ECLI:NL:OGEAA:2026:7

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AUA202304178
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet bewezen betaling huur en borg

In deze civiele procedure stond centraal of eiser had bewezen dat hij op 25 februari 2023 een bedrag van Afl. 1.400,- aan gedaagde had betaald voor de eerste maand huur en de borg van een appartement.

Eiser stelde dat hij dit bedrag had betaald in het bijzijn van een betrokkene die hem hielp met verhuizen. Gedaagde betwistte ontvangst van het geld. Eiser overlegde verklaringen van twee getuigen die elk verklaarden het bedrag te hebben gezien overhandigd, maar hun verklaringen waren onderling tegenstrijdig: de ene getuige verklaarde dat alleen hij aanwezig was, terwijl de andere getuige verklaarde dat er niemand anders was dan eiser en gedaagde.

Het Gerecht concludeerde dat deze tegenstrijdigheden ertoe leiden dat eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast. Daarom werd de vordering afgewezen en werd eiser veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betaling; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Vonnis van 7 januari 2026
Behorend bij AUA202304178 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes.

1.DE VERDERE PROCEDURE

1.1
Op 4 december 2024 wees het Gerecht een tussenvonnis in deze zaak. In dit vonnis is [eiser] opgedragen te bewijzen dat hij op 25 februari 2023 een bedrag van Afl. 1.400,- aan [gedaagde] heeft betaald voor de eerste maand huur en de borg van het appartement.
1.2
Op 12 maart 2025 is op verzoek van [eiser] één getuige gehoord. De contra-enquête heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Ook op die dag is één getuige gehoord.
1.3
Beide partijen hebben op de rolzitting van 15 oktober 2025 een conclusie na enquête genomen.
1.4
Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.DE VERDERE BEOORDELING

2.1
Het gaat in deze procedure alleen nog om de vraag of [eiser] heeft bewezen dat hij – zoals hij heeft gesteld – op 25 februari 2023 een bedrag van Afl. 1.400,- aan [gedaagde] heeft betaald. Dit bedrag zou zijn voor de eerste maand huur en de borg van het appartement.
2.2
Het Gerecht is van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij [gedaagde] geld heeft betaald. Het Gerecht legt dit oordeel hierna uit.
2.3
In het verzoekschrift heeft [eiser] geschreven dat hij op 25 februari 2023 de borg van Afl. 700,- en de eerste maand huur van Afl. 700,- aan [gedaagde] heeft betaald. Volgens het verzoekschrift gebeurde dat in het bijzijn van de heer [betrokkene 1], die [eiser] hielp bij de verhuizing naar het appartement. [Gedaagde] heeft betwist dat zij ooit geld van [eiser] heeft ontvangen. Vervolgens heeft [eiser] een verklaring overgelegd van de heer [betrokkene 2]. Hij schrijft dat hij op 25 februari 2023 bij [eiser] was toen [eiser] aan het verhuizen was. Op dat moment heeft hij gezien dat [eiser] een bedrag van Afl. 1.400,- aan [gedaagde] betaalde en hij hoorde dat dat was voor de eerste maand huur en de borg.
2.4
Naar aanleiding van de bewijsopdracht heeft [eiser] de heer [betrokkene 3] als getuige laten horen. [Betrokkene 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [eiser] aan [gedaagde] Afl. 1.400,- gaf, toen [betrokkene 3] [eiser] hielp met verhuizen. Er was, zo heeft [betrokkene 3] verklaard, niemand anders bij behalve [eiser], [gedaagde] en hijzelf. Er waren ook geen anderen bij de verhuizing aanwezig. Desgevraagd heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet kent. Ook heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij de hele inboedel samen met [eiser] heeft verhuisd, en dat het niet mogelijk is dat [eiser] op een ander moment met andere mensen heeft verhuisd.
2.5
Het Gerecht stelt vast dat [eiser] (in het verzoekschrift) eerst stelt dat [betrokkene 1] hem heeft geholpen met verhuizen. Volgens de schriftelijke verklaring (overgelegd bij conclusie van repliek) was bij die verhuizing ook [betrokkene 2] aanwezig en heeft [betrokkene 2] toen gezien dat [eiser] Afl. 1.400,- aan [gedaagde] gaf. De getuige [betrokkene 3] heeft ook verklaard dat hij zag dat [eiser] geld aan [gedaagde] overhandigde. Volgens [betrokkene 3] was daar echter niemand anders bij. Sterker nog: [betrokkene 3] kent [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgens eigen zeggen niet.
2.6
De schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] en getuigenverklaring van [betrokkene 3] kunnen niet allebei waar zijn. Het kan immers niet zo zijn dat zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 3] heeft gezien dat [eiser] aan [gedaagde] geld gaf. Volgens [betrokkene 2] was immers alleen [betrokkene 2] aanwezig, terwijl [betrokkene 3] heeft verklaard dat niemand anders erbij was. Die verklaringen spreken elkaar dus tegen.
2.7
Gelet op de tegenstrijdige verklaringen die op verzoek van [eiser] zijn ingebracht, is [eiser] er niet in geslaagd te bewijzen dat hij geld aan [gedaagde] heeft overhandigd. Dit betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
2.8
Omdat [eiser] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van [gedaagde] betalen. Die worden (uitgaande van het bedrag van de totale vordering) begroot op Afl. 5.000,- aan salaris van de gemachtigde (4 punten x tarief 5).

3.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde] worden begroot op Afl. 5.000,- aan salaris van de gemachtigde en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.