In deze civiele procedure vordert de Bank betaling van een lening en bijkomende kosten van de gedaagde, die zich verzet tegen de vordering door de echtheid van zijn handtekeningen op de borgtocht- en kredietovereenkomst te betwisten. De gedaagde stelt dat hij deze documenten niet heeft ondertekend en dat de handtekeningen frauduleus zijn.
Het Gerecht overweegt dat de akte van borgtocht en de kredietovereenkomst onderhandse akten zijn die, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs opleveren. Omdat de gedaagde de echtheid van de handtekeningen ontkent, rust de bewijslast op de Bank om de authenticiteit te bewijzen. De Bank krijgt de gelegenheid om bewijs te leveren door middel van documenten, getuigen of een handschriftdeskundige.
De gedaagde beroept zich ook op vernietiging van de borgtocht wegens het ontbreken van toestemming van zijn toenmalige echtgenote, maar het Gerecht wijst dit af omdat de gedaagde als handelende echtgenoot niet bevoegd is tot vernietiging en de echtgenote geen partij is in de procedure.
Verder faalt het verweer dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden door de borg direct aan te spreken zonder eerst andere zekerheden uit te winnen. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat de Bank bewijs heeft geleverd over de handtekeningen.
In de vrijwaringszaak wordt eveneens de beslissing aangehouden totdat de hoofdzaak is afgerond.