ECLI:NL:OGEAA:2026:180

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
574 van 20250
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:259 Sr ArubaArt. 3 Vuurwapenverordening ArubaArt. 11 Vuurwapenverordening ArubaArt. 3 Landsverordening verdovende middelen ArubaArt. 11 Landsverordening verdovende middelen Aruba
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag neef en drugsvuurwapenbezit

De verdachte heeft op 23 augustus 2025 zijn neef in Aruba doodgeschoten, waarbij sprake was van meerdere schoten en slagen. Daarnaast werd bij hem een grote hoeveelheid cocaïne (465,2 gram), een vuurwapen en munitie aangetroffen. De rechtbank sprak verdachte vrij van moord, maar veroordeelde hem voor doodslag en de drug- en wapenfeiten.

De verdediging voerde noodweer, noodweerexces, putatief noodweer, psychische overmacht en verminderde toerekeningsvatbaarheid aan, maar het gerecht verwierp deze verweren na uitgebreide bewijsbeoordeling, waaronder getuigenverklaringen, videobeelden, forensisch onderzoek en een autopsierapport.

De strafmaat werd bepaald op 13 jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn strafblad en de adviezen van deskundigen. Daarnaast werd een schadevergoeding van Afl. 8.925,- plus wettelijke rente toegekend aan de zus van het slachtoffer, met een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het gerecht ontnam het verkeer van de in beslag genomen cocaïne, het vuurwapen en munitie en gelastte teruggave van overige voorwerpen. De verdachte kreeg aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis. De uitspraak werd op 10 juli 2026 gewezen door rechter I.L. Gerrits.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag, drugsvuurwapenbezit en drugshandel.

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/01610
Zaaknummer: 574 van 2025
Uitspraak van: 10 juli 2026 (op tegenspraak)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de strafzaak tegen de verdachte:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], te [adres 1],
thans gedetineerd in het [detentieplaats],
hierna: de verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.
Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. A. Vroombout, de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Z.T.M. Arendsz-Marchena, advocaat in Aruba.
De benadeelde partij [zus van slachtoffer], bijgestaan door haar gemachtigde, mr. C.A. Ras, advocaat in Aruba, heeft zich gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. Zij waren ook ter terechtzitting aanwezig.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan (1) (in vereniging plegen) van moord althans doodslag, (2) het (in vereniging) voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en (3) het aanwezig dan wel in bezit hebben van cocaïne. De tekst van de volledige tenlastelegging is na te lezen in bijlage 1 bij dit vonnis.

3.Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.Beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag) en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte vrij te spreken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) en van dat onderdeel onder feiten 1 en 2 dat ziet op het in vereniging plegen van deze feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van de drie ten laste gelegde feiten geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Beoordeling door het Gerecht
4.3.1
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde met voorbedachten rade dan wel in vereniging, en het onder feit 2 ten laste gelegde in vereniging, heeft gepleegd, zodat hij zonder nadere motivering van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
4.3.2
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen:
1. dat hij op
of omstreeks23 augustus 2025 in Aruba
, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen[slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten radevan het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen in de richting van/op het lichaam van die [slachtoffer] te schieten en
/ofdoor (al dan niet met
eenvoorwerp) meermalen tegen het hoofd
, althans het lichaamvan die [slachtoffer] te slaan;
2. dat hij op
of omstreeks23 augustus 2025 in Aruba
, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,een pistool (van het merk Smith & Wesson, model [modelnummer] en kaliber 9mm) en munitie, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.
3. dat hij op
of omstreeks23 augustus 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne, in bezit en
/ofaanwezig heeft gehad;
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.
Omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.3.3
Bewijsmiddelen [1]
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1:
1.
Debekennende verklaring van de verdachte, op 19 juni 2026 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op [slachtoffer] geschoten en wij hebben met elkaar gevochten. Toen wij hadden gevochten had ik het wapen nog in mijn hand.
Het klopt dat ik die avond een grijze Suzuki Swift reed.
2.
Proces-verbaal van bevinding, d.d. 23 augustus 2025,bijlage AMB02van het dossier:
Op 23 augustus 2025 omstreeks 6:05 uur kwamen wij, verbalisanten, naar aanleiding van een melding bij [adres 1] aan. Bij aankomst zagen wij een motorfiets langs de weg op de grond liggen. Naast de motorfiets lag een helm. De motorfiets stond nog aan. Bij de garagedeur lag een persoon op de grond. Bij het benaderen van de persoon die op de grond lag constateerden wij dat hij geen teken van leven vertoonde. Ik, verbalisant, herkende de persoon als bij de politie welbekende [slachtoffer]. Zijn gelaat vertoonde een onnatuurlijke vorm en meerdere verwondingen. Het gezicht was met bloed bedekt en er ontbraken diverse voortanden. Zijn t-shirt was gedeeltelijke gescheurd en eveneens met bloed bevlekt.
3.
Een geschrift, zijnde het rapport van de pathaloog [pathaloog] betreffende de sectie op het lichaam van [slachtoffer], d.d. 26 augustus 2025:
AUTOPSY REPORT #2 (Aruba 2025)
The body of an adult male named [slachtoffer] born in [geboorteplaats], [geboortedatum] 1990, living in [woonplaats], [adres 2], who died at [adres 1]. The date and time of the death was August 23th, 2025, at 6 AM. The autopsy date and time was August 26th, 2025, at 3 PM hours.
CAUSE OF DEATH: TWO TRESPASSING GUN SHOTS (INTERMEDIATE RANGE)
MECHANISM OF DEATH: INTERNAL HEMORRHAGE (HEMOTHORAX) DUE TO LEFT LUNG PERFORATION LEFT VENTRICLE LACERATION.
MANNER OF DEATH: HOMICIDE.
CONCLUSION: TRESPASSING GUNSHOTS (2) WITH PERFORATION OF LOWER LOBE OF THE LEFT LUNG AND HEART LEFT VENTRICLE LACERATION. MASSIVE LEFT HEMO-TORAX.
UPPER FACE TRAUMATIC DISFIGURATION.
SKULL BASIS FRACTURES
CEREBRAL CONTUSION AND HEMORRHAGE.
4.
Een geschrift, zijnde het rapport forensische radiologie, d.d. 19 september 2025:
1. Welk letsel kan worden geconstateerd?
De letsels in het aangezicht en de hals kunnen verklaard worden door heftig stomp botsend geweld zichtbaar op het hoofd en/of de rechterzijde van de hals. De letsels in de hals kunnen ook verklaard worden door samendrukkend geweld op de hals.
Er is perforerende gewelds inwerking zichtbaar op de borstkas.
2. Wat is de doodsoorzaak?
De doodsoorzaak is naar alle waarschijnlijkheid verbloeding veroorzaakt door de perforerende geweldsinwerking op de borstkas. De grote hoeveelheid bloed in de pleuraholte (holte tussen de longvliezen) wordt verklaard door een letsel van een intercostaal arterie al dan niet in combinatie met een letsel van longvaten. Het bloedverlies leidt tot functiestoornissen van het hart en de bloedsomloop. Het bloed in de borstholte leidt tot functiestoornissen van de longen. De tand in de luchtwegen van de rechterlong in combinatie met de aspiratie leidt ook tot functiestoornissen van de rechterlong. De functiestoornissen van de longen hebben waarschijnlijk bijgedragen aan het intreden van de dood.
3. Kan aan de hand van het radiologisch onderzoek worden vastgesteld of het slachtoffer nog leefde ten tijde van het ontstaan van het letsel aan/in het hoofd?
Op het hoofd zijn wekedelen zwellingen zichtbaar die tijdens leven zijn ontstaan. Het is zeer waarschijnlijker dat het slachtoffer nog heeft geleefd ten tijde van het ontstaan van deze zwellingen. Ook het feit dat er zich een tand in de luchtwegen van de rechterlong bevindt betekend dat de letsels in het aangezicht minimaal deels tijdens leven zijn ontstaan.
4. Heeft het letsel aan/in het hoofd bijgedragen aan de dood?
De fracturen en huidletsels aan het hoofd kunnen op zichzelf de dood niet verklaren. Bloedverlies uit deze letsels en de bemoeilijkte ademhaling door deze letsels en de ingeademde tand kunnen wel een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood.
5. Hoe waarschijnlijk is de hypothese dat het letsel aan/in het hoofd is ontstaan door het slaan met de hand/vuist ten opzichte van de hypothese dat het letsel is ontstaan door het slaan met een voorwerp?
Hypothese 1: de letsels aan/in het hoofd zijn veroorzaakt door het slaan met de
hand/vuist
Hypothese 2: de letsels aan/in het hoofd zijn veroorzaakt door het slaan een voorwerp.
De resultaten van het forensische radiologisch onderzoek zijn meer waarschijnlijk wanneer de letsels aan/in het hoofd veroorzaakt door zijn door het slaan met een voorwerp dan door het slaan met de hand/vuist.
De letsels zijn zeer waarschijnlijk veroorzaakt door meerdere geweldsinwerkingen. De letsels kunnen ook verklaard worden door een combinatie van slaan met een voorwerp en het slaan met de hand/vuist.
5.
Proces-verbaal bevinding videobeelden, d.d. 12 september 2025,bijlage AMB40van het dossier:
Op 25 augustus 2025 hebben wij de videobeelden van [perceelnummer] bekeken en beluisterd. Het perceel [perceelnummer] ligt schuin tegenover het plaats delict. De opname betreft de datum 23 augustus 2025 en toont de bijbehorende tijdstippen. Volgens het personeel van Bureau Digitale Recherche & Interceptie komen de aangegeven tijdstippen overeen met de werkelijke tijd.
05:59:00-06:00:00 Een voertuig met uitgeschakelde verlichting rijdt via het erfportier, het perceel [adres 1] binnen. Kort daarna volgt een voertuig met ingeschakelde verlichting dat achter het eerste voertuig aan rijdt. Het voertuig met ingeschakelde verlichting komt en valt op de grond. Vervolgens is er een silhouet zichtbaar naast het voertuig dat op de grond is gevallen. Daarna zijn drie harde knallen hoorbaar, direct achter elkaar, gevolgd door een vierde harde knal.
6.
Proces-verbaal van bevinding OVC-gesprekken Nissan Pick-up d.d. 22 oktober 2025,bijlage AMB42van het dossier:
Het audiobestand met de naam 095510.UTC en 100010.UTC werd door ons beluisterd en uitgewerkt. De gegevens van de audiobestanden worden hieronder weergegeven, samen met de locatie waar de Nissan pick-up zich bevond.
Deelnemers gesprek: [Verdachte] (SH)
- NN-man1
-NN-vrouw
-NN-mannen
De stemmen van de NN-mannen zijn te horen, maar het is niet mogelijk vast te stellen wie ze zijn. Het kunnen mogelijk meerdere personen zijn. Wij verbalisanten zijn door diverse onderzoekshandelingen in onderzoek KOSTAS, op de hoogte van de wijze waarop [verdachte] praat en ambtshalve herkenden wij verbalisanten zijn stem op het onderstaande OVC-gesprek. Om die reden is zijn naam expliciet bij bepaalde woorden/ zinnen uit de opname gezet omdat wij zeker weten dat hij de persoon was die dan aan het woord was op de opname.
Datum: 23 augustus 2025
Tijd: 5:58:10 uur
Locatie gesprek: [adres 1]
5:59:33
Wij hoorden een knarsend geluid van de tweewieler (brommer), vermoedelijk doordat deze remde op zand, gevolgd door een slippend of glijdend geluid op zand. Vervolgens hoorden we het geluid van een draaiende motor, dat doorging tijdens de verdere geluiden.
Deelnemer
Uitwerking Papiamento
Uitwerking Nederlands
5:59:39
NN-Man1
Tiram, no tiram (onduidelijk)
Schiet me. Schiet me niet (onduidelijk)
Vervolgens hoorden wij vier harde knallen, nagenoeg achter elkaar. Drie knallen achter elkaar met na een kleine pauze nog een knal. Deze vier knallen leken op schoten van een vuurwapen.
5:59:43
[Verdachte]
Yui di puta. Tonti bo mama. Tonti bo mama.
Zoon van een hoer. Je moeders kut. Je moeders kut.
5:59:46
NN-Vrouw
[Verdachte] bin, [verdachte] bin, [verdachte].
[Verdachte] kom! [Verdachte] kom, [verdachte]!
5:59:50
NN-Man1
Bo tin cu matami noh.
Jij moet me doden, hè.
5:59:51
[Verdachte]
Matabo. Mi ta matabo.
Maak je dood! Ik ga je doodmaken.
5:59:53
NN-Vrouw
[Verdachte], [verdachte] bini. Bin ki nan. (Onduidelijk) [Verdachte].
[Verdachte], [verdachte] kom! Kom hier (onduidelijk) [Verdachte]!
6:00:02
[verdachte]
Tonti bo mama. Mi ta matabo gayo.
Je moeders kut. Ik ga je doden, maat.
6:00:04
en
6:00:07
Wij hoorden een dof geluid, alsof iemand met een object of met de vuist werd geslagen.
In de achtergrond waren meerdere stemmen hoorbaar, maar deze waren niet duidelijk te verstaan.
File: 100010.UTC
Tijd
Deelnemer
Uitwerking Papiamento
Uitwerking Nederlands
6:00:10
Wij hoorden een dof geluid, alsof iemand met een object of met de vuist werd geslagen.
6:00:11
NN-Man
Tonti bo mama (onduidelijk) tonti bo mama.
Je moeders kut. (Onduidelijk) je moeders kut.
6:00:15
[Verdachte]
Mi ta matabo.
Ik ga je doden.
Toen 'Mi ta matabo' werd geschreeuwd, hoorden wij een dof geluid, alsof iemand met een object of met de vuist werd geslagen.
6:00:18
[Verdachte]
Mi ta matabo. Tonti bo mama.
Ik ga je doden. Je moeders kut.
6:00:21
NN-man (met een hese stem)
Bo ta matami, matam.
Je maakt me dood, dood me.
6:00:24
[Verdachte]
Tonti (onduidelijk) Mi ta matabo.
Kut (onduidelijk) Ik ga je doodmaken.
Toen 'Tonti' werd geschreeuwd, hoorden wij een dof geluid, alsof iemand met een object of met de vuist werd geslagen.
6:04:12
[Verdachte]
Ma tire ki nan [betrokkene]. Ma..
Ik heb hem hier (neer)geschoten [betrokkene]. Ik heb..
Feiten 2 en 3:
Nu de verdachte het onder 2 en 3 bewezenverklaarde heeft bekend en er ter terechtzitting geen vrijspraak ten aanzien van deze feiten is bepleit, volstaat het Gerecht op grond van artikel 402, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen:
De
bekennende verklaring van de verdachte, op 19 juni 2026 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting;
Proces-verbaal inbeslagname en onderzoek op deugdelijkheid vuurwapen zaak “Viking”, d.d. 8 september 2025,
bijlage BFTO03van het dossier;
Proces-verbaal aantreffen van verdovende middelen gedurende doorzoeking op het adres te [adres 1], d.d. 13 december 2025,
bijlage AMB06van het dossier;
Proces-verbaal wegen en testen verdovende middelen, d.d. 28 augustus 2025,
bijlage AMB10van het dossier;
Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van 8 april 2025 van het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [Toxicoloog], Toxicoloog.

5.Strafbaar feit, strafbare dader?

5.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer althans noodweerexces. Zij heeft aangevoerd dat het slachtoffer recht op verdachte afkwam, tegen hem schreeuwde “ik ga je vermoorden”, terwijl de verdachte eerder die avond ook al fors door het slachtoffer was mishandeld. Verder is aangevoerd dat verdachte mogelijk de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, omdat hij uit angst heeft geschoten en zich niet kan herinneren hoeveel schoten hij heeft gelost.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat sprake is van psychische overmacht. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte al acht jaar lang in een conflict zat met het slachtoffer, waarin hij voortdurend door hem werd bedreigd en zich eerdere geweldsincidenten hebben plaatsgevonden. Daardoor stond verdachte volgens de raadsvrouw lange tijd onder psychische druk. In combinatie met de ernstige mishandeling op de bewuste avond zou die druk zo hoog zijn geworden dat verdachte geen andere uitweg meer zag en niet meer rationeel kon handelen.
Meer subsidiair heeft zij bepleit dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De raadsvrouw verwijst daarbij naar de adviezen van de psychiater en de psycholoog.
Meest subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verweren cumulatief moeten worden beoordeeld, omdat dezelfde feiten zowel noodweer/noodweerexces als psychische overmacht en verminderde toerekeningsvatbaarheid kunnen opleveren. Volgens haar wijzen langdurige dreiging en stress erop dat deze gronden gelijktijdig aanwezig zijn en gezamenlijk tot uitsluiting van strafbaarheid leiden.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op het slachtoffer heeft geschoten, omdat het slachtoffer op hem afkwam en hij het slachtoffer hoorde zeggen: “Ik ga je vermoorden.” Verder heeft hij ter terechtzitting verklaard dat hij op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich had. Het Gerecht begrijpt dat de verdachte hiermee een beroep doet op putatief noodweer(exces), zodat ook dit verweer ambtshalve zal worden beoordeeld.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Volgens de officier is sprake van een situatie van culpa in causa, nu de verdachte de situatie zelf doelbewust heeft opgezocht. Dat betekent dat verdachte zich überhaupt niet kan beroepen op noodweer(exces). Daarnaast acht de officier de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht niet aannemelijk; er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Ten aanzien van het beroep op putatief noodweer heeft de officier van justitie aangevoerd dat de enkele vrees dat een incident zich zou voordoen onvoldoende is om dergelijk beroep te rechtvaardigen. Volgens de officier ontbreken de vereiste objectieve elementen die de verontschuldigbare dwaling onderbouwen.
Verder heeft de officier van justitie (subsidiair) gesteld dat de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Daartoe wijst hij erop dat de verdachte gericht op het bovenlichaam van het slachtoffer heeft geschoten en hem vervolgens heeft geslagen. Hiermee is volgens de officier niet voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien al sprake zou zijn geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, had van de verdachte mogen worden verwacht dat hij anders zou hebben gehandeld door te vluchten, te roepen om hulp of een waarschuwingsschot in de lucht te lossen. Het voorgaande staat volgens de officier ook in de weg aan het beroep van verdachte op psychische overmacht.
De officier van justitie concludeert dat de feiten strafbaar zijn en dat de verdachte strafbaar is.
5.3
Het oordeel van het Gerecht
Inleiding
Alvorens de verweren te beoordelen, zal het Gerecht aan de hand van de bewijsmiddelen en het dossier de relevante feiten en omstandigheden van de zaak weergeven.
Verdachte en het slachtoffer zijn neven van elkaar. Uit het dossier volgt dat zij in 2018 vast hebben gezeten in verband met een overval die zij hebben gepleegd. Sindsdien bestaat tussen hen een conflict dat verband houdt met de buit. Daarnaast zou het conflict tussen hen zijn verergerd doordat de vriendin van het slachtoffer een voormalige partner van de verdachte is.
Het conflict tussen verdachte en het slachtoffer escaleerde in mei 2025, toen zij elkaar bij Cas Casuela zwaar hebben mishandeld. Begin augustus 2025 kregen zij bij Well Well Bar weer ruzie met elkaar.
Op de dag van het fatale incident gebeurde het volgende.
Op 23 augustus 2025 om 3:28 uur liep de verdachte Lekker Bar binnen. Om 3:44 uur arriveerde het slachtoffer op een motorfiets op de parkeerplaats bij Lekker Bar, waar hij vervolgens enige tijd verbleef. Om 4:37 uur verliet de verdachte Lekker Bar, liep naar zijn auto en stapte in. Om 4:55 uur werd verdachte in zijn auto door het slachtoffer mishandeld. Om 5:00 uur vertrok de verdachte met zijn auto vanaf Lekker Bar en om 5:22 uur vertrok het slachtoffer op zijn motorfiets.
Om 5:36 uur belde verdachte een vriend en zei tegen hem dat hij zijn hulp nodig had en hij hem nu kwam halen, omdat hij zojuist door zijn neef was geslagen.
Om 5:42 uur reed de verdachte zijn garage binnen op het adres [adres 1]. Nadat hij was uitgestapt en weer was ingestapt, verliet hij om 5:43 uur de garage en reed richting de kruising van Angochi en Cadushi Largo. Ter hoogte van die kruising maakte hij een U-bocht en reed terug in de richting van Coba Lodo. Om 5:51 uur reed verdachte opnieuw zijn garage binnen. Nadat hij wederom was uitgestapt en weer was ingestapt, reed hij weg in de richting van de kruising van Angochi en Coba Lodo. Om 5:54 uur reed verdachte vervolgens richting het kruispunt met Catashi.
Om 5:54 uur reed het slachtoffer op zijn motorfiets richting het kruispunt van Angochi en Sabanilla Abou naar het huis van [betrokkene] te [adres 3]. Het slachtoffer verbleef in die periode tijdelijk in deze woning om op de honden van [betrokkene], die zelf in Colombia zat, te passen.
Ergens tussen 5.00 en 6.00 uur is op de woning van [betrokkene] te [adres 3] geschoten. De precieze tijd is niet zonder meer uit het dossier af te leiden. Er zijn in de buurt van de woning drie hulzen aangetroffen.
Om 5:59:36 uur reed de verdachte wederom zijn garage binnen. Direct hierna kwam het slachtoffer op zijn motorfiets aanrijden bij de woning van verdachte, liet de motor vallen en liep richting de verdachte. Het slachtoffer zei tegen de verdachte “Tiram, no tiram” (door de politie vertaald als: “Schiet me, schiet me niet”). Om 5:59:48 uur is vier keer door verdachte op het slachtoffer geschoten.
Na het schieten is het slachtoffer verschillende keren geslagen. Volgens verdachte was sprake van een gevecht, maar het is niet vast te stellen of het slachtoffer daar op dat moment nog toe in staat was. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer met het vuurwapen in de hand heeft geslagen totdat hij niet meer bewoog.
Het vuurwapen dat door verdachte is gebruikt bij het beschieten van het slachtoffer is in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat de hulzen die zijn aangetroffen bij de woning aan [adres 3] met een grote mate van waarschijnlijkheid zijn verschoten met het in beslag genomen wapen: het is veel waarschijnlijker (100 tot 10.000 keer waarschijnlijker) dat de hulzen zijn verschoten met het in beslag genomen vuurwapen dan met een ander soortgelijk vuurwapen. Op grond hiervan, in combinatie met de voorgeschiedenis tussen verdachte en het slachtoffer en de reisbewegingen van verdachte, heeft het er alle schijn van dat verdachte ofwel zelf de schutter was, ofwel op enigerlei wijze betrokken was bij het beschieten van de woning waar het slachtoffer in die periode verbleef. Een verband met het incident bij Lekker Bar ligt voor de hand, mede gelet op het telefoontje van verdachte naar zijn vriend. Verdachte heeft ontkend dat hij betrokken was bij het beschieten van de woning aan [adres 3] en zijn betrokkenheid is niet met zekerheid vast te stellen. Voor de verdere beoordeling van de zaak, is dat ook niet nodig.
Was sprake van zelfverdediging (noodweer)?
Niet strafbaar is een handeling die geboden is door de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdediging moet noodzakelijk en proportioneel zijn.
Culpa in causa?
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verdachte in het geheel geen beroep op noodweer(exces) toekomt, omdat hij zelf de veroorzaker is geweest van de situatie; de verdachte heeft het latere slachtoffer immers geprovoceerd door zijn woning te beschieten. Het Gerecht volgt dit standpunt niet. Zelfs als zou worden aangenomen dat de verdachte de woning van het latere slachtoffer zou hebben beschoten, dan is daarmee nog niet gegeven dat de verdachte uit was op een confrontatie met het slachtoffer. Misschien wilde hij het slachtoffer juist afschrikken om nogmaals achter hem aan te gaan. Daarover is geen duidelijkheid verkregen, maar het staat in ieder geval niet vast dat verdachte zonder meer uit was op een (gewapende) confrontatie met het latere slachtoffer. Het Gerecht komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het noodweer-verweer.
Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding?
De verdediging heeft ter onderbouwing van haar beroep op noodweer aangevoerd dat het slachtoffer recht op de verdachte afkwam nadat hij van zijn motorfiets afstapte en tegen hem schreeuwde “ik ga je vermoorden”, waarbij rekening moet worden gehouden met het conflict tussen hen beiden en het feit dat verdachte eerder die avond flink door het slachtoffer is mishandeld.
Het Gerecht gaat uit van een ander scenario. Uit de uitwerking van het OVC-gesprek is immers gebleken dat het slachtoffer niet tegen de verdachte heeft geroepen “ik ga je vermoorden”.
Ook de verdere onderzoeksgegevens duidden niet op een situatie waarin verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen het latere slachtoffer. Zo is niet gebleken dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich had. Op de plaats delict is enkel het vuurwapen van verdachte aangetroffen. Op basis van het dossier blijft dan alleen over dat het slachtoffer van zijn motorfiets afstapte en op de verdachte afliep. Dit is mogelijk bedreigend geweest, ook in het licht van eerdere confrontaties, waaronder die bij Lekker Bar, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat daadwerkelijk sprake was van een wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daartoe.
Het Gerecht is daarom van oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht in het licht van de objectieve bewijsmiddelen niet aannemelijk is geworden. Er kan dus niet worden geconcludeerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.
Nu aan dit vereiste voor een geslaagd beroep op noodweer niet is voldaan, wordt het beroep verworpen.
Ten slotte merkt het Gerecht in dit verband nog op dat ter terechtzitting discussie is ontstaan of hetgeen verdachte heeft gezegd toen hij van zijn motorfiets afstapte wel juist is vertaald. Hij zei: “Tiram, no tiram”. Dit is door de politie vertaald als “Schiet me, schiet me niet”, terwijl het volgens de raadsvrouw meer moet worden begrepen als een provocerend “Schiet me dan, schiet me”). Wat hier verder ook van zij, het slachtoffer heeft hoe dan ook niet gezegd wat de verdachte verklaart te hebben gehoord, te weten dat hij de verdachte ging doden.
Was sprake van noodweerexces?
Noodweerexces kan in beeld komen als sprake is van een situatie van zelfverdediging, waarbij de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis.
Nu het Gerecht – zoals hiervoor overwogen – heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, komt verdachte geen beroep toe op noodweerexces. Het Gerecht verwerpt daarom ook het beroep op noodweerexces.
Was sprake van putatief noodweer(exces)?
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) is vereist dat aan de zijde van de verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van het bestaan van een noodweersituatie. Met andere woorden: kon én mocht de verdachte in redelijkheid menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van die dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer van zijn motorfiets afstapte, in zijn richting liep en ‘mi ta bai matabo’ (ik ga je doden) zou hebben gezegd. Daarbij bevond het slachtoffer zich achter de auto van verdachte, waardoor verdachte niet kon zien of het slachtoffer een vuurwapen in zijn hand had. Volgens verdachte kon hij alleen het hoofd van het slachtoffer zien. Verdachte heeft bovendien aangevoerd dat het slachtoffer altijd een vuurwapen bij zich droeg. Onder deze omstandigheden, verkeerde verdachte naar eigen zeggen in de veronderstelling dat hij zich moest verdedigen.
Naar het oordeel van het Gerecht kan verdachte zich niet met succes op putatieve noodweer beroepen. Uit de onderzoeksbevindingen is niet gebleken dat het slachtoffer gewapend was. Ook is gebleken dat het slachtoffer niet ‘mi ta bai matabo’ heeft gezegd. Het is ook niet zo dat verdachte heeft verklaard dat hij een bepaalde beweging bij het slachtoffer heeft gezien die duidde op het trekken van een vuurwapen. Er was dus objectief bezien geen reden voor verdachte om te vrezen voor een dodelijke aanval door het slachtoffer. Er moet in dit kader ook naar de subjectieve beleving van de verdachte worden gekeken, maar de enkele veronderstelling van verdachte dat het slachtoffer mogelijk bewapend was, is onder deze omstandigheden onvoldoende om een verontschuldigbare dwaling aan te nemen.
Het beroep op putatief noodweer(exces) wordt dan ook verworpen.
Was sprake van psychische overmacht?
Voor een succesvol beroep op psychische overmacht is vereist dat er sprake is van een van buiten komende drang, waartegen het wellicht niet onmogelijk is zich te verweren, maar waarbij van verdachte niet kan worden gevergd dat hij daartegen weerstand biedt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval alsmede met de persoonlijkheidskenmerken van verdachte.
De verdachte heeft gesteld dat hij gedurende een periode van ongeveer acht jaar onder aanhoudende dreiging en psychische druk van het slachtoffer heeft gestaan, welke druk na de mishandeling die ochtend zodanig zou zijn toegenomen dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.
Naar het oordeel van het Gerecht blijkt uit het dossier van een conflict tussen de verdachte en het slachtoffer. Daarover heeft verdachte zelf verklaard en er zijn ook verschillende getuigen die hierover hebben verklaard. Het is kennelijk eerder ook tot fysieke confrontaties gekomen, onder andere bij Cas Casuela en in de nacht voorafgaand aan het fatale incident ook bij Lekker Bar. Maar op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van een zodanige druk dat kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van verdachte was aangetast. De eerdere confrontaties betroffen ‘slechts’ vechtpartijen en verdachte heeft ook verklaard dat hij het slachtoffer nooit met een vuurwapen heeft gezien. Hij had enkel gehoord dat het slachtoffer een vuurwapen zou hebben.
Toerekenbaarheid
Het is niet gebleken dat verdachte ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was. De deskundigen hebben dat ook niet geconcludeerd (zie verder onder de strafmaatoverwegingen). Voor zover de verdediging heeft beoogd hiermee een zelfstandig strafuitsluitingsverweer te voeren, wordt dit verworpen. Het Gerecht zal bij de eventuele straftoemeting afzonderlijk ingaan op de bevindingen van de deskundigen en de betekenis daarvan voor de mate waarin het bewezenverklaarde aan verdachte kan worden toegerekend.
Ook in onderlinge samenhang beschouwd leiden de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het aannemen van een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond.
De feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar.

6.De bewezenverklaring

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
Feit 1: doodslag,
strafbaar gesteld bij artikel 2:259 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
Feit 2: overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening,
strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van deze Verordening.
Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,
strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro deze Verordening.

7.Oplegging van de straf

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en daartoe verzocht dat het Gerecht rekening houdt met de bijzondere omstandigheden in deze zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om een minimale straf op te leggen.
7.3
Het oordeel van het Gerecht
Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Het Gerecht heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft [slachtoffer], zijn neef, doodgeschoten en zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag. Het behoeft geen verdere toelichting dat dit een zeer ernstig delict is. Voor de nabestaanden betekent de dood van [slachtoffer] een pijnlijk en onomkeerbaar verlies van een dierbare. Wat voor de nabestaanden extra pijnlijk moet zijn, is het feit dat het slachtoffer vermoedelijk nog ernstig is toegetakeld op het moment dat hij was neergeschoten en al weerloos op de grond lag.
Verder heeft de verdachte ook een grote hoeveelheid cocaïne in bezit gehad: 465,2 gram. Dat is een hoeveelheid die duidt op betrokkenheid bij handel. Het is algemeen bekend dat cocaïne een verslavende drug is die schadelijk is voor de gezondheid en dat de handel in drugs gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit en geweld.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige mogelijke strafmodaliteit.
De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 2019 gaan bij doodslag uit van een gevangenisstraf tussen tien en twaalf jaar. Daarbij moet worden opgemerkt dat het strafmaximum voor doodslag in 2020 is verhoogd van vijftien naar vierentwintig jaar.
De oriëntatiepunten gaan voor het thuis bezitten van een vuurwapen in geval van recidive uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden. En de oriëntatiepunten voor het als
first offenderaanwezig hebben en bezitten tussen 251 en 500 gram cocaïne gaan uit van een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Persoon van verdachte
Het Gerecht heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 25 augustus 2025. Daaruit blijkt dat verdachte in 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal met geweld en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Ook langer geleden (2008, 2009) is hij veroordeeld voor vuurwapenbezit en geweld. Verdachte is ook al eerder veroordeeld terzake verdovende middelen. Dit alles weegt in het nadeel van verdachte mee.
Ten aanzien van verdachte is op 3 maart 2026 een psychiatrisch rapport uitgebracht. De psychiater rapporteert – samengevat – het volgende:
In diagnostische zin is er bij betrokkene sprake van een antisociale persoonlijkheids- stoornis bij een laaggemiddelde intelligentie. Ook is sprake van misbruik van cannabis en alcohol. Betrokkene heeft een hoog risico op recidive met name voor gewelddadige delicten. Geadviseerd wordt om betrokkene bij veroordeling een (ambulante) behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel, gericht op het verminderen van egocentrisch en antisociaal gedrag inclusief geweld en grensoverschrijdend gedrag en abstinentie van middelen. Betrokkene stelt zich open voor behandeling: hij is niet eerder behandeld en dat is wel nodig om recidive te voorkomen, zodat hij leert om zijn agressie te reguleren en een stabiel niet antisociaal netwerk op te bouwen. Deze behandeling zou kunnen worden uitgevoerd bij Respaldo, bijvoorbeeld met het FACT-team. Reclassering zou toezicht kunnen houden op de uitvoering, onder meer met controles op middelengebruik en van sociale contacten.
Door zijn onvermogen om zijn gedrag te reguleren wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten indien bewezen in verminderde mate aan hem toe te rekenen.
Ten aanzien van verdachte is op 22 februari 2026 een psychologisch rapport uitgebracht. De psycholoog rapporteert – samengevat – het volgende:
Onderzochte presteert op een zwakbegaafd tot beneden-gemiddeld intelligentieniveau. Verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis, stoornis in cannabis- en alcoholgebruik (matig). Verdachte wordt als verminderd toerekeningsvatbaar beoordeeld.
Geadviseerd wordt om betrokkene op Aruba te laten behandelen bij Stichting Hunto voor zijn verslaving en bij Respaldo/Fact Team voor zijn psychische problematiek, gecombineerd met toezicht en begeleiding door de Reclassering Aruba.
Het Gerecht zal in het voordeel van verdachte rekening houden met de verminderde toerekenbaarheid van de feiten. Het Gerecht zal eveneens, zij het in beperkte mate, rekening houden met het feit dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond van een jarenlang conflict tussen verdachte en het slachtoffer, waaraan ook het slachtoffer heeft bijgedragen. Hoewel dit het handelen van verdachte allerminst rechtvaardigt, acht het Gerecht het passend deze omstandigheid in enigszins strafmatigende zin bij de straftoemeting te betrekken.
Oplegging straf
Gelet op voornoemde oriëntatiepunten en de strafverzwarende omstandigheden (waaronder de strafkaart van verdachte), is in beginsel een gevangenisstraf van tussen de 12 en 15 jaar aan de orde. Alles overziend en rekening houdend met de strafverminderende omstandigheden, acht het Gerecht de geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren passend en geboden.
Bij een dergelijke straf staat artikel 1:19 van Pro het Wetboek van Strafrecht het niet toe om daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht op te leggen. Behandeling en begeleiding van verdachte zal daarom moeten geschieden in het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling.

8.Vordering benadeelde partij

8.1
De zus van het slachtoffer, [zus van slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag van Afl. 19.296,- gevorderd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade ad Afl. 9.075,- aan begrafeniskosten en Afl. 221,- aan wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 tot en met 19 juni 2026. Verder bestaat het totaalbedrag uit immateriële schade ad Afl. 10.000,- aan shockschade, ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit. Tot slot wordt aanspraak gemaakt op proceskosten ad Afl. 2.000,-.
8.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde begrafeniskosten en proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, aangezien deze voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde shockschade heeft de officier van justitie opgemerkt dat hij zich kan voorstellen dat de benadeelde partij dergelijke schade heeft geleden. De vordering op dit onderdeel is echter niet onderbouwd, zodat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie concludeert dat een bedrag van in totaal Afl. 11.296 dient te worden toegewezen. Daarnaast heeft hij verzocht ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in al haar onderdelen dient te worden afgewezen. Daartoe is aangevoerd dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor vergoeding van shockschade, nu geen sprake is geweest van een directe confrontatie met het incident en een onderbouwing van de vordering ontbreekt. Voorts zijn de gevorderde advocaatkosten volgens de verdediging niet aan te merken als daadwerkelijk gemaakte en voldoende onderbouwde proceskosten. Ten slotte is aangevoerd dat ook de gevorderde begrafeniskosten onvoldoende zijn onderbouwd, aangezien slechts een betalingsbewijs van Afl. 75,- is overgelegd.
8.4
Het oordeel van het Gerecht
Het Gerecht stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden en dat (een gedeelte van) de gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking komt. Hieronder legt het Gerecht per schadepost uit tot welk oordeel het komt.
Begrafeniskosten
Het Gerecht stelt vast dat de benadeelde partij ter onderbouwing van de begrafeniskosten een ‘invoice’ van 27 augustus 2025 heeft overgelegd waaruit blijkt dat een bedrag van Afl. 8.925,- is voldaan. Verder zijn twee facturen met bewijs van betaling overgelegd waaruit telkens een bedrag van Afl. 75,- blijkt. Deze facturen zijn ook van 27 augustus 2025. Onduidelijk is gebleven of deze betalingen betrekking hebben op voornoemd bedrag van Afl. 8.925,- dan wel afzonderlijke uitgaven betreffen.
Op grond van het voorgaande acht het Gerecht dit deel van de vordering toewijsbaar tot een bedrag van Afl. 8.925,-.
Voor het overig bedrag van tweemaal Afl. 75,- is het Gerecht van oordeel dat verder debat hierover een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. De benadeelde partij zal ten aanzien van dat bedrag niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Shockschade
Voor wat betreft de door de benadeelde partij gevorderde shockschade overweegt het Gerecht dat in de regel pas kan worden overgegaan tot een vergoeding van shockschade als het gestelde geestelijk letsel wordt onderbouwd met een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog.
In dit geval ontbreekt een dergelijke onderbouwing. Nadere bewijsvoering op dit punt zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. De benadeelde partij zal ter zake van haar vordering strekkende tot vergoeding van shockschade daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Wettelijke rente
Het toegewezen bedrag Afl. 8.925,- zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal het Gerecht ten behoeve van [zus van slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan het Land van het bedrag van Afl. 8.925,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal een vervangende hechtenis gelden van 69 dagen. De betaling die is gedaan aan het Land wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Proceskosten
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 404 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Een redelijke uitleg van artikel 404 Sv Pro brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Bij een toegewezen vergoeding met een hoofdsom tussen Afl. 5.000,- en 10.00,- wordt Afl. 500,- per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband 1 punt toe voor het indienen van de vordering en 1 punt voor de aanwezigheid en toelichting op zitting. De proceskosten worden dan ook begroot op Afl. 1.000,-.

