1.4Hiertegen heeft appellant op 19 augustus 2024 bezwaar aangetekend. In het bezwaarschrift is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“(…)
BEZWAARSCHRIFT
(LAR/PRO FORMA)
(…)
Gronden waarop het bezwaarschrift rust
8. Klager meent dat beklaagde ten onrechte had besloten zijn naturalisatie verzoek af te wijzen. Dit bezwaarschrift is thans grotendeels PRO FORMA. De gronden zullen z.s.m. worden aangevuld en overgelegd.
9. Reeds nu kan wel het volgende gesteld worden.
Toelichting
A.
Er is geen sprake van onderbrekingen in de toelating/verblijfsstatus van klager
10. De stelling dat klager niet aaneengesloten toelating (en hoofdverblijf) op Aruba heeft gehad is in strijd met de waarheid. Klager ontkent en betwist ter zake stellig dat er sprake zou zijn geweest van onderbrekingen, van periodes, zoals beklaagde dat stelt, waarin hij niet toegelaten zou zijn geweest, waarin zijn toelating zou zijn onderbroken (hierna verder aan te duiden als ‘onderbrekingen’ of ‘discrepanties’.
B.
Eventuele onderbrekingen: feitelijk van aard, c.q. er is sprake van verschoonbare overschrijding
11. Klager ontkent - zoals reeds gesteld - dat hij op enig moment niet tot Aruba zou zijn toegelaten. Echter, zelfs indien en voor zover - zulks zoals beklaagde op pagina 2 van de beslissing a quo stelt - er daadwerkelijk sprake zou zijn geweest onderbrekingen of discrepanties, quod uitdrukkelijk non, dan nog zijn die slechts van feitelijke en ondergeschikte aard en derhalve doen die niet af aan de voorgaande conclusie dat klager onafgebroken rechtsgeldig toelating heeft tot Aruba, in de jaren voorafgaande aan het verzoek tot naturalisatie. Subsidiair is dan sprake van verschoonbare overschrijding.
12. Klager meent dat er voldoende redenen aanwezig zijn om de aangevallen beslissing te herzien en om het verzoek alsnog toe te wijzen.
13. De beslissing van beklaagde is derhalve feitelijk onjuist en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name is het in strijd met het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Gezien de feiten en omstandigheden in casu en gelet op de belangen die op het spel staan, zou afwijzing van het verzoek van klager bijzonder onredelijk zijn. Een dergelijk gevolg zou om meerdere redenen in strijd met diverse beginselen van behoorlijk bestuur, met name met het verbod op willekeur, en verdragen en het is duidelijk dat dit lijdt tot onrechtvaardige toestanden, c.q. het brengt klager onevenredig nadeel toe.
(…)
HET IS OM GENOEMDE REDENEN, NADER NOG AAN TE VULLEN EN TE ADSTRUEREN, DAT KLAGERzich Uwe Excellentie wendt, met het eerbiedig verzoek, de hier bestreden beslissing te herzien, althans ter zijde te stellen en om aldus het verzoek van klager alsnog toe te wijzen
(…)”.