ECLI:NL:OGEAA:2026:10

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AUA202400484
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming van een woning in faillissement van de nalatenschap

In deze zaak heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een vordering tot ontruiming van een woning. De eiser, [eiser], fungeert als curator van de nalatenschap van wijlen [erflater], die op 7 februari 2021 is overleden. De gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], zijn respectievelijk de weduwe en de zoon van de erflater. De curator vordert dat de gedaagden de woning, die deel uitmaakt van de failliete nalatenschap, binnen drie maanden na betekening van het vonnis ontruimen. De curator stelt dat de nalatenschap meer schulden dan bezittingen heeft, waardoor de woning moet worden verkocht om de schuldeisers te kunnen betalen. De gedaagden voeren verweer, maar het Gerecht oordeelt dat zij geen recht hebben om in de woning te blijven wonen, aangezien het vruchtgebruik dat aan [gedaagde 1] was gelegateerd nooit is gerealiseerd. Het Gerecht wijst de vordering van de curator toe en bepaalt dat de gedaagden de woning moeten verlaten, met een termijn van drie maanden voor ontruiming. Tevens worden de gedaagden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Vonnis van 7 januari 2026
Behorend bij AUA202400484 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
in hoedanigheid van curator van de nalatenschap van wijlen [erflater],
eiser,
hierna ook te noemen: de curator,
gemachtigde: de advocaat mr. W.J. Noordhuizen,
tegen:
1.
[Gedaagde 1],
2.
[Gedaagde 2],
beiden wonende in Aruba,
gedaagden,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], of gezamenlijk [gedaagden],
procederend in persoon.
1.
DE PROCEDURE
1.1 Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het inleidende verzoekschrift, ingediend op 20 februari 2024;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 5 juni 2024;
- het tussenvonnis van 3 juli 2024, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de comparitie van partijen op 5 september 2024, waarbij aanwezig waren [gedaagde 2] en [gedaagde 1], bijgestaan door hun toenmalige advocaat mr. Zara, en de curator, bijgestaan door mr. Noordhuizen;
- de conclusie van repliek, ingediend op 30 april 2025;
- de conclusie van dupliek, ingediend op 25 juni 2025;
- het bericht van mr. Noordhuizen van 2 juli 2025, waarin hij bericht dat de curator afziet van het nemen van een akte uitlating producties.
1.2 Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. De vonnisdatum is aangehouden tot vandaag.
2.DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1 [Erflater] (hierna: erflater) is overleden op 7 februari 2021. [Gedaagde 1] is zijn weduwe. Erflater en [gedaagde 1] waren onder uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar getrouwd. [Gedaagde 2] is de zoon van erflater.
2.2 Tot de nalatenschap van erflater behoren (onder meer) drie percelen te [adres]:
i. een perceel erfpachtgrond van 1.014 m², kadastraal bekend [kadastraal nummer 1] met de daarop gebouwde woning, bekend als [adres];
ii. een perceel erfpachtgrond van 446 m² te [adres], kadastraal bekend [kadastraal nummer 2];
ii. een perceel erfpachtgrond van 1.234 m² te [adres], kadastraal bekend [kadastraal nummer 3].
De drie percelen worden in dit vonnis samen aangeduid als “de woning”. [Gedaagden] wonen in de woning.
2.3 Erflater heeft op 16 oktober 2020 een testament laten opmaken. Daarin heeft hij aan [gedaagde 1] het levenslang recht van vruchtgebruik van de woning gelegateerd. Het testament bepaalt dat het vruchtgebruik binnen één jaar na het overlijden van erflater zal worden afgegeven bij notariële akte. De akte tot vestiging van het vruchtgebruik is echter niet gepasseerd.
2.4 In het testament heeft erflater (onder last van het hiervoor genoemde legaat) zijn twee kinderen ([gedaagde 2] en zijn zus [zus van gedaagde 2]) tot enige erfgenamen benoemd.
2.5 Bij beschikking van dit Gerecht van 24 mei 2021 is de nalatenschap van erflater in staat van faillissement verklaard en is [eiser] tot curator benoemd.
2.6 Bij e-mail van 20 oktober 2021 heeft de curator [gedaagde 1] geschreven dat het recht van vruchtgebruik op de woning door het faillissement van de nalatenschap is omgezet in een geldvordering. De curator heeft [gedaagde 1] uitgenodigd om een en ander persoonlijk te bespreken. [Gedaagde 1] is op deze uitnodiging niet ingegaan.
2.7 Bij e-mails van 1 november 2021 en 8 december 2021 heeft de curator een reminder gestuurd. Ook op deze e-mails heeft [gedaagde 1] niet gereageerd.
2.8 Op 13 augustus 2021 heeft de curator [gedaagde 1] uitgenodigd voor de verificatievergadering op 26 november 2022. In deze brief heeft de curator uitgelegd dat [gedaagde 1] geen aanspraak kan maken op het vruchtgebruik, maar dat zij wel concurrent schuldeiser is in de nalatenschap van erflater. De curator heeft de waarde van het vruchtgebruik berekend op Afl. 408.000,-.
