ECLI:NL:OGEABES:2018:38

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
13 september 2018
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
400.00132/18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumwet BES 1960Art. 3a Opiumwet BES 1960Art. 4 Opiumwet BES 1960Art. 11 Opiumwet BES 1960Art. 146 Wetboek van Strafrecht BES
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs deelname criminele organisatie drugshandel

Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie gericht op de handel en het transport van soft- en harddrugs tussen Nederland en Bonaire.

De tenlastelegging betrof het deelnemen aan een organisatie die zich bezighield met het bereiden, vervoeren en afleveren van hasjiesj, hennep en cocaïne. Het bewijs bestond voornamelijk uit tapgesprekken tussen verdachte en een medeverdachte, observaties en verklaringen van getuigen.

Hoewel uit de gesprekken bleek dat er sprake was van drugshandel, kon het Gerecht niet vaststellen dat er een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband bestond dat voldoet aan de definitie van een criminele organisatie. De gesprekken waren beperkt en boden geen inzicht in de omvang, structuur of duur van de organisatie.

Daarom oordeelde het Gerecht dat het bewijs onvoldoende was om de deelname aan een criminele organisatie aan te tonen en sprak verdachte vrij. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

Parketnummer: 400.00132/18

Uitspraak: 13 september 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. M.C. Vaders, advocaat op Bonaire.
De officier van justitie, mr. A.A.E. Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
dat hij in de periode van maart 2018 tot en met juni 2018, althans gedurende enkele maanden in het jaar 2018, in Nederland en/of te Bonaire tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk om feiten als bedoeld in artikel 3, 3a en 4 jo 11 Opiumwet BES 1960, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vanuit het grondgebied van Nederland (telkens) binnen het grondgebied van Bonaire brengen van één of meerdere hoeveelheid/hoeveelheden hasjiesj en/of hennep en/of cocaïne ,en/of vanuit het grondgebied van Bonaire (telkens) naar het grondgebied van Nederland brengen van één of meerdere hoeveelheid/hoeveelheden hasjiesj en/of hennep en/of cocaïne, zijnde hasjiesj en/of hennep en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van Pro de Opiumwet BES 1960, en/of (een) middel(en)als bedoeld in lijst II van de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van artikel 3, eerste lid onder f Opiumwet BES 1960, te bereiden en/of te bevorderen
waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
 veelvuldig onderling en/of met anderen (telefonisch en/of via WhatsApp of door het anderszins versturen van berichten welke op de telefoon werden gelezen en/of beluisterd) contacten heeft/hebben gehad en onderhouden, en/of
 de woning gelegen te [adres 1], althans één of meerdere woning(en) en/of pand(en) gelegen te Bonaire voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben gebruikt en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die (mede) bestemd was/waren tot het plegen van die feiten, en/of
 informatie heeft/hebben vergaard omtrent soortgelijke opiumtransport(en), en/of
 één of meerdere mensen heeft/hebben bewogen tot het als koerier(s) fungeren in voornoemde transport(en) van verdovende middelen.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak
Het Gerecht is van oordeel dat het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Wil er sprake kunnen zijn van een organisatie in de zin van artikel 146 van Pro het Wetboek van Strafrecht BES, dan moet daarin een gestructureerd samenwerkingsverband aanwijsbaar zijn waarin de deelnemers aan de organisatie in een zekere duurzaamheid, met enige continuïteit samenwerken ter verwezenlijking van een bepaald oogmerk, met name het plegen van misdrijven.
Het onderzoek van het openbaar ministerie berust op de verdenking dat verdachte, in samenwerking met anderen, verantwoordelijk is voor de invoer van softdrugs van Nederland naar Bonaire en de uitvoer van harddrugs van Bonaire naar Nederland.
Softdrugs
Als bewijs voor het transport van en handel in softdrugs moet dienen een tapgesprek op 12 maart 2018. Het gesprek werd gevoerd tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 1], vermoedelijk toebehorende aan de verdachte en het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 1] toebehorende aan de medeverdachte [medeverdachte 1], hierna te noemen: “[roepnaam medeverdachte 1]”. Tijdens dat gesprek werden door de persoon die gebruik maakt van het nummer eindigend op [nummers telefoonnummer 1] uitspraken gedaan als: “Je had de zwarte platen niet aan hem moeten geven. De zwarte platen zijn van mij alleen.”, “Daarin zitten er vier platen, welke hetzelfde zijn als de achthonderd die ik eerst voor jou heb gestuurd.” “Je had het niet moeten accepteren. Dat ding was voor jou, zodat het de straat opgaat”.
