ECLI:NL:OGEAA:2026:161

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
518 van 2025
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:62 WvSr ArubaArt. 1:81 WvSr ArubaArt. 1:86 WvSr ArubaArt. 1:87 WvSr ArubaArt. 1:119 WvSr Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met oplegging TBS met voorwaarden

Op 12 augustus 2025 heeft de verdachte meerdere malen met een mes op het slachtoffer gestoken, wat heeft geleid tot een pneumothorax en longcontusie. Hoewel de verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord wegens gebrek aan bewijs voor voorbedachte raad, werd wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet.

De verdediging voerde een beroep op (tardief) noodweerexces aan, stellende dat de verdachte zich bedreigd voelde en disproportioneel handelde uit hevige gemoedsbeweging. Het gerecht verwierp dit beroep omdat de verdachte de confrontatie actief had opgezocht en agressief handelde, wat niet als verdedigend kon worden aangemerkt.

Bij de strafoplegging hield het gerecht rekening met de ernst van het feit, het hoge recidiverisico van de verdachte, en zijn persoonlijkheidsstoornis met antisociale en paranoïde trekken, alsmede cannabismisbruik en laaggemiddelde intelligentie. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van voorarrest en de maatregel van TBS met voorwaarden opgelegd, gericht op behandeling en terugdringing van recidiverisico.

Daarnaast werd de teruggave van inbeslaggenomen mobiele telefoons en een zakje met slikkersbolletjes gelast, omdat deze niet vatbaar waren voor verbeurdverklaring. De voorwaarden van de TBS omvatten onder meer behandeling, urinecontroles, agressieregulatie- en sociale vaardigheidstraining, arbeidsintegratie en contactverbod met het slachtoffer en een getuige.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf en TBS met voorwaarden wegens poging tot doodslag; beroep op noodweerexces verworpen.

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/01530
Zaaknummer: 518 van 2025
Uitspraak van: 12 juni 2026 op tegenspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], op het adres [adres],
thans gedetineerd in het [detentieplaats]
,
hierna: de verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 april 2026. Het onderzoek is op de terechtzitting van 29 mei 2026 gesloten.
Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. C. van Buul, de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.G. Croes, advocaat in Aruba.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:
dat hij op of omstreeks 12 augustus 2025 in Aruba ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door die [slachtoffer] meerdere malen (acht keren), althans eenmaal, met een mes in zijn flank en/of hoofd en/of schouder en/of elleboog en/of arm, althans in het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans indien ten aanzien van het voorgaande geen veroordeling mocht kunnen volgen
dat hij op of omstreeks 12 augustus 2025 in Aruba opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer], immers heeft hij die [slachtoffer] opzettelijk, meerder malen (acht keren), althans eenmaal, met een mes in zijn flank, althans het lichaam gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] een pneumothorax en longcontusie heeft opgelopen;
althans indien ten aanzien van het voorgaande geen veroordeling mocht kunnen volgen
dat hij op of omstreeks 12 augustus 2025 in Aruba opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld met een wapen, te weten een mes, zijnde een wapen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, immers heeft hij toen aldaar meerdere malen (acht keren), althans eenmaal, met kracht met dat mes, in de flank, althans het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een pneumothorax en longcontusie heeft gehad.

