ECLI:NL:OGEAA:2026:169

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AUA202500665 AR
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H.M. van de Leur
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens ontbreken samenwerkingsovereenkomst in barexploitatie

Partijen hadden een liefdesrelatie en stelden een document op met de titel Partnership Agreement voor de exploitatie van een bar, maar dit document is niet ondertekend. Eiser stelde dat er een samenwerkingsovereenkomst was ontstaan doordat zij uitvoering hadden gegeven aan de afspraken, waaronder kapitaalbijdragen en beheer van de onderneming.

De gedaagde voerde verweer dat geen samenwerkingsovereenkomst tot stand was gekomen en dat eiser geen kapitaal had ingebracht zoals vereist. Het Gerecht oordeelde dat het ontbreken van ondertekening niet doorslaggevend is, maar dat feitelijke uitvoering van de afspraken noodzakelijk is. Uit de kredietovereenkomst bleek dat eiser slechts borg stond en geen kapitaal inbracht, waardoor niet voldaan was aan de afspraken.

Verder was de onderneming als eenmanszaak ingeschreven op naam van gedaagde, en was niet gebleken dat er sprake was van een vennootschap onder firma. Ook de uitbetaalde vergoeding aan eiser was niet aan te merken als remuneratie uit de samenwerking. Daarom was geen sprake van wanprestatie en werden de vorderingen afgewezen.

In het incident werd de vordering tot inzage van de administratie afgewezen wegens gebrek aan rechtmatig belang. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en kreeg toestemming om kosteloos te procederen.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens het ontbreken van een samenwerkingsovereenkomst en wanprestatie.

Uitspraak

Vonnis van 29 april 2026
Behorend bij A.R. AUA202500665
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 843a Rv van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser in de hoofdzaak en in het incident,
hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde in de hoofdzaak en verweerster in het incident,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. A.E.A. Hernandez.

1.HET PROCESVERLOOP

1.1
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 11 maart 2025;
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak met producties, ingediend op 11 juni 2025;
- de conclusie van repliek met producties, ingediend op 10 september 2025, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba;
- de op 14 oktober 2025 per e-mail ontvangen brief van [eiser], houdende een verzoek tot pleidooi;
- de conclusie van dupliek in de hoofdzaak en van antwoord in het incident, ingediend op 13 november 2025;
- producties zijdens [eiser], ingediend op 5 januari 2026.
1.2
Pleidooi heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Partijen zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, en hebben het woord gevoerd - [eiser] mede aan de hand van de door hem overgelegde en voorgedragen pleitaantekeningen - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.
1.3
De datum voor vonnis is nader bepaald op heden.

2.DE FEITEN

in de hoofdzaak
2.1
Partijen hebben in de periode maart 2023 tot 11 oktober 2024 een liefdesrelatie gehad.
2.2
Op een gegeven moment is een document opgesteld met de titel “
Partnership Agreement” (hierna: het document). Artikel 1 en Pro 2 van dit document - dat door partijen niet is ondertekend - vermeldt het volgende:
“This Partnership Agreement (“Agreement”) is entered into on the 25th day of March, 2024, in Aruba, between the undersigned parties:
1. Parties
1.1. [
GEDAAGDE], (…) as “Partner 1”, and
1.2. [
EISER], (…) as “Partner 2”.
2. PURPOSE
The parties agree to form a partnership for the purpose of exploiting a bar under the name [locatie].
2.3
In artikel 3 van Pro het document staat het volgende:
“3. TERM
This partnership shall commence on the date of this Agreement and shall continue indefinitely until terminated by mutual agreement of the partners or as otherwise provided by law. In the event of unilateral termination, a termination notice of a minimum of 6 calendar months shall be observed.”
2.4
Artikel 4 van Pro het document, waarin onder ‘partner 1’ [gedaagde] en onder ‘partner 2’ [eiser] wordt verstaan, luidt als volgt:
“4. CAPITAL CONTRIBUTIONS
Each partner shall contribute to the partnership the following capital contribution:
4.1.
Partner 1: AWG 15.000,00
4.2.
Partner 2: AWG 35.000,0
(…)”.
2.5
In artikel 8 van Pro het document is het volgende bepaald:
“8. REMUNERATION
8.1.
The partners may agree that there is entitlement to employment remuneration.
(…)
8.3.
The partner who is entitled to employment remuneration is authorized to withdraw this form the partnership’s funds in monthly instalments, by way of an advance on the profits share from the partnership’s to which he/she is entitled and taking into account what is stated in this regard in Article10.
(…)”.
2.6
In artikel 10 van Pro het document is het volgende opgenomen:
“10. WITHDRAWAL OF PROFIT SHARE
10.1.
Insofar as this does not endanger the business operations and financing of the
partnership, each partner is authorized to withdraw an amount from the partnership’s cash fund on a monthly basis as an advance on the profit share accruing to him from the
partnership, the amount of which determined in mutual consultation.”.
2.7
Artikel 11 van Pro de overeenkomst luidt als volgt:
“11. END OF PARTNERSHIP
The partnership ends:
(…)
b: by termination by one of the partners, in accordance with the provisions of 3;
(…).”
2.8 [
Locatie] (hierna: de onderneming) is bij de Kamer van Koophandel van Aruba ingeschreven als eenmanszaak, met ingang van 19 maart 2024, op naam van [gedaagde].
2.9
Na de oprichting van de onderneming is een businessplan opgesteld, waarin de exploitatie van de onderneming is uiteengezet. In dit document getiteld “
Business Plan for [locatie]wordt [eiser] aangeduid als “founder/owner”.
2.1
Op 30 april 2024 heeft [gedaagde] een kredietovereenkomst met Qredits gesloten, waarbij zij de overeenkomst namens de onderneming als kredietnemer heeft ondertekend en [eiser] als borgsteller van het geleende bedrag van Afl. 30.000,--.
2.11 [
Eiser] heeft op enig moment het bedrag van Afl. 15.000,-- ter beschikking gesteld.
2.12
Met ingang van 18 mei 2024 zijn de exploitatieactiviteiten van de onderneming aangevangen.
2.13
In oktober 2024 is de liefdesrelatie tussen partijen tot een einde gekomen. Daarna zijn problemen ontstaan rondom de exploitatie van de onderneming.
2.14
Bij brief van 11 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] namens haar het volgende aan [eiser] medegedeeld:
“[Gedaagde] has recently retained my services to represent her interests in this matter. On her behalf, I would like to convey the following.
As you know, my client is the sole owner of [locatie]. You and client had a romantic relationship. Because of this you helped my client with the initial investment and daily business activities of the aforementioned bar. Since the relationship has ended my client hereby requests you to not appear any longer at the bar. You will receive the agreed compensation for helping out at the bar up until October 10th 2024.
Client is also willing to reimburse you for the provided investment of Afl. 15.000,-. Client will pay you Afl. 5.000,- upfront in the upcoming days and the remaining balance in 2 monthly payments. Needless to say, you will also be released from all responsibilities regarding the lease of the location. It is requested however, and if needed demanded, to withhold yourself from damaging the reputation of client’s business in any possible way.
Client is grateful for your help and would like to finalize everything on good terms.”.
2.15
Bij brief van 25 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] namens hem een beroep gedaan op wanprestatie en [gedaagde] gesommeerd het bedrag van Afl. 64.000,-- binnen zeven dagen vanaf de datum van de brief aan [eiser] te betalen.
2.16 [
Gedaagde] is bij brief van 11 november 2024 gesommeerd het bedrag van Afl. 109.390,16 aan remuneratie en winstaandeel aan [eiser] te betalen.
2.17
Bij brief van 14 november 2024 heeft [gedaagde] [eiser] medegedeeld dat tussen partijen geen
“Partnership Agreement”bestaat en dat [eiser] geen vordering op haar heeft.
2.18
Bij brief van 20 november en 4 december 2024 is [gedaagde] erop gewezen dat zij gehouden is de overeenkomst na te komen en het hierboven vermelde bedrag te betalen aan [eiser].
2.19 [
Gedaagde] heeft aan voornoemde brieven geen gehoor gegeven.

3.HET GESCHIL

in de hoofdzaak
3.1 [
Eiser] vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) hem toestemming verleent om kosteloos te procederen;
primair
b) [Gedaagde] veroordeelt om de overeenkomst na te komen binnen de redelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis;
subsidiair
c) toestaat dat de overeenkomst tussen partijen wordt beëindigd en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van tot aan de datum van de beëindiging daarvan verschuldigde contractuele bedragen thans begroot op Afl. 197.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
meer subsidiair
d) [Gedaagde] veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat;
e) Rasamijn veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag van algehele voldoening.
3.2 [
Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] haar verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst, waaronder de maandelijkse uitbetaling van remuneratie ter hoogte van Afl. 4.000,--, het uitkeren van het winstaandeel en uitbetaling van het saldo van de kapitaalrekening, niet is nagekomen. Het niet nakomen van deze verplichtingen levert wanprestatie op. [Eiser] heeft verder gesteld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de financiële schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van haar gedragingen.
3.3 [
Gedaagde] voert verweer en concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser] in zijn vorderingen, dan wel tot het afwijzen daarvan, kosten rechtens.
in het incident
3.4 [
Eiser] vordert zoals hierna omschreven onder 4.8.
3.5 [
Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering van [eiser].
in de hoofdzaak en in het incident
3.6
Het Gerecht zal op de standpunten van partijen hierna, waar nodig, nader ingaan.

