justitie en Sociale Zaken heeft op 3 juni 2024 een uitzettingsbevel uitgevaardigd en op 6 juni 2024 een meldingsplicht opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar deze werden op 12 september 2024 ongegrond verklaard.
Het gerecht oordeelt dat het uitzettingsbevel terecht is genomen omdat appellant zonder geldige verblijfsvergunning verbleef en de minister niet verplicht was zijn illegale verblijf te gedogen. Het beroep op het verbod van non-refoulement op grond van artikel 3 EVRMPro faalt omdat dit niet in de uitzettingsprocedure kan worden beoordeeld, maar in een aparte asielprocedure.
Daarnaast is het beroep tegen de meldingsplicht ongegrond verklaard. De minister beschikte over alle benodigde informatie en hoefde appellant niet te horen over een nieuwe verblijfsaanvraag die na de bestreden beslissing was ingediend. De meldingsplicht is een lichter middel dan eerdere maatregelen en passend in de situatie.
De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. Appellant kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Uitkomst: Het beroep tegen het uitzettingsbevel en de meldingsplicht wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.
Uitspraak
Uitspraak van 19 februari 2025
Lar nrs. AUA202403255 en AUA202403294
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
verblijvend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
gericht tegen:
DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigden: mr. Y. Kaarsbaan (DWJZ).
PROCESVERLOOP
In het bevelschrift van 3 juni 2024 heeft verweerder de uitzetting van appellant bevolen en aan hem een terugkeerverbod voor de duur van 60 maanden opgelegd.
In de beschikking van 6 juni 2024 heeft verweerder aan appellant een meldingsplicht opgelegd, nadat de inbewaringstelling door de rechter-commissaris in de uitspraak van 6 juni 2024 is opgeheven.
In de beslissing van 12 september 2024 (de bestreden beslissing 1) heeft verweerder het bezwaar van appellant van 11 juni 2024 gericht tegen het uitzettingsbevel, ongegrond verklaard.
In een afzonderlijke beslissing van 12 september 2024 (de bestreden beslissing 2) heeft verweerder het bezwaar van appellant van 11 juni 2024 gericht tegen de meldingsplicht, ook ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen beide beslissingen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 4 november 2024 twee verweerschriften en de gedingstukken. Ingediend.
Het gerecht heeft de beroepen behandeld op de zitting van 8 januari 2024. De gemachtigde van appellant is daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De uitspraak is bepaald op heden.
OVERWEGINGEN
Wat ging er aan deze zaken vooraf?
1 Appellant, geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] en van Venezolaanse nationaliteit, is op 30 maart 2019 Aruba als toerist binnengekomen. Na verloop van zijn toeristisch verblijf is hij niet vertrokken.
1.1
Appellant heeft op 19 oktober 2019 een asielaanvraag ingediend. De minister van Arbeid, Energie en Integratie heeft deze aanvraag in de beschikking van 7 januari 2020 afgewezen. Hiertegen heeft appellant op 27 januari 2022 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is in de beslissing van 6 juni 2024 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld. Dit beroep loopt nog.
1.2
Verweerder heeft op 3 juni 2024 een uitzettingsbevel aan appellant verstrekt en op 6 juni 2024 aan appellant een meldingsplicht opgelegd. Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, wat heeft geleid tot de twee bestreden beslissingen.
1.3
Appellant heeft twee verzoeken ex artikel 54 vanPro de Lar bij het gerecht ingediend. Het eerste verzoek heeft hij ingediend in het kader van zijn asielprocedure. Het tweede verzoek heeft appellant ingediend in het kader van zijn beroep tegen de bestreden beslissing 1. In de uitspraak van het gerecht van 30 oktober 2024 (AUA202402575 en AUA202403254) heeft het gerecht de beide verzoeken afgewezen.
2. Appellant is het niet eens met het uitzettingsbevel en de aan hem opgelegde meldingsplicht. Daarover gaat deze uitspraak. Hoe beoordeelt het gerecht het beroep tegen het uitzettingsbevel?
3. Het gerecht oordeelt dat verweerder het uitzettingsbevel op goede gronden heeft genomen. Appellant verblijft sinds het verstrijken van zijn toeristische verblijf per 9 april 2019 zonder een geldige verblijfstitel in Aruba. Verweerder heeft dat illegale verblijf niet hoeven te gedogen en heeft daartegen mogen optreden. Er is ook geen grond om appellant nog langer illegaal in Aruba te laten verblijven. Appellant is voor tijdelijk toeristisch verblijf toegelaten in Aruba en vervolgens, nadat de geldigheidsduur van zijn tijdelijke verblijfsvergunning was verstreken, toch in het land aangetroffen. Daarom kan verweerder hem met toepassing van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) uitzetten. Daartoe dient het uitzettingsbevel.
3.1
Appellant heeft aangevoerd dat verweerder de vertrektermijn niet op nul dagen had mogen stellen, omdat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de ontwikkelingen in zijn asielprocedure. Er zou in het geval van appellant in strijd worden gehandeld met het aan artikel 3 vanPro het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende verbod op non-refoulement.
