Verzoekster heeft tijdig een aanvraag ingediend voor verlenging van haar verblijfsvergunning om als huishoudelijk personeel te werken bij haar garantsteller. De minister weigerde deze verlenging omdat de garantsteller niet zou voldoen aan solvabiliteitseisen en geen geldige verblijfstitel zou hebben. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om schorsing van deze afwijzing.
Het gerecht oordeelt dat de garantsteller wel over een geldige verblijfstitel beschikt en dat het niet duidelijk is waarom de verlenging zou worden geweigerd. Het besluit zal waarschijnlijk worden herroepen, waardoor verzoekster onevenredig nadeel zou lijden als het besluit direct wordt uitgevoerd. Daarom wordt de afwijzing geschorst en verzoekster behandeld alsof zij een geldige vergunning heeft tot zes weken na beslissing op bezwaar.
Daarnaast stelt het gerecht een nieuwe lijn vast over proceskostenvergoeding bij geslaagde verzoeken om voorlopige voorzieningen en vergoedt het de door verzoekster gemaakte proceskosten. Het griffierecht wordt eveneens terugbetaald. Deze nieuwe lijn geldt ook voor verzoeken om nakoming en intrekking van beroepen.