Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEAA:2026:153

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
AUA202503775
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 LtuArt. 14 Ltu
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunningen wegens onjuiste gegevens en valse identiteit

Appellant is in 2011 Aruba binnengekomen en heeft in de loop der jaren dertien verblijfsvergunningen verkregen, waarvan later bleek dat deze waren aangevraagd onder een valse identiteit. In 2018 heeft appellant dit zelf aan de autoriteiten gemeld, waarna nog een vergunning werd verleend op juiste persoonsgegevens. In 2024 is appellant strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting.

De minister heeft daarop in september 2024 alle dertien vergunningen ingetrokken wegens onrechtmatig verblijf. Appellant maakte bezwaar, dat in oktober 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij het gerecht, dat de zaak in april 2026 behandelde. Verweerder verscheen niet.

Het gerecht oordeelt dat de intrekking rechtmatig is omdat de vergunningen zijn verkregen met onjuiste gegevens en valse identiteit, wat een ernstige schending vormt van de informatieplicht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan die het intrekken uitsluiten. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen, omdat het belang van handhaving van het toelatingsbeleid zwaarder weegt dan de belangen van appellant. De bestreden beslissing is zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen bevestigd.

Uitspraak

Uitspraak van 10 juni 2026
Lar nr. AUA202503775

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellant],

wonend in Aruba,
APPELLANT,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
gericht tegen:

DE MINISTER, BELAST MET VREEMDELINGEN- EN INTEGRATIEBELEID,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro.

INLEIDING

1.1
Bij beschikking van 6 september 2024 heeft verweerder de aan appellanten 1 tot en met 13 verleende verblijfsvergunningen ingetrokken.
1.2
Hiertegen heeft appellant op 16 oktober 2024 bezwaar gemaakt.
1.3
Bij beslissing van 6 oktober 2025 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
1.4
Hiertegen heeft appellant op 11 november 2025 beroep ingesteld bij het gerecht.
1.5
Verweerder heeft op 5 januari 2026 een verweerschrift bij het gerecht ingediend.
1.6
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 29 april 2026. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
1.7
De uitspraak is nader bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

2. Het gerecht is van oordeel dat het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard en legt hierna dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten?
3.1
Appellant is op 11 maart 2011 Aruba binnengekomen en heeft in het verleden meerdere verblijfsvergunningen verkregen, in totaal dertien. In 2018 heeft appellant aan de Dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister te kennen gegeven dat hij geregistreerd stond onder een valse identiteit. Hij heeft toen ook aan verweerder (DIMAS) kenbaar gemaakt dat de aan hem verleende verblijfsvergunning waren aangevraagd en verkregen onder een valse identiteit. Na deze bekendmaking in 2018 heeft verweerder aan appellant nog een verblijfsvergunning verleend op basis van zijn juiste persoonsgegevens.
3.2
Bij vonnis van het gerecht van 2 mei 2024 is appellant veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting.
3.3
Bij beschikking van 6 september 2024 heeft verweerder alle dertien aan appellant verleende verblijfsvergunningen ingetrokken, onder de motivering dat deze zijn verkregen op basis van een valse identiteit en onjuiste documenten, zodat sprake was van onrechtmatig verblijf. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij bestreden beslissing van 6 oktober 2025 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Wat zijn de standpunten van partijen?
4.1
Appellant kan zich niet verenigen met de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Hij voert – kort samengevat – aan dat verweerder hiermee handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel, aangezien verweerder reeds in 2018 bekend was met de vermeende onregelmatigheden, maar desondanks nadien een verblijfsvergunning heeft verleend. Gelet hierop mocht appellant erop vertrouwen dat zijn verblijfsstatus niet alsnog op grond van diezelfde feiten zou worden ingetrokken. Volgens appellant kan zijn strafrechtelijke veroordeling van 2 mei 2024 niet als een nieuwe omstandigheid worden aangemerkt die de intrekking rechtvaardigt. Verder stelt appellant dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd, en dat de intrekking onevenredig is in verhouding tot het daarmee beoogde doel.
4.2
Verweerder heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat appellant zijn verblijfsrecht heeft verkregen op basis van onjuiste gegevens, doordat eerdere verblijfsvergunningen onder valse voorwendselen, onder een valse naam en in een valse hoedanigheid zijn aangevraagd en verleend. Volgens verweerder had ook de laatst verleende verblijfsvergunning, hoewel afgegeven op naam van appellant, niet behoren te worden verleend. Verweerder wijst er voorts op dat appellant wegens deze handelwijze strafrechtelijk is veroordeeld. Daarnaast heeft appellant volgens verweerder gedurende jaren in Aruba gewoond en gewerkt zonder daartoe gerechtigd te zijn geweest. Onder deze omstandigheden acht verweerder de intrekking van de verblijfsvergunning rechtmatig en gerechtvaardigd.
Wat zegt de wet?
5.1
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening toelating, uitzetting (Ltu) wordt, behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen niemand in Aruba toegelaten zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.
5.2
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Ltu kan door of namens de minister belast met vreemdelingenzaken, bij een met redenen omklede beslissing, de vergunning tot tijdelijk verblijf en tot verblijf worden ingetrokken:
(…)
g. indien de toelatingsplichtige onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen zouden hebben geleid;
(…).
Wat vindt het gerecht?
6.1
Het gerecht stelt voorop dat verweerder op grond van de Ltu bevoegd is een verblijfsvergunning in te trekken indien deze is verkregen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Het verstrekken van onjuiste informatie of het gebruik van een valse identiteit raakt de kern van het toelatingsbeleid en vormt in beginsel een zwaarwegende grond voor intrekking. Vaststaat dat appellant gedurende meerdere jaren verblijfsvergunningen heeft verkregen onder een valse identiteit. Dit betreft een ernstige schending van de op appellant rustende verplichting om juiste en volledige informatie te verstrekken.
6.2
Appellant beroept zich op het vertrouwensbeginsel en stelt zich hierbij op het standpunt dat de intrekking in strijd is met het vertrouwensbeginsel, nu verweerder reeds in 2018 op de hoogte was van de feiten en nadien toch een verblijfsvergunning heeft verleend. Het gerecht overweegt dat voor een geslaagd beroep vereist is dat sprake is van concrete, ondubbelzinnige toezeggingen door een daartoe bevoegd orgaan. De enkele omstandigheid dat verweerder na 2018 nog een verblijfsvergunning heeft verleend, is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft niet expliciet of impliciet te kennen gegeven af te zien van zijn bevoegdheid om de eerdere onrechtmatigheden aan appellant tegen te werpen. Dat verweerder niet eerder tot intrekking is overgegaan, maakt dit niet anders. Aan een mogelijk stilzitten van de overheid kan appellant, gelet op de ernst van de door hem gepleegde misleiding, geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen. Met betrekking tot het tijdsverloop overweegt het gerecht dat, hoewel sprake is van een aanzienlijke periode tussen de bekendheid met de feiten en de intrekking, dit op zichzelf niet maakt dat verweerder niet meer tot intrekking mocht overgaan. Daarbij weegt zwaar dat het hier gaat om structurele en langdurige misleiding door appellant. Ook neemt het gerecht hierbij in aanmerking dat appellant pas bij uitspraak van 2 mei 2024 voor de begane strafbare feiten is veroordeeld. Hierna heeft verweerder meteen actie ondernomen door appellant bij brief van 24 juni 2024 te berichten van zijn voornemens om de verleende vergunning in te trekken. De veroordeling van 2 mei 2024 heeft verweerder mogen betrekken bij zijn beoordeling, reeds omdat deze het beeld bevestigt van het handelen van appellant en diens omgang met wettelijke regels.
6.3
Appellant beroept zich ook op het evenredigheidsbeginsel en stelt zich op het standpunt dat het intrekken van alle dertien vergunningen, waaronder de vergunningen die reeds zijn verlopen, redelijke grond mist en onevenredig zwaar is in verhouding tot het beoogde doel. Het gerecht overweegt ten aanzien hiervan dat verweerder in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van handhaving van de integriteit van het toelatingsbeleid dan aan de belangen van appellant. Dat de intrekking ingrijpende gevolgen heeft voor appellant, is inherent aan de aard van de maatregel en maakt deze niet onevenredig.
6.4
Voor het overige is het gerecht niet gebleken dat de bestreden beslissing onzorgvuldig is voorbereid of niet deugdelijk is gemotiveerd.

CONCLUSIE

7. De slotsom is dat het beroep ongegrond is

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting 10 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dagtekening van deze uitspraak.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.