3.2
Het gerecht geeft appellant hierin geen gelijk. Na de sluiting van het onderzoek op de zitting heeft de gemachtigde van appellant het gerecht de uitspraak toegestuurd van het Gemeenschappelijke Hof van 15 januari 2025 (ECLI:NL:OGHACMB:2025:2). In deze uitspraak heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de beoordeling of uitzetting van een vreemdeling in strijd is met artikel 3 EVRMPro, niet aan de orde kan komen in de procedure tegen een uitzettingsbevel. Een vreemdeling die meent dat zijn uitzetting leidt tot een behandeling die in strijd is met artikel 3 vanPro het EVRM, kan dat aan de orde stellen in het kader van een (opvolgend) verzoek om bescherming en de mogelijk daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. Dit betekent dat het gerecht in deze procedure, die gaat over het uitzettingsbevel, niet toekomt aan de bespreking van de beroepsgrond van appellant dat verweerder in strijd handelt met het verbod op refoulement. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
3.3
Appellant heeft aangevoerd dat hij een nieuwe aanvraag heeft gedaan voor tijdelijk verblijf, maar die aanvraag dateert van ná de bestreden beslissing 1. Verweerder heeft hiermee in deze procedure geen rekening hoeven houden, zodat die aanvraag in de onderhavige procedure geen rol kan spelen Heeft verweerder kunnen afzien van horen in bezwaar over het uitzettingsbevel?
4. Appellant heeft gesteld dat verweerder hem ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord. In de uitspraak van 28 februari 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:23) heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de regels over het afzien van horen in bezwaar aangescherpt. In gevallen waarin het bestuursorgaan het advies van de bezwaaradviescommissie (BAC) niet binnen de daarvoor in artikel 19 vanPro de Lar gestelde termijn heeft ontvangen, mag verweerder niet zonder meer afzien van horen, maar moet hij in de eerste plaats beoordelen of zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar. Als dat niet het geval is, dan moet verweerder er in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel voor zorgen dat hij over alle voor het nemen van de beslissing op bezwaar benodigde informatie beschikt.
5. In dit geval is er geen advies van de BAC ontvangen. Er is volgens verweerder ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar. Dat betekent dat verweerder ervoor moest zorgdragen dat hij over alle relevante informatie beschikte. Het gerecht oordeelt dat dit het geval is. De Guarda nos Costa beschikte over alle noodzakelijke informatie om op het bezwaar van appellant te kunnen beslissen. Bovendien is er contact opgenomen met DIMAS over de lopende asielprocedure. Appellant heeft niet toegelicht over welke relevante informatie verweerder niet beschikte voordat hij een beslissing op het bezwaar nam. Appellant stelt dat verweerder hem had moeten horen over zijn nieuwe aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf, maar dat is niet het geval, omdat appellant deze aanvraag pas na de bestreden beslissing 1 heeft ingediend. Appellant hoefde dus, anders dan hij stelt, niet te worden gehoord in bezwaar. Hoe beoordeelt het gerecht het beroep tegen de meldingsplicht?
6. De meldingsplicht die verweerder aan appellant heeft opgelegd is gebaseerd op artikel 16, tweede lid, van de LTU en is opgelegd nadat de rechter-commissaris de eerder opgelegde maatregel om appellant in bewaring te stellen, heeft opgeheven.
6.1
Zoals hiervoor al is overwogen heeft verweerder in de lopende asielprocedure geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het uitvaardigen van een uitzettingsbevel. Het gerecht is van oordeel dat verweerder in verband met de lopende asielaanvraag ook niet van de meldingsplicht hoefde af te zien. Evenmin is relevant dat appellant een nieuwe aanvraag tot verblijf heeft ingediend, omdat deze dateert van ná de bestreden beslissing 2. Daarbij wordt opgemerkt dat een meldingsplicht al een lichter middel is dan de eerder opgelegde inbewaringstelling, zodat niet valt in te zien wat verweerder anders had moeten doen om op de hoogte te blijven van appellants verblijfplaats gedurende zijn (nog steeds) illegale verblijf op Aruba. Het betoog dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan treft derhalve geen doel. Heeft verweerder kunnen afzien van horen in bezwaar over de meldingsplicht?
7 Verweerder heeft ook in ten aanzien van het bezwaar tegen de meldingsplicht geen advies van de BAC ontvangen en heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b, van de Lar. Dit betekent dat hij moest onderzoeken of hij over alle benodigde informatie beschikte. Het gerecht is ook hier van oordeel dat verweerder over alle noodzakelijke informatie beschikte die afkomstig was van zowel de Guarda nos Costa als de DIMAS. Appellant heeft verder ook niet aangegeven welke relevante informatie verweerder heeft gemist.
Wat is de conclusie?
8 De conclusie is dat verweerder op goede gronden het uitzettingsbevel en een meldingsplicht aan appellant heeft opgelegd en dat de bestreden beslissingen op bezwaar in stand blijven. De beroepen zijn dus ongegrond. Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten van appellant.
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. M.E.C. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 februari 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
- het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
- een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
- vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.