3.Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde poging tot moord. Daarbij is aangevoerd – kort en zakelijk weergegeven - dat uit de Whatsapp-berichten die de verdachte op de bewuste dag aan [getuige] heeft gestuurd afgeleid kan worden dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.
4.3
Bewijsoverwegingen van het Gerecht
Voorbedachte raad
Het Gerecht stelt op grond van het dossier vast dat er op 12 augustus 2025 via Whatsapp contact is geweest tussen de verdachte en [getuige]. Blijkens het proces-verbaal bevinding uitlezen telefoon (bijlage 33 van het dossier) zijn er tussen 12:27:42 uur en 12:42:07 uur berichten tussen de verdachte en [getuige] uitgewisseld, waarbij de verdachte om 12:39:40 uur aan [getuige] heeft gestuurd: “
Eno ta skapa eta muri” (hij ontsnapt niet, hij sterft). Uit het dossier volgt niet duidelijk op welk tijdstip het incident daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Er is een melding die rond 12:40 uur is gedaan (bijlage 1 van het dossier), en er is ook een melding die om 13.25 uur is gedaan (bijlage 2 van het dossier). Daarmee is niet met zekerheid vast te stellen of de berichten vóór of na het incident zijn verstuurd. Daar komt bij dat de berichten naar het oordeel van het Gerecht te weinig concreet zijn om vast te kunnen stellen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit, poging tot moord.
Voorwaardelijk opzet op de dood
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van de aangever heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
Het Gerecht stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte acht keer met een mes heeft ingestoken op het lichaam van de aangever, en hem daarbij onder meer in zijn flank en op zijn hoofd heeft geraakt. Hiermee heeft de verdachte naar het oordeel van het Gerecht de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de aangever zou komen te overlijden. Het betreffen immers kwetsbare delen van het lichaam, waar zich onder meer vitale organen bevinden. Dat de aanmerkelijke kans op de dood bestond, volgt ook uit de medische verklaring, waaruit volgt dat de aangever een klaplong heeft opgelopen. De gedragingen van de verdachte, zoals die hierboven zijn beschreven, kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden aangemerkt dan als zozeer gericht op dit gevolg dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood zou leiden, ook heeft aanvaard. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde poging tot doodslag.
4.4
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair impliciet subsidiair is ten laste gelegd, met dien verstande dat:
dat hij op
of omstreeks12 augustus 2025 in Aruba ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten radevan het leven te beroven,
doordie [slachtoffer] meerdere malen (acht keren),
althans eenmaal,met een mes in zijn flank en
/ofhoofd
en/of schouder en/of elleboogen
/ofarm, althans in het lichaam heeft gestoken
en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

5.De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag,
strafbaar gesteld bij artikel 2:259 juncto Pro artikel 1:119 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

6.1
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een gerechtvaardigd beroep op (tardief) noodweerexces toekomt. De verdachte heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde en dat hij meende zich te moeten verdedigen tegen de aangever. Hij heeft daarbij disproportioneel gehandeld, maar dit was het gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door een (vermeende) dreiging, aldus de verdediging.
6.2
Het oordeel van het Gerecht
Het Gerecht stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat in het onderhavige geval de verdachte zelf actief de confrontatie met de aangever heeft opgezocht. Op de camerabeelden is immers te zien dat de verdachte op een agressieve manier op de aangever af komt lopen, dat laatstgenoemde achteruitdeinst en dat de verdachte hem vervolgens te lijf gaat, waarbij de verdachte ook een mes heeft gebruikt. Dit betekent dat zijn handelen zowel naar uiterlijke verschijningsvorm, als naar zijn daaruit blijkende kennelijke bedoeling niet als verdedigend maar als aanvallend moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het beroep op (tardief) noodweerexces niet kan slagen.
Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar.

7.Oplegging van straf en maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door haar primair bewezen geachte feit, te weten poging tot moord, dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar, met aftrek van voorarrest, alsmede dat hem de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS), als bedoeld in artikel 1:86 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Aruba, wordt opgelegd, met voorwaarden zoals opgenomen in het reclasseringsrapport d.d. 2 april 2026.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft in het kader van de strafmaat verzocht om in sterke mate rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair is verzocht om te komen tot een straf waarbij behandeling en begeleiding van de verdachte centraal staan, bijvoorbeeld in de vorm van een (deels) voorwaardelijk straf met reclasseringstoezicht, waarbij TBS een optie is.
7.3
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, door de aangever met een mes aan te vallen en hem meermaals te steken in het lichaam. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit en de aangever heeft door het handelen van de verdachte potentieel dodelijk letsel opgelopen. Het had voor de aangever heel anders kunnen aflopen. De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever en hem pijn en letsel toegebracht. Dit soort geweld heeft grote impact voor het slachtoffer en voor de omstanders, waaronder de zoon van de aangever.
Het Gerecht acht het bovendien zeer kwalijk en zorgelijk dat de verdachte dit feit heeft gepleegd terwijl hij op dat moment nog maar twee weken voorwaardelijk in vrijheid was gesteld naar aanleiding van een eerdere veroordeling wegens doodslag, waarvoor hij – blijkens een hem betreffende strafkaart d.d. 27 januari 2026 - een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opgelegd heeft gekregen. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een dergelijk ernstig strafbaar feit te plegen.
Persoon van de verdachte
Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat verband heeft het Gerecht mede acht geslagen op de volgende rapporten die ten aanzien van de persoon van de verdachte zijn opgemaakt:
  • een psychologisch rapport van 11 januari 2026, opgemaakt door [psycholoog];
  • een psychiatrisch rapport van 13 januari 2026, opgemaakt door [psychiater];
  • een verslag d.d. 23 januari 2026, inhoudende beantwoording van aanvullende vragen van de officier van justitie, opgemaakt door [psycholoog] en [psychiater];
  • een reclasseringsrapport d.d. 2 april 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker], reclasseringsmedewerker.
Uit de inhoud van de hiervoor genoemde rapporten volgt – kort gezegd – dat er bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en paranoïde trekken, misbruik van cannabis en een laaggemiddelde intelligentie. Er is vanaf vroege leeftijd sprake van een patroon van roekeloos en onverantwoordelijk gedrag, gedragsproblemen, agressie en prikkelbaarheid en achterdocht naar anderen. De stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het bewezenverklaarde. De psycholoog adviseert daarom toerekening in verminderde mate; de psychiater adviseert een enigszins verminderde toerekening.
Zowel de psycholoog als de psychiater schatten het recidiverisico als hoog in. Zij achten een intensieve therapie nodig, die gericht is op (onder meer) de persoonlijkheidsproblematiek, agressieregulatie en impulsiviteit van de verdachte. Zij adviseren om aan de verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen, waarbij de verdachte een ambulante behandeling krijgt bij Stichting Hunto (GGZ) voor zijn verslavingsproblematiek en bij Respaldo (SGGZ) voor behandeling van zijn psychopathologie en traumaverwerking. Daarnaast kan hij medicamenteus ondersteund worden voor zijn emotieregulatie problemen. Bij Respaldo kan hij aangemeld worden bij het Fact-team, voor het ontwikkelen van een positieve dagbesteding en een pro-sociaal netwerk. De reclassering kan toezicht houden op zijn middelengebruik door middel van urinecontroles en hij kan daar een agressieregulatie training en sociale vaardigheidstraining volgen. De verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan de voorwaarden te houden. Volgens de psycholoog kan een TBS met voorwaarden daarbij gezien worden als stok achter de deur, indien de verdachte niet goed meewerkt aan de voorwaarden. Een dreiging tot gedwongen plaatsing in een kliniek in Nederland zal de kans verhogen dat hij zich aan de voorwaarden gaat houden en zich zal committeren aan de behandeling. Indien hij niet meewerkt aan de voorwaarden zal het recidiverisico onverminderd hoog blijven en zal er uitgeweken moeten worden naar een gedwongen plaatsing in een forensische kliniek, om ervoor te zorgen dat hij de behandeling krijgt die hij nodig heeft.
In het advies van de reclassering wordt het risico op recidive eveneens als hoog ingeschat. In navolging op de adviezen van de psycholoog en de psychiater adviseert ook de Reclassering om de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. Dit zou onder de navolgende strikte voorwaarden dienen te geschieden:
  • de betrokkene verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht en dient zich te houden aan alle aanwijzingen en opdrachten van de Reclassering;
  • de betrokkene werkt mee aan het opgestelde ambulante behandelplan, ook als dit het gebruik van psychofarmaca inhoudt. Tevens dient hij mee te werken aan eventuele, door de behandelend psychiater noodzakelijk geachte, aanpassingen van het behandelplan in de toekomst;
  • de betrokkene dient mee te werken aan (maandelijkse) urinecontroles gericht op middelengebruik via Stichting Hunto of wanneer dit nodig wordt geacht door de Reclassering;
  • de betrokkene dient direct na ontslag uit detentie een agressieregulatietraining (ART) te volgen bij de Reclassering, gedurende een periode van twee maanden;
  • de betrokkene volgt een sociale vaardigheidstraining toegespitst op zijn niveau;
  • de betrokkene werkt in samenwerking met Reclassering toe naar arbeidsintegratie;
  • de betrokkene heeft geen contact met zijn ex-vriendin en het slachtoffer.
De naleving van de voorwaarden wordt noodzakelijk geacht ter bevordering van een veilig terugkeer in de maatschappij.
Strafoplegging
Het Gerecht is op grond van de conclusies van de psychiater en psycholoog van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht acht - alles afwegende en mede gezien het bepaalde in artikel 1:86, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba - een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden. Dit is de maximaal op te leggen gevangenisstraf die naast een maatregel van TBS met voorwaarden kan worden opgelegd. Het Gerecht is van oordeel dat een lagere straf geen recht doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals hiervoor weergegeven.
Maatregel van TBS met voorwaarden
Het Gerecht stelt op basis van de deskundigenrapportages vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en paranoïde trekken, en cannabismisbruik. Het door hem begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Uit de deskundigenrapportages blijkt dat een intensieve ambulante behandeling gericht op onder meer de persoonlijkheidsproblematiek, agressieregulatie en impulsiviteit nodig is om het als hoog ingeschatte recidiverisico te verminderen. Gelet op de ernst van het feit, het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling om dit te beperken, vereist naar het oordeel van het Gerecht de veiligheid van andere, dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden. De verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan de voorwaarden te houden. De mogelijkheid tot omzetting van TBS met voorwaarden naar een TBS met dwangverpleging vormt bovendien een wezenlijke waarborg voor naleving van de voorwaarden.
Alles afwegende komt het Gerecht daarmee tot het oordeel dat de oplegging van een maatregel van TBS met voorwaarden passend is. Deze maatregel sluit het beste aan bij het doel om het recidiverisico terug te dringen en biedt de verdachte tegelijkertijd een reëel perspectief op behandeling en geleidelijke resocialisatie, terwijl de veiligheid van de samenleving voldoende is gewaarborgd. Bij de vaststelling van de aan de maatregel te verbinden voorwaarden zal het Gerecht aansluiting zoeken bij de geadviseerde voorwaarden door de reclassering, waaronder het contactverbod met de aangever en met mevrouw [getuige].
De maatregel wordt opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot doodslag. Dit betekent dat de totale duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, geen maximum kent zolang aan de voorwaarden voor verlenging wordt voldaan.
Slotsom
Al het voorgaande afwegende zal het Gerecht aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van TBS met voorwaarden zoals hiervoor vermeld.