Namens de verdediging is betwist dat het telefoonnummer eindigend op [nummers telefoonnummer 1] door verdachte is gebruikt. Echter het Gerecht gaat ervan uit dat het verdachte is geweest die via dit nummer gesprekken heeft gevoerd met [roepnaam medeverdachte 1] nu er meerdere aanwijzingen zijn dat dit nummer bij verdachte hoort en door hem wordt gebruikt (onder meer een boeking bij [bedrijfsnaam 1], gegevens betreffende de verscheping van een scooter, verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]) terwijl verdachte zelf zich slechts beroept op zijn zwijgrecht en derhalve met geen enkele (verifieerbare) verklaring komt die ruimte geeft voor twijfel.
In dat ene genoemde gesprek van 12 maart 2018 wordt gesproken over “zwarte platen”, waarvan algemeen bekend is dat daarmee hasj wordt bedoeld. Gelet ook op de verdere inhoud van het gesprek gaat het Gerecht ervan uit dat het hier gaat over (de handel in) softdrugs. Verder is echter omtrent (de betrokkenheid van verdachte bij) het transport van/ handel in softdrugs niets vastgesteld. Weliswaar is verdachte volgens observatie op 2 juni 2018 in gezelschap van een persoon naar Bonaire gereisd, welke persoon in het bezit bleek te zijn van softdrugs, maar deze persoon ontkent elke betrokkenheid van verdachte of een ander bij zijn voorhanden hebben van softdrugs.
Er is dan ook, naar het oordeel van het Gerecht, onvoldoende bewijs om transport van /handel in softdrugs in bedoelde periode aan te nemen.
Harddrugs
Uit tapgesprekken van 28 maart 2018 blijkt dat nadat bij een persoon op 27 maart 2018 op het vliegveld van Bonaire drie potjes met cocaïne zijn aangetroffen, deze gang van zaken intensief tussen de verdachte en [roepnaam medeverdachte 1] wordt besproken. Tijdens die gesprekken worden uitlatingen gedaan als: “Broeder, de mannen hebben het erover dat er aan die kant dinges gevallen is.”, “De man die jouw neef gestuurd heeft.”, “De man staat aan deze kant op de man te wachten”, “Broeder, die vent heeft alles verknoeid.”, “Zij hebben de “kaya”verknoeid. Wij moeten nu even rustig zijn”. Het Gerecht leidt uit deze tapgesprekken af dat verdachte en [roepnaam medeverdachte 1] betrokken zijn bij het transport van cocaïne.
Organisatie
Gelet op het verwijt dat verdachte wordt gemaakt zal het Gerecht om te beginnen moeten vaststellen dat er sprake is van een organisatie: twee of meer personen die een samenwerkingsverband hebben met een zekere duurzaamheid en structuur, en dat dit samenwerkingsverband het oogmerk had om bepaalde misdrijven te plegen.
Nu verdachte zelf niets heeft verklaard, [roepnaam medeverdachte 1] daarover geen uitlatingen heeft gedaan, andere verdachten in het onderzoek evenmin en er geen (ander) ondersteunend bewijs voorhanden is, zal een en ander uit de tapgesprekken duidelijk moeten worden. Uit die gesprekken is het Gerecht echter onvoldoende gebleken van zo’n structureel en duurzaam samenwerkingsverband.
Het betreft tapgesprekken gevoerd op één dag tussen twee personen waaruit, naar het oordeel van het Gerecht, geen duidelijke of aannemelijke conclusies kunnen worden getrokken over de omvang en de duur van het plegen van drugsmisdrijven. Uit de gesprekken volgt evenmin een redelijk beeld van de veronderstelde organisatie (wie neemt waaraan deel, wie doet wat, welke concrete handelingen worden waar verricht ter bijdrage aan de organisatie en het plegen van misdrijven). Er is geen sprake van uiteenlopende aspecten van drugshandel die telkens onderwerp van gesprek zijn. Er is evenmin sprake van een locatie als sturend element.
Nu het bestaan van een organisatie niet wordt aangenomen, kunnen de overige criteria die gelden voor het kunnen aannemen van het bestaan van een misdadige organisatie onbesproken blijven.
Wel hecht het Gerecht er nog aan op te merken dat de in tenlastelegging genoemde concrete handelingen (veelvuldig contact onderhouden, panden gebruiken of ter beschikking stellen, informatie vergaren over soortgelijke opiumtransporten en het anderen bewegen tot het fungeren als koerier) geen of onvoldoende steun vinden in het dossier.
De verdachte zal gelet op het voorgaande worden vrijgesproken van de tenlastegelegde deelname aan een misdadige organisatie.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos, bijgestaan door
mr. M.D.M. Connor, (zittingsgriffier), en op 13 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
uitspraakgriffier: