ECLI:NL:OGEAA:2026:8

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AUA202500925
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake executie van een vonnis uit 2009 en beslaglegging op de woning van de erfgename

In deze zaak heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over de executie van een vonnis uit 2009. [Eiseres], de moeder van [zoon van eiseres], die op 29 november 2021 is overleden, is de enig erfgename van [zoon van eiseres]. [Zoon van eiseres] had in 2002 een schuldbekentenis ondertekend voor een lening van Afl. 60.000,- van [gedaagde]. In 2009 werd [zoon van eiseres] veroordeeld om Afl. 61.597,- te betalen aan [gedaagde]. Na het overlijden van [zoon van eiseres] heeft [gedaagde] beslag gelegd op de woning van [eiseres]. [Eiseres] heeft in deze procedure gevorderd dat het beslag wordt opgeheven, omdat er volgens haar geen vordering meer bestaat. Het Gerecht heeft geoordeeld dat [gedaagde] niet kan eisen dat [eiseres] het vonnis van 2009 nakomt, omdat er na het vonnis afspraken zijn gemaakt tussen [gedaagde] en [zoon van eiseres] die de executie van het vonnis hebben opgeheven. Het Gerecht heeft het beslag op de woning van [eiseres] opgeheven en [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van [eiseres].

Uitspraak

Vonnis van 7 januari 2026
Behorend bij AUA202500925 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiseres],
te Aruba,
eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres],
gemachtigde: de advocaat mr. S.A. Kock,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor.

1.DE PROCEDURE

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingediend op 2 april 2025;
- de conclusie van antwoord, ingediend op 4 juni 20025;
- het tussenvonnis van 25 juni 2025, waarin een comparitie van partijen is bepaald;
- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen op 5 september 2025, waarbij aanwezig waren [eiseres], bijgestaan door mr. Kock, en mr. Odor.
- de spreekaantekeningen van mrs. Kock en Odor tijdens de comparitie van partijen;
- de akte uitlating regeling van mr. Kock van 1 oktober 2025.
1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2.DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [
Eiseres] is de moeder van [zoon van eiseres] (hierna: [zoon van eiseres]). [Zoon van eiseres] is overleden op 29 november 2021. [Eiseres] is zijn enig erfgename.
2.2 [
Zoon van eiseres] heeft op 11 juni 2002 een schuldbekentenis ondertekend, waarin staat dat hij Afl. 60.000,- heeft geleend van [gedaagde].
2.3
Op 13 oktober 2008 heeft [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op de woning van [zoon van eiseres].
2.4
In de daarop volgende bodemprocedure heeft dit Gerecht [zoon van eiseres] bij vonnis van 26 augustus 2009 veroordeeld om aan [gedaagde] Afl. 61.597,- te betalen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 18% per jaar over de hoofdsom van Afl. 29.000,- vanaf 24 oktober 2008 tot de dag waarop de hele schuld zal zijn betaald. Ook is [zoon van eiseres] veroordeeld in de proceskosten. [Gedaagde] heeft dit vonnis op 22 september 2009 aan [zoon van eiseres] betekend.
2.5
Op 12 oktober 2012 heeft de toenmalige advocaat van [gedaagde] de deurwaarder verzocht het (inmiddels executoriale) beslag op de woning van [zoon van eiseres] op te heffen. Dit is vervolgens op 15 november 2012 gebeurd.
2.6
Op 11 april 2016 heeft [gedaagde] – ter uitvoering van het vonnis van 26 augustus 2009 – executoriaal beslag gelegd op het loon van [zoon van eiseres].
2.7
Na het overlijden van [zoon van eiseres] heeft [gedaagde] op 22 augustus 2023 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiseres], ter uitvoering van het vonnis van 26 augustus 2009.
2.8 [
Eiseres] heeft geprobeerd met [gedaagde] tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt.
2.9
Bij vonnis in kort geding van 10 april 2024 is, op vordering van [eiseres], de executie door [gedaagde] van het vonnis van 26 augustus 2009 geschorst.

3.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [
Eiseres] vordert:
- een verklaring voor recht dat [gedaagde] geen beslag had mogen leggen op de woning van [eiseres];
- [ Gedaagde] op te dragen om het beslag op te heffen en door te halen binnen drie dagen na betekening van het vonnis;
- aan [gedaagde] een dwangsom op te leggen van Afl. 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] na betekening geen uitvoering geeft aan de opheffing of doorhaling van het beslag;
- [ Gedaagde] te veroordelen in de kosten.
3.2 [
Gedaagde] voert verweer.
3.3
Het Gerecht zal hierna ingaan op de stellingen van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil.

4.DE BEOORDELING

4.1
Vast staat dat [zoon van eiseres] bij vonnis van 26 augustus 2009 is veroordeeld om geld aan [gedaagde] te betalen. De vraag die in deze procedure centraal staat, is of [gedaagde] van [eiseres] (als erfgename van [zoon van eiseres]) nakoming van dit vonnis kan verlangen. Het Gerecht is van oordeel dat dit niet het geval is en dat het executoriaal beslag dat [gedaagde] heeft gelegd op de woning van [eiseres] moet worden opgeheven. Het Gerecht legt die beslissing hierna uit.
4.2 [
Gedaagde] wil het vonnis van 26 augustus 2009 executeren. Dat recht heeft [gedaagde] echter niet meer. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat het executoriaal beslag dat hij had gelegd op de woning van [zoon van eiseres], in november 2012 is opgeheven omdat hij met [zoon van eiseres] een betalingsafspraak had gemaakt. [Gedaagde] en [zoon van eiseres] hebben dus na het vonnis afspraken met elkaar gemaakt. Daarmee is in principe de bevoegdheid van [gedaagde] om executie te verlangen van het vonnis van 26 augustus 2009 vervallen. Dat zou anders zijn, als [gedaagde] en [zoon van eiseres] zouden hebben afgesproken dat het vonnis zou “herleven” als [zoon van eiseres] de door [gedaagde] gestelde betalingsafspraak niet zou nakomen. Dat zo’n afspraak is gemaakt, heeft [gedaagde] echter niet gesteld en is ook niet gebleken. [Gedaagde] heeft de door hem gestelde vaststellingsovereenkomst niet in het geding gebracht. Dit betekent dat het Gerecht ervan uit moet gaan dat [gedaagde] niet langer nakoming kan verlangen van het vonnis van 26 augustus 2009, omdat dit vonnis is “ingehaald” door de afspraak die [gedaagde] en [zoon van eiseres] in 2012 hebben gemaakt.
4.3
Zelfs als aangenomen zou moeten worden dat [gedaagde] het vonnis van 26 augustus 2009 nog altijd kan executeren, geldt het volgende. In beginsel ligt het op de weg van [eiseres] – die stelt dat [gedaagde] geen vorderingsrecht heeft op haar als erfgename van [zoon van eiseres] – om te onderbouwen dat [zoon van eiseres] zijn schuld aan [gedaagde] heeft betaald. In dit geval ligt dat echter anders. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de andere omstandigheden van het geval, is het Gerecht van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] ligt om te onderbouwen dat hij nog een vorderingsrecht heeft op [eiseres]. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende gedaan.
4.4 [
Gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij nog de hele hoofdsom uit het vonnis van 26 augustus 2009, inclusief daarover verschuldigde rente, van [eiseres] te vorderen heeft. Dit heeft [eiseres] gemotiveerd bestreden.
[Eiseres] heeft er in de eerste plaats op gewezen dat [gedaagde] in oktober 2012 opdracht heeft gegeven om het executoriaal beslag op de woning van [zoon van eiseres] op te heffen. Volgens [eiseres] duidt dit erop dat [zoon van eiseres] zijn schuld aan [gedaagde] had betaald. [Gedaagde] heeft vervolgens weliswaar gezegd dat het beslag is opgeheven omdat hij met [zoon van eiseres] een betalingsafspraak had gemaakt, maar hij heeft niet uitgelegd waarom hij het beslag heeft opgeheven nog voordat de vordering zou zijn betaald. Dat dit zou zijn gebeurd ligt ook niet voor de hand: [gedaagde] werd bijgestaan door een ervaren advocaat en gesteld noch gebleken is dat [zoon van eiseres] door het beslag werd geraakt (hij had geen plannen de woning te verkopen en [gedaagde] maakte geen aanstalten te executeren).
Daarbij komt dat [eiseres] er terecht op heeft gewezen dat [gedaagde] in 2016 ook executoriaal loonbeslag heeft gelegd. [Gedaagde] heeft nagelaten inzichtelijk te maken welke bedragen hij naar aanleiding van dit beslag heeft geïnd of te onderbouwen dat (zoals hij tijdens de zitting heeft gesteld) het beslag geen doel heeft getroffen omdat [zoon van eiseres] op dat moment was veranderd van werkgever.
4.5
Al met al heeft [gedaagde] dus – gelet op de gemotiveerde stellingname van [eiseres] – onvoldoende onderbouwd dat hij nog altijd een vordering heeft op [zoon van eiseres], laat staan dat hij een vordering heeft ter hoogte van het door hem gestelde bedrag van inmiddels Afl. 139.879,-.
4.6
Dit betekent dat het beslag op de woning van [eiseres] moet worden opgeheven. Omdat het Gerecht [gedaagde] daartoe zal veroordelen, heeft [eiseres] geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht. Die zal worden afgewezen. [Gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde dwangsom, zodat die (zij het gematigd) zal worden toegewezen.
4.7
Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de proceskosten van [eiseres] betalen. Deze worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 215,- aan explootkosten en Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde (2 punten x tarief 5 van het liquidatietarief).

5.DE UITSPRAAK

Het Gerecht:
5.1
veroordeelt [gedaagde] om het op 21 augustus 2023 door hem gelegde beslag op het recht van erfpacht op het perceel domeingrond te [adres] te Aruba (met kadastrale aanduiding [kadastraalnummer]) ten name van [eiseres] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis op te (laten) heffen, op straffe van een dwangsom van Afl. 2.500,- per dag of dagdeel dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van Afl. 25.000,-;
5.2
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiseres] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 215,- aan explootkosten en Afl. 2.500,- aan salaris van de gemachtigde;
5.3
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.