Appellant is in 2011 Aruba binnengekomen en heeft in de loop der jaren dertien verblijfsvergunningen verkregen, waarvan later bleek dat deze waren aangevraagd onder een valse identiteit. In 2018 heeft appellant dit zelf aan de autoriteiten gemeld, waarna nog een vergunning werd verleend op juiste persoonsgegevens. In 2024 is appellant strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting.
De minister heeft daarop in september 2024 alle dertien vergunningen ingetrokken wegens onrechtmatig verblijf. Appellant maakte bezwaar, dat in oktober 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij het gerecht, dat de zaak in april 2026 behandelde. Verweerder verscheen niet.
Het gerecht oordeelt dat de intrekking rechtmatig is omdat de vergunningen zijn verkregen met onjuiste gegevens en valse identiteit, wat een ernstige schending vormt van de informatieplicht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan die het intrekken uitsluiten. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt verworpen, omdat het belang van handhaving van het toelatingsbeleid zwaarder weegt dan de belangen van appellant. De bestreden beslissing is zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd.