ECLI:NL:OGEAA:2026:25

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
AUA202504011
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 LarArt. 9 LtuArt. 12 LtuArt. 15 Toelatingsbesluit 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Flex-vergunning wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Flex-vergunning voor tijdelijk verblijf in Aruba, welke door de minister is afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan de vereiste 60 maanden legaal verblijf en de maximale afwezigheid van 180 dagen per jaar. Verzoeker stelde dat hij door de COVID-19-pandemie niet tijdig kon terugkeren en beriep zich op overmacht en spoedeisend belang.

Het gerecht oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak omdat de termijn van dertig dagen om Aruba te verlaten na het verlopen van de vorige vergunning al was verstreken. Daarnaast was niet gebleken dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden voor de Flex-vergunning, aangezien hij ruim twee jaar buiten Aruba verbleef zonder gegronde reden zoals ziekte of studie.

De door verzoeker overgelegde COVID-19-test was onvoldoende om een uitzondering op de 180-dagenregeling te rechtvaardigen. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en er was geen sprake van een onevenredig nadeel. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de Flex-vergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet voldoen aan de voorwaarden.

Uitspraak

Uitspraak van 4 februari 2026
Lar nr. AUA202504011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het verzoek in de zin van artikel 54 van Pro de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

verblijvend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor,
gericht tegen:

DE MINISTER, BELAST MET VREEMDELINGEN-EN INTEGRATIEBELEID,

zetelend in Aruba,
VERWEERDER.

INLEIDING

1.1
Bij beschikking van 5 november 2025 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een vergunning voor tijdelijk verblijf, de zogenoemde Flex-vergunning, afgewezen.
1.2
Hiertegen heeft verzoeker op 27 november 2025 bezwaar gemaakt.
1.3
Op 2 december 2025 heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.4
Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 21 januari 2026. Verzoeker is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
1.5
De uitspraak is bepaald op heden.

BEOORDELING

2.1
Op grond van artikel 54 van Pro de Lar, kan indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Het tweede lid bepaalt dat ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening kan worden getroffen.
2.2
Ter beoordeling ligt voor de vraag of de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking voor verzoeker een zodanig onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang, dat ter voorkoming van dat nadeel een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Naar het oordeel van het gerecht is in dit geval sprake van een dergelijk nadeel; dit oordeel wordt hierna toegelicht. Het gerecht stelt hierbij voorop dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is in de bodemprocedure
Wat zijn de relevante feiten?
3. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] en heeft de [nationaliteit] nationaliteit. Aan verzoeker zijn in het verleden verschillende vergunningen tot tijdelijk verblijf verleend. Zijn laatste vergunning was geldig tot 3 juni 2020. Op 7 februari 2020 heeft verzoeker Aruba verlaten. Op 18 mei 2022 is hij Aruba weer binnengekomen. In 2022 en in 2024 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf. Op 1 september 2025 heeft verzoeker opnieuw een aanvraag ingediend voor een vergunning tot tijdelijk verblijf (VTV13), een zogenoemde Flex-vergunning. Bij de bestreden beschikking heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Waarom heeft verweerder de aanvraag afgewezen?
4. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat verzoeker volgens hem niet voldoet aan de voorwaarden voor de Spoor 3 Flex-vergunning. Om daarvoor in aanmerking te komen, dient verzoeker aan te tonen dat hij 60 maanden legaal verblijf in Aruba heeft opgebouwd en Aruba niet langer dan de toegestane 180 dagen heeft verlaten. Verzoeker heeft Aruba echter verlaten in de periode van 17 februari 2020 tot en met 18 mei 2022 en heeft derhalve gedurende 730 dagen, zijnde ruim twee jaar, buiten Aruba verbleven. Verzoeker heeft geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat dit verblijf het gevolg was van ziekte of studie. Voorts heeft verzoeker sinds 2020 geen nieuwe aanvragen ingediend.
Wat vindt verzoeker en wat vraagt hij?
5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij wel voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een Flex-vergunning. Hij erkent dat zijn verblijf buiten Aruba de termijn van 180 dagen heeft overschreden, maar voert aan dat dit is veroorzaakt door uitzonderlijke omstandigheden. In 2020 heeft hij niet tijdig naar Aruba kunnen terugkeren vanwege de sluiting van de grenzen in verband met de COVID-19-pandemie. Verzoeker betoogt dat het beleid ruimte biedt om in geval van ziekte een uitzondering te maken op de 180-dagenregeling en dat deze omstandigheden als overmacht dienen te worden aangemerkt. Hij heeft een spoedeisend belang, nu hij Aruba binnen dertig dagen dient te verlaten. Verzoeker verzoekt gelet hierop dat de bestreden beschikking wordt geschorst en dat wordt bepaald dat hij tot Aruba wordt toegelaten.
Wat zijn de toepasselijke wettelijke bepalingen?
6.1
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd in verband met de openbare orde of het algemeen belang, waartoe ook de bescherming van de volksgezondheid en de arbeidsmarkt wordt gerekend te behoren.
6.2
Op 4 augustus 2025 heeft verweerder een nieuw, flexibeler vreemdelingenbeleid afgekondigd, waaronder het beleid
Hunto pa Progreso – Spoor 3 Arbeid in loondienst Flex. Daarin zijn de volgende voorwaarden opgenomen:
“(…)
  • Migranten met minimaal 60 maanden legaal (lang) verblijf kunnen tonen kunnen een beroep doen op Flex, mits zij in de laatste vijf jaren Aruba niet hebben verlaten voor een periode van meer dan Honderdtachtig dagen per kalenderjaar, ziektegevallen of studiedoeleinden daarvan uitgezonderd. (Artikel 12 LTU Pro is van toepassing.)
  • De betrokkene dient op het moment van de aanvraag hoofd verblijf te hebben in Aruba.
  • Er wordt geen sector-/werkgever dan wel functiebeperking opgelegd: Migrant is inzetbaar in loondienst bij meerdere werkgevers.
  • Een vergunning tot tijdelijk verblijf: Arbeid in loondienst "Regulier Flex (5jr)”, wordt afgegeven voor de duur van 5 jaren.
(…)”
6.3
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Toelatingsbesluit 2009, verlaat de toelatingsplichtige wiens toelating op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf is geëindigd, en die niet overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, om verlenging van zijn toelating heeft verzocht, Aruba binnen dertig dagen na de in die vergunning vermelde einddatum van de geldigheid daarvan.
Wat vindt het gerecht?
7. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat hij Aruba binnen dertig dagen dient te verlaten en heeft zich daarbij beroepen op artikel 15, eerste lid, van het Toelatingsbesluit 2009. Het gerecht overweegt dat deze bepaling ziet op de verplichting om Aruba te verlaten na het eindigen van de geldigheid van een vergunning tot tijdelijk verblijf, indien geen tijdige verlengingsaanvraag is ingediend. Voor verzoeker gold dat deze termijn dertig dagen na 3 juni 2020 is verstreken. In zoverre heeft verzoeker derhalve geen spoedeisend belang. Nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat sprake is van spoedeisend belang, is het verzoek van verzoeker reeds daarom niet toewijsbaar.
8. Los daarvan is het gerecht van oordeel dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de aangevraagde Flex-vergunning. Vaststaat dat verzoeker gedurende een periode van circa twee jaar (van 17 februari 2020 tot en met 18 mei 2022) buiten Aruba heeft verbleven. De grenzen van Aruba zijn wegens de COVID-19-pandemie gesloten op 16 maart 2020 en gingen gefaseerd weer open vanaf 15 juni 2020 (voor de ABC-eilanden) tot en met juli 2020. Een gegronde reden voor het niet kunnen terugkeren naar Aruba na deze periode heeft verzoeker niet gegeven. De door verzoeker overgelegde COVID-19-test is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een situatie waarin op grond van het beleid een uitzondering wegens ziekte op de 180-dagenregeling dient te worden gemaakt. Nu verzoeker niet heeft aangetoond dat hij aan de vereisten van het beleid voldoet, acht het gerecht dat het bezwaar van verzoeker tegen de bestreden beschikking geen redelijke kans van slagen heeft. Van onevenredig nadeel in de zin van artikel 54 van Pro de Lar is dan ook geen sprake.
9. Het gerecht ziet, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook afgewezen
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.