9.Het beslag

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen (te weten: de voorwerpen met witte brokjes of witte poeder), het vuurwapen en de munitie, gevorderd dat deze zullen worden onttrokken aan het verkeer. Verder heeft de officier gevorderd dat de overige in beslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen terug kunnen worden gegeven aan de rechthebbende.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.
9.3
Het oordeel van het gerecht
Het Gerecht beslist dat de volgende inbeslaggenomen voorwerpen onder de beslaglijst (
bijlage 2) zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet en het algemeen belang:
  • In een wit kleurige emmer met verschillende doorzichtige plastiek zakken met witte poeder lijkende aan cocaïne;
  • Een roze broodtrommeltje met doorzichtige plastiek zakken met witte brokje en witte poeder lijkende op cocaïne;
  • In een blik zonder deksel een doorzichtige plastiek zakje met witte poeder lijkende op cocaïne;
  • Een geel/oranje etui met veel doorzichtige plastiek zakjes met witte poeder lijkende aan cocaïne;
  • Een doorzichtige plastiek zak met inhoud witte poeder lijkende op cocaïne
  • Vijf hulzen;
  • Een nikkel kleurig met zwart handvat vuurwapen van het merk Smith & Wesson model [modelnummer] 9mm.
Het Gerecht gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen onder de beslaglijst (
bijlage 2), nu zich hiertegen geen strafvorderlijk belang verzet:
  • Twee keukenmessen, een met bruine handvat en een met zwarte handvat;
  • Een wit/roos/goud kleurige mobiele telefoon van het merk Iphone model Apple met plastiek hoesje;
  • Een zwart/grijs kleurige tablet van het merk Samsung;
  • Een paspoort ten name van [verdachte];
  • Een micro SD kaart van het merk van het merk Adata;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met sim kaart;
  • Een zwart/grijs kleurige mobiele telefoon van het merk Iphone Apple zonder sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk/model Iphone Apple met simkaart van Digicel;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Apple Iphone zonder simkaart;
  • Een zwart/lichtblauw kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Een zwart/lichtgroen kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met Digicel sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk van het merk Samsung met Digicel sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Een rood/zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim;
  • Een zwart/blauw kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Acht oranje USB (be your own boss);
  • Een mobiele telefoon van Digicel;
  • Een emmer met gebroken weegschaal en een lepel;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder Sim kaart;
  • Een zwart kleurige tablet van het merk Samsung met micro SD Kaart;
  • Een nieuwe sim kaart van Digicel [telefoonnummer];
  • Een zwart kleurige Valhelm met geel/grijs/wit opschrift;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met zwart hoesje;
  • Een blauw kleurige rugtas van het merk TOTTO;
  • Een Arubaanse rijbewijs ten name van [slachtoffer];
  • Een ATM van Aruba Bank;
  • Twee bossleutels.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:74, 1:75, 1:78, en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.
DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 impliciet primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de impliciet onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
dertien [13] jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst (
bijlage 2), te weten:
  • In een wit kleurige emmer met verschillende doorzichtige plastiek zakken met witte poeder lijkende aan cocaïne;
  • Een roze broodtrommeltje met doorzichtige plastiek zakken met witte brokje en witte poeder lijkende op cocaïne;
  • In een blik zonder deksel een doorzichtige plastiek zakje met witte poeder lijkende op cocaïne;
  • Een geel/oranje etui met veel doorzichtige plastiek zakjes met witte poeder lijkende aan cocaïne;
  • Een doorzichtige plastiek zak met inhoud witte poeder lijkende op cocaïne
  • Vijf hulzen;
  • Een nikkel kleurig met zwart handvat vuurwapen van het merk Smith & Wesson model 5906 9mm.
gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen op de beslaglijst (
bijlage 2):
  • Twee keukenmessen, een met bruine handvat en een met zwarte handvat;
  • Een wit/roos/goud kleurige mobiele telefoon van het merk Iphone model Apple met plastiek hoesje;
  • Een zwart/grijs kleurige tablet van het merk Samsung;
  • Een paspoort ten name van [verdachte];
  • Een micro SD kaart van het merk van het merk Adata;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met sim kaart;
  • Een zwart/grijs kleurige mobiele telefoon van het merk Iphone Apple zonder sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk/model Iphone Apple met simkaart van Digicel;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Apple Iphone zonder simkaart;
  • Een zwart/lichtblauw kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Een zwart/lichtgroen kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met Digicel sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk van het merk Samsung met Digicel sim kaart;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Een rood/zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim;
  • Een zwart/blauw kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder sim kaart;
  • Acht oranje USB (be your own boss);
  • Een mobiele telefoon van Digicel;
  • Een emmer met gebroken weegschaal en een lepel;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung zonder Sim kaart;
  • Een zwart kleurige tablet van het merk Samsung met micro SD Kaart;
  • Een nieuwe sim kaart van Digicel [telefoonnummer];
  • Een zwart kleurige Valhelm met geel/grijs/wit opschrift;
  • Een zwart kleurige mobiele telefoon van het merk Samsung met zwart hoesje;
  • Een blauw kleurige rugtas van het merk TOTTO;
  • Een Arubaanse rijbewijs ten name van [slachtoffer];
  • Een ATM van Aruba Bank;
  • Twee bossleutels.
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [zus van slachtoffer] geleden schade toe tot een bedrag van Afl. 8.925,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij [zus van slachtoffer] ten aanzien van de meer gevorderde materiele en immateriële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [zus van slachtoffer] gemaakt, tot op heden begroot op Afl. 1.000,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [zus van slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Afl. 8.925,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Gerrits, rechter, bijgestaan door mr. S.M. Eman, zittingsgriffier, en op 10 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.

Voetnoten

1.Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Aruba, Divisie Algemene Recherche, Unit Santa Cruz, d.d. 23 februari 2026, geregistreerd onder proces-verbaalnummers 2025/01610 en 2025/01611 en de onderzoeknaam “Viking”.