2.9 De verificatievergadering heeft plaatsgevonden op 9 september 2022. [Gedaagde 1] was daarbij aanwezig. Op deze vergadering is de hoogte van de vordering van [gedaagde 1] vastgesteld op Afl. 408.000,-.
2.10 Bij brief van 19 juli 2023 heeft de curator aan [gedaagde 1] geschreven dat zij weliswaar een vordering op de nalatenschap heeft van Afl. 408.000,-, maar dat zij geen recht heeft om in de woning te blijven wonen. De curator heeft [gedaagde 1] laten weten dat hij graag wil voorkomen dat [gedaagde 1] de woning moet verlaten, maar dat dat alleen kan als de schuldeisers van de nalatenschap daarmee instemmen. De curator heeft [gedaagde 1] geadviseerd juridische bijstand te zoeken en heeft verzocht contact met hem op te nemen om de mogelijkheden te bespreken. Daarbij heeft de curator aangekondigd dat hij, als [gedaagde 1] niets van zich zou laten horen, niets anders zou kunnen doen dan een ontruimingsprocedure beginnen.
2.11 [Gedaagde 1] heeft ook op deze brief niet gereageerd. Wel heeft [gedaagde 2] de curator per e-mail laten weten dat hij vindt dat de curator eerst andere vermogensbestanddelen moet uitwinnen. De curator heeft daarop bij e-mail van 24 juli 2023 gereageerd, met (samengevat) het standpunt dat de nalatenschap meer schulden heeft dan bezittingen. Ook heeft de curator aan [gedaagde 2] uitgelegd dat hij probeert om verkoop van de woning te voorkomen, maar dat daarvoor nodig is dat [gedaagden] open staan voor constructief overleg.
2.12 Op 1 februari 2024 heeft de rechter-commissaris de curator toestemming gegeven om deze procedure aanhangig te maken.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1
De curator vordert om [gedaagden] te bevelen om binnen 3 maanden na betekening van dit vonnis de woning met alle daarin aanwezige personen en zaken (tenzij deze zaken behoren tot de nalatenschap van erflater) te verlaten en te ontruimen en – onder afgifte van de sleutels – ter vrije beschikking te stellen aan de curator of zijn vertegenwoordiger, onder veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.
3.2 [
Gedaagden] voeren verweer.
3.3.
Hierna wordt verder ingegaan op de stellingen van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering.

4.DE BEOORDELING

4.1
Deze procedure gaat over de vraag of [gedaagden] de woning moeten verlaten.
4.2
Bij de beoordeling van de vordering van de curator stelt het Gerecht het volgende voorop. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning behoort tot de nalatenschap. Weliswaar woont [gedaagde 1] al jaren (naar eigen zeggen zo’n 42 jaar) in de woning, maar zij is geen mede-eigenaar. De curator stelt dat [gedaagden] de woning moeten verlaten, omdat de woning moet worden verkocht.
De nalatenschap van erflater is failliet verklaard. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat er in de nalatenschap meer schulden zijn dan bezittingen. De curator heeft de wettelijke taak om ervoor te zorgen dat de schuldeisers van de nalatenschap zo veel als mogelijk worden uitbetaald. Om dit te bereiken, moet de curator de goederen van de nalatenschap verkopen. Dat is ook wat de curator in dit geval wil doen.
4.3
De vraag is dan wat dit betekent voor [gedaagden].
4.4
Zoals gezegd is [gedaagde 1] geen mede-eigenaar van de woning: de woning was eigendom van erflater, en [gedaagde 1] en erflater waren getrouwd buiten iedere gemeenschap van goederen. In zijn testament heeft erflater de woning weliswaar gelegateerd aan [gedaagde 1], maar dit legaat is nooit afgegeven. De akte van vestiging van het vruchtgebruik is immers nooit verleden. Door het faillissement van de nalatenschap kan [gedaagde 1] dit vruchtgebruik ook niet meer krijgen.
4.5
Dit betekent dat [gedaagde 1] geen recht heeft om in de woning te blijven wonen. Zij heeft alleen nog een vordering op de nalatenschap, omdat het recht van vruchtgebruik niet kan worden geeffectueerd. [Gedaagde 1] zal de woning dus – hoe pijnlijk ook – moeten verlaten. Zij heeft immers geen enkel juridisch recht om in de woning te blijven wonen.
4.6
Datzelfde geldt voor [gedaagde 2]. Hij is als erfgenaam weliswaar mede-eigenaar geworden van de woning, maar vanwege het faillissement van de nalatenschap kan hij zijn rechten als erfgenaam niet uitoefenen. [Gedaagde 2] heeft een failliete boedel geërfd: namelijk een nalatenschap met meer schulden dan bezittingen. Hij zal dus van die bezittingen (waaronder het huis) niet kunnen profiteren.
4.7
Dit betekent dat [gedaagden] de woning zullen moeten ontruimen. Omdat [gedaagden] al heel lang weten dat hen een ontruiming boven het hoofd hangt (het verzoekschrift dateert van 20 februari 2024, en de eerste brief van de curator over de woning zelfs van 20 oktober 2021) zal de ontruimingstermijn – zoals de curator heeft gevorderd – worden bepaald op drie maanden.
4.8 [
Gedaagden] krijgen dus drie maanden de tijd om de woning (vrijwillig) te ontruimen. Als zij dit niet doen, zal de deurwaarder voor de ontruiming zorgen (artikel 556 lid 1 Rv). De deurwaarder mag daarbij (zonder tussenkomst van de rechter) zelf de politie inschakelen, als hij of zij dat nodig vindt (artikelen 444 en 557 Rv). De kosten van het inschakelen van een deurwaarder, en eventuele andere kosten die verbonden zijn aan de ontruiming als [gedaagden] dat niet vrijwillig doen, komen voor rekening van [gedaagden]. [Gedaagden] doen er dus verstandig aan om de woning op tijd te verlaten.
4.9 [
Gedaagden] hebben op hun beurt (als het Gerecht het goed begrijpt) een aantal tegenvorderingen ingesteld. Die vorderingen kunnen niet worden toegewezen.
i. In de eerste plaats hebben [gedaagden] gevraagd of het Gerecht wil bepalen dat de curator het geld dat hij heeft ontvangen uit de verkoop van het terrein in Ponton van [zus van gedaagde 2], aan haar moet terugbetalen. In de eerste plaats kan deze vordering niet worden toegewezen, omdat [zus van gedaagde 2] geen partij is in deze procedure. Daarnaast heeft de veiling plaatsgevonden omdat [zus van gedaagde 2] aan de curator een groot bedrag aan dwangsommen moest betalen. De curator had dus het recht het terrein van [zus van gedaagde 2] te veilen. De verkoopopbrengst zal aan de nalatenschap ten goede zijn gekomen.
Daarnaast hebben [gedaagden] het Gerecht gevraagd te bepalen dat “de regeling van de curator d.d. 2 april 2024 wordt behouden”. Nog afgezien van het feit dat deze vordering te laat is ingesteld, is hij sowieso niet toewijsbaar. Het Gerecht gaat er vanuit dat [gedaagden] doelen op het voorstel dat de curator op 2 april 2024 aan [gedaagden] heeft gemaild. [Gedaagden] hebben dit voorstel toen niet geaccepteerd. Tijdens de comparitie van partijen heeft het Gerecht [gedaagden] voorgehouden dat dit voorstel voor [gedaagden] waarschijnlijk het minst slechte scenario zou zijn, omdat dit de enige manier was waarop zij een dak boven hun hoofd zouden kunnen houden. Vervolgens is de procedure aangehouden om partijen de tijd te geven om met elkaar in gesprek te gaan. Daarna hebben [gedaagden] het Gerecht verzocht om de procedure voort te zetten. Kennelijk is het partijen dus niet gelukt om afspraken te maken. Van een overeenkomst, waaraan de curator gebonden is, is dus geen sprake.
Tot slot hebben [gedaagden] het Gerecht gevraagd om het werk van de curator te beëindigen. Dit zal het Gerecht niet doen. De taak van de curator zit er pas op als het faillissement kan worden afgewikkeld, namelijk als er geen bezittingen meer zijn die te gelde kunnen worden gemaakt en als (de waarde van) de bezittingen onder de schuldeisers is verdeeld. Dit stadium is nog niet bereikt, zodat de curator nog door zal moeten met zijn werkzaamheden.
4.1
Omdat [gedaagden] ongelijk krijgen, moeten zij de kosten van deze procedure betalen. De hoogte daarvan wordt hierna in de beslissing vermeld.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
veroordeelt [gedaagden] om de percelen
i. [Kadastraal nummer 1] (groot 1.014 m²), met de daarop gebouwde woning, plaatselijk bekend als [adres],
ii. [Kadastraal nummer 2] (groot 446 m²) te [adres], en
ii. [Kadastraal nummer 3] (groot 1.234 m²) te [adres],
uiterlijk binnen drie maanden na betekening van dit vonnis te verlaten en te ontruimen, tezamen met alle daarin aanwezige personen en zaken, met uitzondering van de zaken die behoren tot de nalatenschap van [erflater], met afgifte van de sleutels aan de curator of een door hem aan te wijzen vertegenwoordiger;
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van de curator worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 874,- aan explootkosten en Afl. 3.750,- aan salaris van de gemachtigde, te vermeerderen met (i) Afl. 250,- aan nakosten gemachtigdensalaris, (ii) Afl. 300,- aan betekeningskosten als dit vonnis wordt betekend, en (iii) de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vandaag;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.