4.DE BEOORDELING

in de hoofdzaak en in het incident
4.1
Uit het door [eiser] overgelegde bewijs van onvermogen blijkt dat hij niet in staat is om de kosten van deze procedure te dragen. Aan [eiser] zal daarom toestemming worden verleend om kosteloos te procederen.
in de hoofdzaak
4.2
Er zijn geen gronden gesteld of gebleken waaruit volgt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem gevorderde. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.
4.3
Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen hen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [eiser] is daarvan sprake, nu partijen aan de in het document opgenomen afspraken uitvoering hebben gegeven. [Gedaagde] betwist dit. Het Gerecht overweegt als volgt.
4.4
Vast staat dat het document met de titel “
Partnership Agreement”, zoals hierboven vermeld, niet door partijen is ondertekend. Het Gerecht stelt voorop dat voor het bestaan van een samenwerkingsovereenkomst de ondertekening daarvan niet vereist is. Van belang is of partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de in het document opgenomen afspraken en daarmee blijk hebben gegeven van instemming met de inhoud daarvan. Volgens [eiser] zijn er meerdere omstandigheden die erop wijzen dat partijen uitvoering hebben gegeven aan het document. Zo heeft hij als medeoprichter en mede-eigenaar van de onderneming overeenkomstig artikel 4 van Pro het document Afl. 45.000,-- kapitaalbijdrage in de onderneming ingebracht. [Eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de door hem als productie overgelegde brief van 11 oktober 2024 van de gemachtigde van [gedaagde], waaruit blijkt dat hij een bedrag van Afl. 15.000,-- ter beschikking heeft gesteld en naar de door [gedaagde] als productie overgelegde kredietovereenkomst met de stichting Qredits Microfinanciering Nederland (hierna: Qredits), met leningnummer [leningnummer]. Het Gerecht kan de stelling van [eiser] niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Uit de kredietovereenkomst blijkt dat [gedaagde] - namens de onderneming - de overeenkomst als kredietnemer heeft ondertekend en daarom juridisch primair aansprakelijk is voor terugbetaling van de lening, terwijl [eiser] uitsluitend heeft getekend als borgsteller voor de lening van de onderneming. Dit kan naar het oordeel van het Gerecht niet als inbreng (kapitaalbijdrage) in de zin van artikel 4 van Pro het document worden beschouwd, nu [eiser] hiermee feitelijk geen kapitaal in de onderneming heeft ingebracht dat direct onderdeel van het vermogen van de onderneming is geworden. De stelling van [eiser] dat hij als borgsteller mogelijk tot terugbetaling van de lening kan worden aangesproken en dat zijn handeling daarom als kapitaalinbreng dient te worden beschouwd, kan niet gevolgd worden, nu de mogelijke terugbetaling van de lening een onzekere (toekomstige) omstandigheid betreft en die betaling bovendien plaatsvindt op basis van borgstelling en niet als oorspronkelijke kapitaalstorting. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat [eiser] niet voldaan heeft aan de afspraak zoals vastgelegd in artikel 4 van Pro het document, met als gevolg dat niet gezegd kan worden dat een samenwerkingsovereenkomst (stilzwijgend) tot stand is gekomen. Dat [eiser] Afl. 15.000,-- ter beschikking heeft gesteld, maakt het voorgaande niet anders. Artikel 4.2 van het document bepaalt immers dat [eiser] een kapitaalbijdrage van Afl. 35.000,-- moest inbrengen, hetgeen hij niet heeft gedaan.
4.5 [
Eiser] heeft verder gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de in het document vastgelegde afspraken, nu partijen overeenkomstig die afspraken als vennoten een vennootschap onder firma (vof) hebben gedreven. Zo hebben zij naar buiten toe opgetreden onder de gezamenlijke handelsnaam van de onderneming en heeft [eiser] beheers- en beschikkingshandelingen uitgevoerd. Ook deze stelling van [eiser] kan het Gerecht niet volgen, en wel om de volgende redenen. Als kenmerk van een vof geldt dat iedere vennoot de winst en het verlies van de onderneming deelt. De vraag of de onderneming winst heeft gemaakt, zoals [eiser] heeft gesteld en [gedaagde] heeft betwist, is hier niet relevant, nu in elk geval niet is gebleken dat [eiser] (indien daarvan sprake is) inkomstenbelasting heeft betaald over het aandeel van de winst waarvan hij stelt recht op te hebben, terwijl een vennoot gehouden is belasting te betalen over het winstaandeel ongeacht of de winst daadwerkelijk is uitgekeerd. Zelfs