ECLI:NL:OGEAA:2026:171

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
AUA202500500
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling nalatenschap en verkoop woning na ouderlijke boedelverdeling

De zaak betreft de verdeling van de nalatenschap van moeder, die in haar testament haar drie kinderen tot erfgenamen benoemde. Vader had in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen, waardoor de nalatenschap eerst aan moeder toekwam. Een bedrag van Afl. 213.486,82 was in 2019 van moeders rekening overgemaakt aan gedaagde, wat eisers als een gift kwalificeren die ingebracht moet worden in de nalatenschap.

Partijen zijn het eens over de verkoop van de woning, maar niet over de financiële afwikkeling. Gedaagde wenst een eerlijke verdeling, maar heeft geen concreet verweer gevoerd. Het gerecht oordeelt dat de gift uit 2019 onder het oude erfrecht valt en ingebracht moet worden, waardoor de nalatenschap een waarde van Afl. 628.486,82 heeft.

De woning is getaxeerd op Afl. 415.000,- en deze waarde wordt onbetwist in de verdeling betrokken. De verdeling leidt ertoe dat gedaagde het bedrag van de gift verrekend krijgt en verder geen aanspraak maakt op de verkoopopbrengst van de woning, die tussen eisers wordt verdeeld. Gedaagde wordt veroordeeld mee te werken aan de verkoop, met een machtiging voor eisers om zonder medewerking te verkopen indien nodig. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De nalatenschap wordt verdeeld waarbij de gift wordt ingebracht en de verkoopopbrengst van de woning wordt verdeeld tussen de erfgenamen, met een machtiging voor verkoop bij niet-meewerken.

Uitspraak

Vonnis van 27 mei 2026
Behorend bij AUA202500500 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:

1.[Eiser 1] te Aruba,

2.
[Eiser 2]te Aruba,
eisers
,hierna te noemen [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: de advocaat mr. R.J. Kock,
tegen:
[Gedaagde],
te [landnaam] ([adres 1], [woonplaats]),
gedaagde, hierna te noemen [gedaagde],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingediend op 20 februari 2025;
- de conclusie van antwoord van 5 december 2025;
- de rolbeschikking van 11 februari 2026, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de comparitie van partijen op 4 mei 2026, waarbij aanwezig waren [eiser 1] en [eiser 2], bijgestaan door hun advocaat, en waarbij [gedaagde] niet is verschenen.
1.2
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1
Partijen zijn de kinderen van [vader naam] (hierna: vader), die is overleden op 23 maart 2025, en [moeder naam] (hierna: moeder), die is overleden op 22 november 2022.
2.2
Vader had in zijn testament een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling opgenomen. Daarmee heeft hij zijn hele nalatenschap aan moeder achtergelaten. Moeder heeft in haar testament haar drie kinderen (partijen dus) tot erfgenamen benoemd, ieder voor 1/3e deel.
2.3
Op 27 maart 2019 is vanaf de bankrekening van moeder een bedrag van Afl. 213.486,82 overgeschreven naar de bankrekening van [gedaagde].
2.4
Ten tijde van haar overlijden bezat moeder een perceel erfpachtgrond met huis te [adres 2] (hierna: de woning).
2.5
Partijen zijn het niet eens geworden over de verdeling van de nalatenschap van moeder.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
Eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – dat het Gerecht
i. de omvang van de nalatenschap van moeder vaststelt;
ii. de (wijze van) verdeling van de nalatenschap vaststelt;
iii. [Gedaagde] veroordeelt mee te werken aan de verdeling;
iv. eisers machtigt om de woning te verkopen en leveren aan een derde, dan wel bepaalt dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BWA Pro in de plaats komt van de medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning;
v. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2 [
Gedaagde] voert verweer. Zij heeft laten weten dat zij geen bezwaar heeft tegen de verkoop en levering van de woning, zolang de verkoopopbrengst “eerlijk” wordt verdeeld.
3.3
Het Gerecht zal hierna ingaan op de standpunten van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering.