8.Het beslag

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoons gevorderd dat deze aan de verdachte teruggegeven worden. Ten aanzien van het doorzichtig plastic zakje met ongeveer 15 stuks op slikkersbolletjes gelijkende voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat, hoewel deze geen verdovende middelen bevatten, deze verbeurd dienen te worden verklaard.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen.
8.3
Het oordeel van het Gerecht
Het Gerecht gelast de teruggave van de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte, nu zich daartegen geen strafvorderlijk belang verzet:
  • een witkleurige mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A51;
  • een pearl kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A34;
  • een doorzichtig plastic zakje met ongeveer 15 stuks op slikkersbolletjes gelijkende voorwerpen.
Ten aanzien van de ‘slikkersbolletjes’ overweegt het Gerecht dat - anders dan gevorderd door de officier van justitie - de teruggave daarvan wordt gelast, nu de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:81, 1:86, 1:87, 1:119 en 2:259 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair, impliciet subsidiair, ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
6 (zes) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende
voorwaardenbetreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
  • de ter beschikking gestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
  • de ter beschikking gestelde verleent medewerking aan het reclasseringstoezicht en dient zich te houden aan alle aanwijzingen en opdrachten van de Reclassering;
  • de ter beschikking gestelde werkt mee aan het opgestelde ambulante behandelplan, ook als dit het gebruik van psychofarmaca inhoudt. Tevens dient hij mee te werken aan eventuele, door de behandelend psychiater noodzakelijk geachte, aanpassingen van het behandelplan in de toekomst;
  • de ter beschikking gestelde dient mee te werken aan (maandelijkse) urinecontroles gericht op middelengebruik via Stichting Hunto of wanneer dit nodig wordt geacht door de Reclassering;
  • de ter beschikking gestelde dient direct na ontslag uit detentie een agressieregulatietraining (ART) te volgen bij de Reclassering, gedurende een periode van twee maanden;
  • de ter beschikking gestelde volgt een sociale vaardigheidstraining toegespitst op zijn niveau;
  • de ter beschikking gestelde werkt in samenwerking met Reclassering toe naar arbeidsintegratie;
  • de ter beschikking gestelde heeft geen contact met zijn ex-vriendin ([getuige]) of met het slachtoffer ([slachtoffer]).
geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
gelast de
teruggave aan de verdachtevan de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
  • een witkleurige mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A51;
  • een pearl kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy A34;
  • een doorzichtig plastic zakje met ongeveer 15 stuks slikkersbolletjes gelijkende voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, rechter, bijgestaan door mr. J. van der Vegte (zittingsgriffier), en op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.
Uitspraakgriffier: