Girobank vordert betaling van een bedrag van ANG 17.940,-- van [gedaagde] op grond van een borgtochtovereenkomst verbonden aan een geldleningsovereenkomst met haar broer. De broer van [gedaagde] is tekortgeschoten in zijn betalingsverplichtingen, waarna Girobank zich tot [gedaagde] als borg wendde.
[Gedaagde] betwist de borgstellingsovereenkomst en voert daarnaast verjaring aan. Het gerecht stelt vast dat de vordering op de borg een zelfstandig recht is met een eigen verjaringstermijn die apart moet worden gestuit. Hoewel er discussie is over de verjaring van de vordering op de hoofdschuldenaar, is niet gebleken dat de verjaring tegenover [gedaagde] tijdig is gestuit.
De eerste aanmaning aan [gedaagde] vond pas plaats op 15 juni 2020, ruim na het verstrijken van de vijfjarige verjaringstermijn. Er is ook geen erkenning van de schuld door [gedaagde] gesteld of gebleken. Daarom is de vordering van Girobank op [gedaagde] verjaard en wordt deze afgewezen. Girobank wordt veroordeeld in de proceskosten.