In deze zaak heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek tot verdeling van een nalatenschap. De verzoeker, vertegenwoordigd door advocaat mr. R.J. Kock, had een verzoek ingediend op basis van artikel 3:200a van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA). Het Gerecht heeft overwogen dat er geen sprake is van een langdurig onverdeelde gemeenschap, aangezien de erflater in 2006 is overleden en slechts drie kinderen had, waaronder de verzoeker. De verzoeker had de mogelijkheid om zijn verzoek te wijzigen in een vordering tot verdeling of machtiging tot verkoop van het onroerend goed, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Het Gerecht heeft vastgesteld dat de procedure op basis van artikel 3:200a BWA niet bedoeld is als een snelle en goedkope oplossing voor verdeling, maar voor uitzonderlijke situaties waarin een nalatenschap langdurig onverdeeld is gebleven met een groot aantal deelgenoten. In dit geval zijn er slechts drie deelgenoten en is de waarde van de nalatenschap niet verwaarloosbaar klein. De verzoeker heeft niet aangetoond dat de kosten van een 'normale' procedure niet opwegen tegen de baten, en het Gerecht heeft geconcludeerd dat het verzoek niet kan worden toegewezen. De beschikking van 18 juli 2025, waarin de verzoeker in de gelegenheid werd gesteld om zijn verzoek te wijzigen, is niet benut, wat heeft geleid tot de afwijzing van het verzoek.