Belanghebbende, met de Amerikaanse nationaliteit, heeft in april 2022 een nieuwe auto aangeschaft in de Verenigde Staten en heeft in november 2022 zijn normale verblijfplaats naar Aruba verplaatst. Hij vroeg vrijstelling van invoerrechten op grond van de verhuisboedelvrijstelling, die onder meer vereist dat de auto ten minste zes maanden in de vroegere normale verblijfplaats is gebruikt.
De Inspecteur stelde dat belanghebbende niet voldeed aan deze gebruikseis, omdat hij slechts 3.027 kilometer in ongeveer 4,8 maanden had gereden en gedurende die periode ook veelvuldig tussen Aruba en de Verenigde Staten reisde. Belanghebbende voerde aan dat hij voorafgaand aan zijn verhuizing vanuit huis werkte en een beperkte mobiliteitsbehoefte had.
Het Gerecht oordeelde dat de verhuisboedelvrijstelling een uitzondering is die strikt moet worden uitgelegd en dat de bewijslast bij belanghebbende ligt. Gezien het feit dat belanghebbende slechts ongeveer vijf maanden in Aruba verbleef vóór zijn inschrijving en de lage kilometerstand, kon niet worden vastgesteld dat de auto ten minste zes maanden in de vroegere verblijfplaats was gebruikt. Bovendien was er een vermoeden dat de auto met het oog op de verhuizing was aangeschaft.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aanslag invoerrechten gehandhaafd. Er werd geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toegekend.