ECLI:NL:OGEAA:2026:83

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
AUA202403266
Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 128 lid 1 sub 7 letter a LIUDArt. 5a VrijstellingenbesluitArt. 123 lid 5 LIUDArt. 1a LBBOArt. 13a LBBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling invoerrechten voor machines binnen productieproces industriële onderneming

Belanghebbende, een industriële onderneming die alcoholische dranken produceert, verzocht om vrijstelling van invoerrechten voor twee machines die worden gebruikt in het productieproces. De Inspecteur weigerde deze vrijstelling omdat de machines volgens hem alleen logistieke functies vervulden, namelijk het verplaatsen en stapelen van verpakte producten, en niet direct bijdroegen aan het vervaardigen of verpakken van nieuwe producten.

Het Gerecht stelde vast dat de machines een integraal onderdeel vormen van de productielijn en specifiek bestemd zijn voor het productieproces. De machines zijn vast geïnstalleerd en kunnen niet elders worden gebruikt. De wet en de memorie van toelichting bieden een ruime interpretatie van het begrip machines, die niet beperkt is tot machines die afzonderlijk nieuwe producten vervaardigen of verpakken.

De Inspecteur had het bezwaar van belanghebbende onterecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, maar erkende later dat het bezwaar tijdig was ingediend. Het Gerecht vernietigde de uitspraak op bezwaar en besloot zelf inhoudelijk in de zaak te voorzien. Tevens oordeelde het Gerecht dat de machines ook vrijgesteld zijn van invoerheffingen zoals BBO, BAVP en BAZV, maar dat het verzoek tot teruggaaf daarvan buiten de wettelijke termijn was ingediend en daarom niet-ontvankelijk is.

Het Gerecht veroordeelde de Inspecteur tot teruggaaf van de betaalde invoerrechten van in totaal Afl. 6.158,05 en tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende. De uitspraak werd gedaan op 13 april 2026 door rechter D.J. Jansen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en teruggaaf van betaalde invoerrechten wordt gelast.

Uitspraak

Uitspraak van 13 april 2026
BBZ nr. AUA202403266
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], gevestigd te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Aruba,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Bij beschikking van 12 oktober 2023 heeft de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om vrijstelling van invoerrechten op grond van artikel 128 lid 1 sub Pro 7 letter a van de van de landsverordening in-, uit- en doorvoer (LIUD) voor een tweetal machines (‘Pneumatic Case Lifter’ en ‘Air Compressor’, hierna: machines te noemen) geweigerd.
1.2
Belanghebbende heeft op 11 november 2023 bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Inspecteur.
1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak van 21 augustus 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft op 18 september 2024 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150.
1.5
De Inspecteur heeft op 16 oktober 2024 een verweerschrift ingediend.
1.6
Belanghebbende heeft op 12 augustus 2025 een pleitnota ingediend.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2025 te Oranjestad. Namens belanghebbende zijn verschenen M. Rangel en H. Ruiter, verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [A] en [B]. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota ingebracht en voorgedragen.
1.8
De Inspecteur heeft op 22 augustus 2025 zoals ter zitting besproken de Ministeriële Beschikking van 2012 waarnaar wordt verwezen in de brief van 23 mei 2019 nagestuurd. Dit stuk is op dezelfde dag doorgestuurd naar de gemachtigde van belanghebbende.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende is opgericht op 26 februari 2015. Belanghebbende produceert alcoholische dranken met gebruikmaking van halffabricaten rum, whisky en wodka. Belanghebbende is aangemerkt als een industriële onderneming in de zin van artikel 128, lid 1, sub 7 letter a van de LIUD.
2.2
Bij brief van 23 mei 2019 heeft de Inspecteur – samengevat - belanghebbende geïnformeerd dat zij wordt aangemerkt als industriële onderneming in de zin van de LIUD. In deze brief wordt – voor zover van belang - het volgende vermeld:
(…)
“Geachte heer [C],
Op 12 september 2018 heeft [belanghebbende], een antwoord m.b.t. het verzoek om [belanghebbende] als een industriële onderneming aan te merken per email ontvangen. Het antwoord werd nooit in een officiële brief vastgelegd. Onze excuses hiervoor.
Hieronder volgt het antwoord dat per email werd gestuurd.
(…)
Ook zal de vrijstelling van de heffing van invoerrechten verleend worden voor de machines die in de productieproces gebruikt zullen worden en deel uitmaken van het gehele productieproces. Indien [belanghebbende] voornemens heeft om machines bestemd voor het productieproces in te voeren, dan dient [belanghebbende] dit voorlopig aan te geven op een aangifte INV5/5400 000.
(…)”
2.3
Belanghebbende heeft bij brief van 26 september 2023 vrijstelling van invoerrechten gevraagd voor de invoer van twee machines. In de brief is – voor zover van belang – het volgende geschreven:
“To whom it may concern,
[belanghebbende] is in the process of purchasing a new machine for their production line:
  • Pneumatic Case Lifter
  • Air Compressor
Date sheets of the equipment and the invoice are attached.
To expand the existing production line we would like to ask for an import duty exemption on this new machinery / equipment.
The machines are used to lift and palletize carton boxes from the conveyor belt onto a pallet.
In order to provide sufficient air to the pneumatic case lifter we are purchasing a new bigger air compressor.
A video of the operation can be reviewed under: http://youtu.be/4CCZKKFCy7w
(…)”
2.4
De Inspecteur heeft het verzoek om vrijstelling bij brief van 12 oktober 2023 (1.1) afgewezen. Aan de weigering van het verzoek om vrijstelling van invoerrechten heeft de Inspecteur het volgende ten grondslag gelegd:
“(…) Om in aanmerking te kunnen komen voor de vrijstelling van invoerrechten bij de invoer van de machines dient te worden voldaan aan artikel 5a van het Vrijstellingenbesluit. De machines dienen te worden gebruikt omeen nieuw product te vervaardigenen gereed te maken voor levering. In dit geval worden de machines gebruikt om de eindproducten dat reeds in kartonnen dozen zijn verpakt, automatisch vanaf de loopband (conveyer belt) af te halen en op een pallet te stapelen.
(…)
Gezien de in te voeren machines na afronding van het productieproces, zullen worden gebruikt, nadat de eindproducten verpakt zijn en gereed zijn voor de levering, kan het verzoek voor vrijstelling van invoerrechten niet worden gehonoreerd (...)”
2.5
Belanghebbende heeft op 1 november 2023 aangifte (C-[nummer 1]) ten invoer gedaan van de ‘pneumatic case lifter’ en daarvoor een bedrag aan invoerrechten betaald van Afl. 4.020,10. Belanghebbende heeft op 7 november 2023 aangifte (C-[nummer 2]) ten invoer gedaan van een ‘Compressor (Ingersoll-Rand)’ en ‘4 stuks Compressor Filters’ en daarvoor een bedrag aan invoerrechten betaald van Afl. 2.137,95. Ook zijn voor de invoer van de machines BBO/BAVP en BAZV betaald (hierna: invoerheffingen).
2.6
Belanghebbende is bij brief van 10 november 2023 (per e-mail aan de Inspecteur verzonden op 11 november 2023) in bezwaar gekomen tegen de in 1.1 genoemde beschikking. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om restitutie van de teveel betaalde invoerrechten op basis van artikel 123 lid 5 van Pro de LIUD. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard.
2.7
Tot de gedingstukken (bijlage bij de pleitnota) behoort een beschrijving van de machines en hun werking. Voor zover relevant is daarin de volgende beschrijving gegeven van de rol van de machines binnen het productieproces:
“Our production process is structured in several stages – from formulation, filling, and sealing to labeling and final packaging. Once the bottles are filled, sealed, labelled, and packed into cartons, they must be prepared for storage and distribution. This is where the backend of the production line becomes operationally critical.
At this stage, the case lifter plays a vital role. It is used to lift and transfer sealed cartons (,,,) onto pallets. This palletizing process is essential not only for organizing the goods for storage but also to ensure that they are prepared in a format suitable for transport, export and further logistical handling. (…)
The palletizing setup is not a standalone logistics tool but a dedicated mechanical component of the production line, positioned at the final stage of our packaging flow. Its operation is synchronized with the output of finished cartons from the production (…).”

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of de Inspecteur bij beschikking de vrijstelling van invoerrechten met betrekking tot de ingevoerde machines op grond van artikel 128, lid 1 sub 7, letter a van de LIUD in combinatie met artikel 5a van het Vrijstellingenbesluit terecht heeft geweigerd.
3.2
Belanghebbende is van mening dat de vrijstelling van toepassing is en zij derhalve recht heeft op teruggaaf van de bij de invoer betaalde invoerrechten en de invoerheffingen. De Inspecteur is van mening dat de vrijstelling niet van toepassing is.

4.OVERWEGINGEN

Vooraf: ontvankelijkheid bezwaar

4.1
De Inspecteur heeft bij uitspraak van 21 augustus 2024 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. In zijn e-mail van 28 augustus 2024 en het verweerschrift heeft de Inspecteur evenwel geconcludeerd dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Reeds om die reden dient de uitspraak op bezwaar van 21 augustus 2024 te worden vernietigd en is het beroep gegrond. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij niet wenst dat de zaak wordt terugverwezen naar de Inspecteur om alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Nu ook de Inspecteur in zijn verweerschrift en pleitnota inhoudelijk op de zaak is ingegaan, zal de rechter zelf in de zaak voorzien.
Juridisch kader
4.2.1
In artikel 128, lid 1 sub 7 letter a van de LIUD is bepaald:
1. Van de heffing van invoerrecht zijn vrijgesteld:
(…)
7° a. machines, bestemd voor een industriële onderneming;
(…).
4.2.2
Deze bepaling is bij wetswijziging in het jaar 2010 (AB 2010-22) - met terugwerkende kracht tot en met 28 mei 1999 - ingevoerd (Landsverordening tot wijziging van de Landsverordening in-, uit en doorvoer (AB 2000 no. GT 10) en de Zegelverordening (AB 1998 no. GT 1). In de Memorie van Toelichting (MvT) op deze bepaling is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“(…) De strekking van artikel 128, eerste lid, ten 7º, is ingevolge de memorie van toelichting om meer soort productiebedrijven, die met het oog op de door hen te verrichten economische activiteiten grond- en hulpstoffen invoeren, de mogelijkheid te bieden beroep te doen op vrijstelling van invoerrechten. In dit onderdeel wordt voorgesteld om ten 7º in drie onderdelen op te splitsen, namelijk een nieuw onderdeel a, waarin een vrijstelling voor machines bestemd voor industriële ondernemingen wordt gecreëerd, een onderdeel b, met dezelfde inhoud als het huidige ten 7º en een nieuw onderdeel c, inhoudende een vrijstelling voor drukkerijen.
Met onderdeel a wordt beoogd naast de huidige vrijstelling voor grond- en hulpstoffen, ook een vrijstelling in te voeren voor de invoer van machines bestemd voor de industriële onderneming, met het oog op de door hen te verrichten economische activiteiten. Onder het begrip machines dient te worden verstaan hetgeen daaronder in het maatschappelijk verkeer algemeen aanvaard wordt. De regering is zich evenwel van bewust dat hierover meer duidelijkheid gewenst is. Met het oog hierop is zij voornemen na de inwerkingtreding van het onderhavige ontwerp het Vrijstellingsbesluit zo spoedig mogelijk aan te vullen.
Deze uitbreiding werd overeenkomstig het besluit van de ministerraad, vooruitlopend op de wetswijziging in de praktijk toegepast. Met deze bepaling wordt voorgesteld deze – voor de burger gunstige bepaling – te formaliseren. Verwezen zij in dit kader naar artikel III.
(…)
Ad Artikel III
(…)
Artikel I, onderdeel H, ten 2º, ten 7º, onderdeel a, werkt terug tot en met 28 mei 1999, zijnde de datum waarop de ministerraad heeft besloten om de vrijstelling die van toepassing is op industriële ondernemingen uit te breiden met het begrip machines.
(…)”
4.2.3
Artikel 5 van Pro het Vrijstellingenbesluit luidt – voor zover hier relevant – als volgt:
1. Om voor toepassing van artikel 128, eerste lid, ten zevende, in aanmerking te komen legt de belanghebbende aan de Inspecteur der invoerrechten en accijnzen over:
a. een uittreksel van het handelsregister met betrekking tot zijn industriële onderneming;
b. een overzicht van de producten die in zijn onderneming worden vervaardigd;
c. een beschrijving van het productieproces, met inbegrip van de daarbij gebruikte soorten en hoeveelheden grondstoffen, hulpstoffen en halffabrikaten;
d. een lijst van personen die bevoegd zijn namens de onderneming vrijstellingsaangiften te ondertekenen, alsmede een voorbeeld van hun handtekening;
e. een beschrijving van de wijze van kostprijsberekening van de in zijn onderneming vervaardigde producten.
2. (…)
3. Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt verstaan onder:
industriële onderneming:
een bedrijf, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Landsverordening winstbelasting en artikel 6, eerste lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting dat op regelmatige basis in een continu bedrijfsproces met behulp van kapitaalgoederen nieuwe producten voortbrengt;
nieuw product:
een eindproduct dat onder een andere tariefpost in het tarief van invoerrechten wordt ingedeeld, dan de goederen die verwerkt, bewerkt of samengevoegd zijn tot het eindproduct;
Grondstof:
een goed dat volledig onderdeel van het eindproduct uitmaakt of daarin opgaat;
Hulpstof:
een goed dat benodigd is om het eindproduct te vervaardigen, maar dat daar geen onderdeel van uitmaakt of in opgaat;
Halffabrikaat
een goed dat reeds gedeeltelijk bewerkt is en volledig onderdeel van het eindproduct uitmaakt of daarin opgaat.
Inhoudelijke beoordeling
4.3
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de invoer van de machines meergenoemde vrijstelling van de LIUD geldt. Belanghebbende heeft de machines geïmporteerd ter uitbreiding van het bestaande productieproces van alcoholische dranken. Hiermee kunnen kartonnen dozen op pallets worden gezet. Volgens belanghebbende gaat het niet om een optionele toevoeging maar om een geïntegreerde schakel binnen het productieproces met als doel het vervaardigen van nieuwe producten en het gereedmaken van deze producten voor levering aan afnemers.
4.4
De Inspecteur stelt dat de vrijstellingsbepaling niet geldt voor deze machines. Volgens de Inspecteur moet het gaan om (i) machines die nieuwe producten vervaardigen en (ii) machines die nodig zijn om deze producten gereed te maken voor levering. Onder ‘gereed maken voor levering’ moet worden verstaan het verpakken van het nieuwe product, zodat het kan worden afgeleverd aan de afnemers. De machines waar het in het onderhavige geval om gaat worden gebruikt voor het verplaatsen van verpakte dozen van de lopende band en het stapelen ervan op een pallet. Dat is volgens de Inspecteur een logistieke handeling. Er wordt geen nieuw product vervaardigd en er vindt geen verpakking plaats.
4.5
Ingevolge artikel 128, lid 1 sub 7 letter a van de LIUD zijn machines, bestemd voor een industriële onderneming van de heffing van invoerrecht vrijgesteld. In artikel 5a van het Vrijstellingenbesluit is opgenomen de voorwaarden waaraan een bedrijf moet voldoen om te worden aangemerkt als een industriële onderneming. Een van de voorwaarden is dat het bedrijf met behulp van machines een nieuw product moet maken. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van belanghebbende een industriële onderneming is in de zin van de LIUD en dat het bedrijf van belanghebbende ‘op regelmatige basis in een continu bedrijfsproces met behulp van kapitaalgoederen nieuwe producten voortbrengt’. Artikel 5 van Pro het Vrijstellingenbesluit schrijft anders dan de Inspecteur stelt niet voor dat elke machine (afzonderlijk) nieuwe producten moet kunnen vervaardigen of dat elke machine (afzonderlijk) bestemd moet zijn om producten gereed te maken voor levering.
4.6
Naar het oordeel van het Gerecht is de interpretatie die de Inspecteur geeft aan de term machine te beperkt. In de wet staat dat machines bestemd voor een industriële onderneming van de heffing van invoerrecht zijn vrijgesteld. In de MvT op artikel 128, lid 1 sub 7 letter a LIUD is opgenomen dat met het begrip machines wordt bedoeld hetgeen daaronder in het maatschappelijk verkeer algemeen wordt aanvaard. De tekst van de wet noch de toelichting bieden steun aan de door de Inspecteur interpretatie.
4.7
De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nog gewezen naar een brief van 10 augustus 1999 van de directeur der belastingen aan de minister van financiën met als onderwerp ‘Vrijstelling van invoerrecht op machines t.b.v. industriële ondernemingen’. Nog daargelaten dat deze brief het toepassingsbereik van de wettelijke vrijstellingsbepaling niet kan beperken, ziet de brief op een tekstvoorstel van de toenmalige directeur der belastingen voor het begrip machines. De wetgever heeft dat tekstvoorstel bij de invoering van de onderhavige vrijstellingsbepaling niet overgenomen. Hierna is het relevante deel van de brief opgenomen:
“Naar aanleiding van het besluit van de ministerraad van 28 mei 1999, zal de vrijstelling van artikel 128, eerste lid, sub 7 Landsverordening in-, uit- en doorvoer worden uitgebreid met het begrip machines. (…)
Bij brief van 27 juli heb ik u toegezegd dat ik u op korte termijn een voorstel hiervoor zou doen toekomen. Ik stel de volgende omschrijving en toelichting voor:
Tekst:
Machines zijn mechanische werktuigen om een nieuw product te vervaardigen en gereed te maken voor levering. (…)”
De wetgever heeft de vrijstelling van 128, lid 1 sub 7 letter a van de LIUD veel ruimer geformuleerd en bepaald dat machines, bestemd voor een industriële onderneming van de heffing van invoerrecht vrijgesteld zijn.
4.8
Blijkens de beschrijving van de werking van de machines (zie 2.8) volgt dat deze specifiek bestemd zijn voor het productieproces van de industriële onderneming en een integraal onderdeel zijn van de productielijn. Hierbij neemt het Gerecht ook in aanmerking dat belanghebbende ter zitting onbetwist heeft aangevoerd dat de machines vast zitten aan de muur van de ruimte waarin de productielijn is opgesteld en om deze reden nergens anders gebruikt kunnen worden. Al deze omstandigheden in aanmerking nemende oordeelt het Gerecht dat de machines onder de vrijstellingsbepaling kunnen worden geschaard.
Vrijstelling invoerheffingen BBO, BAVP en BAZV
4.9.1
Belanghebbende heeft ter zake van de invoer van goederen ingevolge de artikelen 1a en 13 a van de Landsverordening belasting op invoer van goederen over bedrijfsomzetten en additionele voorziening PPS-projecten (LBBO) en artikel 1a van de Landsverordening bestemmingsheffing AZV (LBAZV), de belastingen BBO, BAVP en BAZV, betaald. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de invoer van de machines ook van deze invoerheffingen zijn vrijgesteld en zij verzoekt ook teruggaaf van de betaalde invoerheffingen. In haar bezwaarschrift en beroepschrift heeft belanghebbende de invoerheffingen niet vermeld. Het bezwaarschrift en het beroepschrift zijn specifiek gericht op de teruggaaf van invoerrechten.
4.9.2
Op basis van de wet (artikel 1d in samenhang met artikel 13c LBBO en artikel 1d LBAZV) geldt een vrijstelling ter zake van de invoer van goederen waarvoor aanspraak op vrijstelling van invoerrechten bestaat overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de LIUD. In dit verband wordt gewezen op de volgende passage uit de MvT op de Landsverordening Belastingplan 2023-Deel II (AB 2023 no.25):
“De toepassing van vrijstelling, teruggaaf en kwijtschelding van invoerrechten werken ongewijzigd door naar de heffing van de BBO/BAVP bij invoer (artikel 1d). Voor de vrijstellingen (…) zij in dit verband verwezen naar artikel 128 van Pro de LIUD (…)”. Voor de wijzigingen in de LBAZV wordt in de MvT ook verwezen naar deze toelichting omdat de voorgestelde wijzigingen ‘intrinsiek daarmee zijn verbonden’.
4.9.3
Hiervoor is geoordeeld dat de machines ingevolge artikel 128, lid 1 sub 7 letter a van de LIUD van de heffing van invoerrechten zijn vrijgesteld. De machines zijn op basis van de hiervoor in 4.9.2 vermelde bepalingen van de LBBO, en LBAZV ook vrijgesteld van de invoerheffingen.
4.9.4
In de voornoemde wetten is opgenomen dat ter zake van de heffing (artikel 1e LBBO in samenhang met 1artikel 13c LBBO en artikel 1e LBAZV) en teruggaaf (artikel 1d lid 3 LBBO in samenhang met artikel 13c LBBO en artikel 1d lid 3 van de LBAZV) van deze invoerheffingen, de voorschriften van de LIUD van overeenkomstige toepassing zijn. Belanghebbende heeft pas ter zitting, derhalve buiten de wettelijke termijn ( artikel 123 lid 5 van Pro de LIUD), verzocht om teruggaaf van de invoerheffingen. Dit verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Dit neemt niet weg dat de Inspecteur ambtshalve teruggaaf kan verlenen van de invoerheffingen.
4.1
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Aan belanghebbende wordt teruggaaf verleend van het betaalde bedrag aan invoerrechten ten bedrage van Afl. 6.158,05 (Afl. 4.020,10 +/+ Afl. 2.137,95).

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

Kosten bezwaarfase

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Kosten beroepsfase
5.2
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.
5.4
In artikel 1 van Pro dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).
5.5
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, Landsverordening beroep in belastingzaken het betaalde griffierecht van Afl. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • gelast de Inspecteur teruggaaf van invoerrechten tot een bedrag van Afl. 6.158,05 te verlenen;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1.400; en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Afl. 150 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 13 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Afl. 75
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300