4.DE BEOORDELING

4.1
Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van moeder moet worden verdeeld en dat de woning moet worden verkocht. Zij zijn het echter niet eens over de financiële afwikkeling.
4.2 [
Eiser 1] en [eiser 2] stellen daarover het volgende. Op 27 maart 2019 is er vanaf de bankrekening van moeder een bedrag van Afl. 213.486,82 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde]. Moeder was daar weliswaar niet van op de hoogte (tijdens de zitting hebben zij verteld dat moeder heel boos is geworden op [gedaagde] nadat zij erachter kwam dat haar hele banksaldo was verdwenen), maar juridisch moet deze transactie volgens [eiser 1] en [eiser 2] worden aangemerkt als een “gift”. Die gift moet worden ingebracht in de nalatenschap. Omdat [gedaagde] heeft laten weten dat zij niets zal terugbetalen, hebben [eiser 1] en [eiser 2] gevorderd dat het Gerecht zal beslissen dat de nalatenschap zodanig wordt verdeeld, dat de verkoopopbrengst van de woning aan hen wordt uitgekeerd en [gedaagde] de gift behoudt.
4.3 [
Gedaagde] heeft geen duidelijk verweer gevoerd, anders dan dat zij vindt dat de nalatenschap “eerlijk” moet worden verdeeld. [Gedaagde] heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid haar standpunt tijdens de zitting duidelijk te maken. Het Gerecht gaat er vanuit dat [gedaagde] wil dat zij – naast het geldbedrag dat zij in 2019 heeft ontvangen – 1/3e deel van de verkoopopbrengst van de woning ontvangt.
4.4
Omdat de activa van de nalatenschap groter zijn dan de eventuele passiva ([eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat er wellicht nog een paar onbetaalde belastingaanslagen zijn, maar die zullen niet hoger zijn dan de omvang van de activa), kan de nalatenschap worden verdeeld. Het Gerecht zal dus beoordelen hoe die verdeling moet plaatsvinden.
4.5
Het Gerecht stelt voorop dat de overboeking van het geldbedrag van de rekening van moeder naar de rekening van [gedaagde] heeft plaatsgevonden in 2019. Op dat moment gold het oude erfrecht. Het oude erfrecht bepaalde dat een gift moest worden ingebracht in de nalatenschap, tenzij de erflater anders bepaalde. In september 2021 is het nieuwe erfrecht in werking getreden. In de overgangsregeling is bepaald dat voor “oude” giften de “oude” regeling over inbreng geldt, tenzij erflater anders heeft beslist. Uit niets is gebleken dat moeder heeft laten weten dat [gedaagde] de gift niet hoeft in te brengen. Dit betekent dat [gedaagde] de gift van Afl. 213.486,82 moet inbrengen in de nalatenschap.
4.6 [
Eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat de woning Afl. 415.000,- waard is. Om deze stelling te onderbouwen hebben zij verwezen naar een taxatierapport van Arkro Engeneering. [Gedaagde] heeft de getaxeerde waarde niet bestreden. [Eiser 1] en [eiser 2] hebben voorgesteld om voor de verdeling uit te gaan van de taxatiewaarde, waartegen [gedaagde] zich evenmin heeft verzet. Het Gerecht zal de woning dus tegen deze waarde (die tussen partijen vaststaat) in de verdeling betrekken.
4.7
Dit betekent dat de nalatenschap een omvang heeft van (Afl. 415.000,- + Afl. 213.486,82 =) Afl. 628.486,82, verminderd met de eventuele belastingschulden. Dit betekent dat ieder van partijen recht heeft op Afl. 209.495,60, verminderd met 1/3e deel van de eventuele belastingschulden. Het aandeel van [gedaagde] in de nalatenschap kan worden verrekend met de gift die zij al heeft ontvangen, waarna zij nog een bedrag van (Afl. 213.486,82 -/- Afl. 209.495,60 =) Afl. 3.991,22, vermeerderd met 1/3e deel van de belastingschulden, aan de boedel moet betalen. Bij die stand van zaken is het voorstel van [eiser 1] en [eiser 2] dat zij de verkoopopbrengst van de woning samen delen, in het voordeel van [gedaagde]. In dat geval hoeft [gedaagde] immers niets aan de nalatenschap te betalen. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] zal daarom in zoverre worden toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] geen geld meer uit de nalatenschap ontvangt, en dat [eiser 1] en [eiser 2] de verkoopopbrengst (na aftrek van de eventuele belastingschulden) delen.
4.8 [
Gedaagde] heeft laten weten dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de woning wordt verkocht en geleverd en dat zij daaraan zal meewerken. Om die reden ziet het Gerecht geen aanleiding om [eiser 1] en [eiser 2] te machtigen om de woning (zonder tussenkomst van [gedaagde]) te verkopen en te leveren. Om te voorkomen dat de verkoop en levering vertraging oplopen, als [gedaagde] onverhoopt toch niet meewerkt, zal het Gerecht bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning.
4.9
Omdat partijen familie van elkaar zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat ieder de eigen kosten betaalt.

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
stelt (de wijze van) verdeling van de nalatenschap van [moeder naam] als volgt vast:
a. aan [gedaagde] wordt toegedeeld een geldbedrag van Afl. 213.486,82, welk bedrag zal worden verrekend met haar inbrengverplichting van hetzelfde bedrag in verband met de gift die zij op 27 maart 2019 heeft ontvangen;
b. aan [eiser 1] en [eiser 2] wordt (ieder voor gelijke delen) toegedeeld: de verkoopopbrengst van de woning te [adres 2], verminderd met de kosten die zijn verbonden aan de verkoop en levering en de eventuele belastingschulden;
5.2
veroordeelt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na het eerste verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] mee te werken aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2] door (onder andere) het ondertekenen van een bemiddelingsovereenkomst, een schriftelijke koopovereenkomst en de notariële akte van levering;
5.3
bepaalt dat, als [gedaagde] niet (tijdig) voldoet aan het bepaalde in 5.2, dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van [gedaagde] aan de verkoop en levering van de woning te [adres 2], een en ander zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BWA Pro;
5.4
compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.