indien het - volgens de stelling van [gedaagde] - juist is dat de onderneming verlies heeft geleden, geldt dat niet is gebleken dat [eiser] in het verlies van de onderneming heeft gedeeld. Gelet hierop en nu partijen evenmin uitvoering hebben gegeven aan artikel 4 van Pro het document, zoals hierboven overwogen en die eveneens als kenmerk van een vof dient te worden aangemerkt, is het Gerecht van oordeel dat niet gezegd kan worden dat partijen uitvoering hebben geven aan de in het document opgenomen afspraken. Aan die stelling van [eiser] zal daarom voorbij worden gegaan. Dat [eiser] beheers- en beschikkingshandelingen ten behoeve van de onderneming heeft uitgevoerd, zoals hij heeft gesteld, betekent niet automatisch dat sprake is van een vof, nu die handelingen ook door een andere persoon dan de vennoot kunnen worden gedaan. Dat partijen naar buiten toe hebben opgetreden onder een gezamenlijke handelsnaam is uit de stukken niet gebleken, maar is verder niet voldoende om te concluderen dat er sprake is van een vof. Ditzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat hij betrokken is geweest bij het opstellen van voormeld businessplan, waarin hij als “
founder” wordt vermeld. Overigens is onbetwist gesteld dat de onderneming als eenmanszaak is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op naam van [gedaagde]. Hieruit volgt dat [gedaagde] eigenaar is van de onderneming, hetgeen meebrengt dat geen sprake kan zijn van een vof. Niet is gebleken dat de eenmanszaak op een gegeven is opgehouden te bestaan of dat de activiteiten daarvan zijn overgedragen naar een door partijen opgerichte vof.
4.6
Nu verder evenmin is gebleken dat partijen uitvoering hebben gegeven aan artikel 8 van Pro het document, is het Gerecht van oordeel dat tussen partijen geen samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen. Dat aan [eiser], zoals blijkt uit de door hem overgelegde loonstrook van 2 mei 2024, een vergoeding is uitbetaald, maakt het voorgaande niet anders. Niet is gebleken immers dat die vergoeding remuneratie betreft in de zin van voormeld artikel, nu die aan [eiser] uitbetaalde vergoeding op de loonstrook als “
salary” wordt aangeduid, en de vergoeding overigens ook uit hoofde van een andere rechtsverhouding uitbetaald had kunnen worden. Het voorgaande in aanmerking genomen is het Gerecht van oordeel dat geen sprake is van wanprestatie en dat de vorderingen van [eiser], die allen gegrond zijn op de stelling dat tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen, zullen worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden.
4.7 [
Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 6.000,-- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten, tarief 7).
in het incident
4.8 [
Eiser] vordert op grond van artikel 843a Rv [gedaagde] te bevelen de volledige administratie van de onderneming over de periode juni 2024 tot en met heden aan hem te verstrekken, waaronder kasboeken, bankafschriften, overzichten van inkomsten en uitgaven, grootboekmutaties en jaarstukken. [Eiser] vordert dit, aangezien het - volgens hem - nodig is om zijn winstaandeel en het saldo van de kapitaalrekening vast te kunnen stellen. Ook aan die stelling gaat het Gerecht voorbij. Artikel 843a Rv bepaalt immers dat de stukken die gevorderd worden betrekking dienen te hebben op een rechtsverhouding waarbij in dit geval [eiser] partij is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat in de onderhavige zaak daarvan geen sprake is, met als gevolg dat [eiser] bij deze vordering geen rechtmatig belang heeft. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.
4.9
De proceskosten van [gedaagde] in dit incident komen voor rekening van [eiser], omdat hij in het ongelijk wordt gesteld. Die kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.250,-- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt, tarief 5)

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
in het incident
5.1
wijst de incidentele vordering van [eiser] af;
5.2
veroordeelt [eiser] in de incidentele proceskosten van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.250,--;
in de hoofdzaak
5.3
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.4
veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 6.000,--;
in het incident en in de hoofdzaak
5.5
verleent toestemming aan [eiser] om kosteloos te procederen.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter terechtzitting van woensdag 29 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.