ECLI:NL:OGEAA:2026:32

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AUA202500049 AR
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 60 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling van voorschot en wettelijke rente afgewezen voor incassokosten

Op 20 februari 2024 spraken eiser en gedaagde af dat eiser €5.000 zou overmaken voor de organisatie van een huwelijk. Gedaagde bevestigde ontvangst, maar na uitstel van het huwelijk vroeg eiser het bedrag terug. Gedaagde betaalde slechts €600 terug en stelde een betalingsregeling voor.

Eiser vorderde betaling van het resterende bedrag van €4.400 vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente. Gedaagde erkende de hoofdsom maar betwistte de incassokosten en wettelijke rente en verzocht om betaling in termijnen.

Het Gerecht oordeelde dat de hoofdsom en wettelijke rente vanaf 30 oktober 2024 toewijsbaar zijn, maar wees de incassokosten af wegens onvoldoende bewijs van buitengerechtelijke werkzaamheden. Het verzoek tot betaling in termijnen werd afgewezen omdat eiser daarmee niet instemde. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €4.400 met wettelijke rente en proceskosten, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

Vonnis van 4 februari 2026
Behorend bij A.R. AUA202500049 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser,
hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. C.B.A. Coffie,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde,
hierna ook te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het inleidend verzoekschrift met producties, ingediend op 10 januari 2025;
- de conclusie van antwoord met producties, ingediend op 21 mei 2025;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
1.2
Vonnis is bepaald op heden.

2.DE FEITEN

2.1
Op 20 februari 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] afgesproken dat [eiser] aan [gedaagde] een bedrag van € 5.000,- zou overmaken zodat [gedaagde] het een en ander kon regelen in verband met de organisatie van het huwelijk van [eiser] dat gepland was voor 8 oktober 2024.
2.2
Op 22 februari 2024 bevestigde [gedaagde] via WhatsApp dat zij het geld had ontvangen.
2.3
Op 6 april heeft [eiser] via WhatsApp aan [gedaagde] medegedeeld dat hij het huwelijk moest uitstellen tot een nader te bepalen datum. [Eiser] vroeg toen om het geld terug op zijn rekening te storten.
2.4
Op 7 april 2024 heeft [gedaagde], voor zover hier van belang, als volgt daarop gereageerd:
(…) Mi tin cu bai contact hendenan cu ma paga caba pa por debolbemi e plaka cu a ser paga caba. Mi ta bai wak kico tin pa asina mi por cuminsa na manda esei bek.”
2.5
Op 15 april 2024 liet [gedaagde] via WhatsApp weten dat zij het geld binnen drie termijnen (na aftrek van bankkosten) zal terugbetalen.
2.6 [
Gedaagde] heeft € 600,- terugbetaald. Het restant is tot op heden onbetaald gebleven.
2.7
Bij brief van 23 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen zeven dagen over te gaan tot betaling van het bedrag van € 4.400,- vermeerderd met 15% incassokosten en tevens vermeerderd met wettelijke rente.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
[Eiser] vordert - kort samengevat - dat het Gerecht bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. [Gedaagde] zal veroordelen aan [eiser] te betalen het bedrag van € 4.400,-, dan wel de tegenwaarde daarvan in Arubaanse Florin, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en tevens vermeerderd met wettelijke rente;
iii. [Gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daarin begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2 [
Eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. Met [gedaagde] werd afgesproken dat zij zou helpen met het organiseren van de festiviteiten in verband met het huwelijk van [eiser]. [Gedaagde] heeft daarom een bedrag van € 5.000,- van hem ontvangen. Omdat het huwelijk tot nader orde werd uitgesteld, heeft [gedaagde] toegezegd het geld terug te zullen betalen. Nu [gedaagde] slechts € 600,- heeft terugbetaald is zij nog een bedrag van € 4.400,- aan [eiser] verschuldigd.
3.3 [
Gedaagde] heeft erkend dat zij een bedrag van € 5.000,- van [eiser] heeft ontvangen en dat zij het door haar ontvangen bedrag zou terugbetalen. Volgens haar hebben partijen echter afgesproken dat zij, omdat [gedaagde] niet in staat was om het bedrag in een keer af te lossen, maandelijks € 200,- zou terugbetalen. Zij heeft een aantal maanden betaald, totdat zij plotseling door de advocaat van [eiser] werd benaderd. [Gedaagde] voert aan bereid te zijn het gevorderde bedrag van € 4.400,- te betalen, maar verzoekt het Gerecht haar toe te staan om het bedrag in maandelijkse termijnen van Afl. 300,- te betalen op de (naar het Gerecht begrijpt:) lokale bankrekening van de partner van [eiser], omdat dat bankkosten scheelt. Verder heeft [gedaagde] betwist de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente te zijn verschuldigd en verzocht om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3.4
Het Gerecht zal op de standpunten van partijen, hierna waar nodig nader ingaan.

4.DE BEOORDELING

Hoofdsom
4.1 [
Gedaagde] heeft de verschuldigdheid van het bedrag van € 4.400,- erkend. Zij heeft echter aangevoerd dat partijen hebben afgesproken dat zij het verschuldigde bedrag in maandelijkse termijnen van € 200,- zal terugbetalen. Het Gerecht begrijpt dat [gedaagde] aldus betoogt dat het gevorderde bedrag niet ineens opeisbaar is. Nu [eiser] echter heeft weersproken dat deze afspraak is gemaakt en [gedaagde] haar stelling op geen enkele wijze (met concrete, voor bewijs vatbare feiten en/of omstandigheden) heeft onderbouwd, treft haar verweer geen doel. Het Gerecht zal de gevorderde hoofdsom van € 4.400,- dan ook toewijzen.
4.2 [
Gedaagde] heeft verzocht haar toe te staan dat zij de vordering in termijnen kan voldoen. Op grond van artikel 6:29 BW Pro kan [eiser] echter niet worden verplicht in te stemmen met een betalingsregeling en is het Gerecht niet bevoegd om een betalingsregeling zonder zijn instemming vast te stellen. Haar verzoek is daarom niet toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor het verzoek van [gedaagde] haar toe te staan de gelden op de bankrekening van de partner van J[eiser] over te maken. Zij kan immers zonder anders luidende toestemming daarvoor van [eiser], die ontbreekt, slechts aan [eiser] bevrijdend betalen.
4.3
Het voorgaande neemt niet weg dat [gedaagde] zich na ontvangst van dit vonnis tot de gemachtigde van [eiser] kan wenden om te proberen (alsnog) een betalingsregeling overeen te komen.
Wettelijke rente
4.4 [
Gedaagde] heeft, ook na de aanmaning van 23 oktober 2024, nagelaten enige betaling te verrichten. Nu [eiser] [gedaagde] bij genoemde aanmaning heeft gesommeerd binnen zeven dagen te betalen en betaling is uitgebleven, is [gedaagde] sinds 30 oktober 2024 in verzuim. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook worden toegewezen vanaf 30 oktober 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.5
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De enkele door de gemachtigde van [eiser] naar [gedaagde] verzonden aanmaningsbrief van 23 oktober 2024 is onvoldoende om toewijzing daarvan te rechtvaardigen.
Proceskosten
4.6
Ten aanzien van de proceskosten overweegt het Gerecht als volgt. Voorop staat dat ingevolge artikel 60 Rv Pro de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de proceskosten wordt veroordeeld. Nu [gedaagde] de hoofdsom niet heeft betwist en het Gerecht deze, evenals de wettelijke rente, zal toewijzen, is [gedaagde] de in het ongelijk gestelde partij. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde] in de proceskosten zal worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 450,- aan explootkosten en Afl. 500,- aan gemachtigdensalaris (naar rato van 1 punt van het liquidatietarief 3).

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.400, althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse Florin, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 450,- aan explootkosten en Afl. 500,- aan salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de nakosten van Afl. 250,- en ingeval van betekening, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;
5.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.