ECLI:NL:OGEABES:2025:151

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
BON202500577
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming wegens onderverhuur in strijd met huurovereenkomst

In deze zaak heeft de eiser, wonende in Nederland, een kort geding aangespannen tegen de gedaagde, wonende op Bonaire, met als doel de ontruiming van een woning. De eiser heeft de huurovereenkomst ontbonden omdat de gedaagde de woning in strijd met een verbod uit de huurovereenkomst aan derden heeft onderverhuurd. De mondelinge behandeling vond plaats op 8 december 2025, waarbij beide partijen vertegenwoordigd waren door hun gemachtigden. De rechter heeft op 22 december 2025 uitspraak gedaan.

De gedaagde huurt sinds 1 februari 2018 een woning voor een huurprijs van USD 550,00 per maand. In de huurovereenkomst is een expliciet verbod opgenomen op onderverhuur zonder toestemming van de verhuurder. De eiser heeft op 14 oktober 2025 de huurovereenkomst ontbonden en de gedaagde verzocht de woning te ontruimen. De rechter heeft vastgesteld dat de gedaagde de woning zonder toestemming heeft onderverhuurd aan zijn werknemers, wat een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst vormt.

De rechter heeft geoordeeld dat de gedaagde de woning binnen vier weken na betekening van het vonnis moet ontruimen. Tevens is de gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die zijn begroot op USD 1.109,00. De beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de gedaagde de ontruiming moet opvolgen, ook als hij in hoger beroep gaat.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500577
datum beslissing: 22 december 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Nederland,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. H.S. Johannes.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 12 november 2025 op de griffie van dit gerecht ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 december 2025. [eiser] is digitaal via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Johannes. De spreekaantekeningen die mr. Johannes heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat op 22 december 2025 schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1. [
gedaagde] huurt een woning van [eiser]. [eiser] heeft de huurovereenkomst ontbonden, omdat haar gebleken is dat [gedaagde] de woning aan derden heeft onderverhuurd. [eiser] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. Die vordering wordt toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.
3. De beoordeling
De achtergrond van het geschil
3.1. [
gedaagde] huurt sinds 1 februari 2018 een woning aan de [adres] te Bonaire (hierna: het gehuurde) voor een huurprijs van USD 550,00 per maand. In de huurovereenkomst staat onder meer:
“10. Het is huurder niet toegestaan om het gehuurde onder te verhuren aan derden. In geval van onderhuur van het gehuurde zonder toestemming van de verhuurder, zal de huurovereenkomst per direct worden beëindigd.”
3.2. [
eiser] heeft het gehuurde op 14 juli 2025 vrij van huur verkocht aan een derde. [eiser] en de koper zijn 1 november 2025 als leveringsdatum overeengekomen. De levering heeft niet plaats kunnen vinden, omdat [gedaagde] nog in het gehuurde woont.
3.3.
Op 14 oktober 2025 heeft [eiser] een brief gestuurd aan [gedaagde]. In die brief staat dat [eiser] de huurovereenkomst per direct ontbindt, omdat [gedaagde] in strijd met het verbod uit de huurovereenkomst de woning aan derden heeft onderverhuurd.
3.4.
De brief van 14 oktober 2025 is door de deurwaarder aan [gedaagde] betekend. In een e-mailbericht aan [eiser] heeft de deurwaarder geschreven dat [gedaagde] bij het betekenen van die brief niet in het gehuurde aanwezig was en dat een bewoner van het gehuurde verklaarde dat [gedaagde] een kamer heeft verhuurd aan de op dat moment aanwezigen bewoners in het gehuurde.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen
3.5.
Het gaat in deze kort gedingprocedure om een gevorderde voorlopige voorziening. Het gerecht moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
3.6. [
gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Als voldoende aannemelijk is dat [eiser] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, betekent het dat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. In dat geval heeft [eiser] er belang bij dat spoedig tot een ontruiming van het gehuurde wordt overgegaan, zeker in het licht van de voorgenomen levering van de woning. De vorderingen van [eiser] zullen hierna inhoudelijk behandeld worden.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
3.7.
Het gerecht stelt voorop dat de huurovereenkomst een verbod bevat op onderverhuur van het gehuurde aan een derde, indien dat gebeurt zonder toestemming van [eiser].
3.8. [
gedaagde] verweert zich tegen de vordering tot ontruiming dat hij de woning niet heeft verlaten of heeft onderverhuurd aan derden. Daarin wordt hij niet gevolgd. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij voor de duur van zeventien maanden in het buitenland verbleef vanwege medische redenen en dat gedurende die gehele periode andere mensen in het gehuurde woonden. Volgens [gedaagde] verbleven zijn werknemers in het gehuurde en hield hij een bedrag in op hun salaris ten behoeve van het water- en elektriciteitsgebruik, internet en kosten voor de airco’s van het gehuurde. Naar het oordeel van het gerecht kunnen deze omstandigheden niet anders uitgelegd worden dan dat [gedaagde] de woning aan zijn werknemers heeft onderverhuurd. [gedaagde] heeft het gehuurde namelijk tegen een bepaalde prijs aan zijn werknemers ter beschikking gesteld.
3.9. [
gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] wist dat hij het gehuurde voor bewoning aan zijn werknemers ter beschikking heeft gesteld. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een geluidsfragment overgelegd van een telefoongesprek tussen hem en [eiser]. Naar het oordeel van het gerecht blijk uit het geluidsfragment niet dat [eiser] op de hoogte was van de situatie dat werknemers van [gedaagde] in het gehuurde woonden. Laat staan dat [eiser] daarvoor toestemming heeft gegeven. Uit het geluidsfragment blijkt dat werknemers van [gedaagde] op het perceel en/of in de woning kwamen. Dat wordt ook niet door [eiser] betwist. Maar [eiser] heeft aangevoerd dat de spullen van het bedrijf van [gedaagde] op het perceel van het gehuurde opgeslagen lagen en dat zij in de veronderstelling was dat werknemers die spullen kwamen halen of brengen en niet dat zij in het gehuurde woonden. Omdat in het geluidsfragment niet door [gedaagde] is gezegd dat zijn werknemers in de woning wonen, is die verklaring van [eiser] begrijpelijk.
3.10. [
gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij de huur altijd op tijd en volledig heeft voldaan en zich altijd heeft gedragen als goede huurder. Hoewel [gedaagde] mogelijk de huur altijd op tijd en volledig heeft betaald, neemt dat niet weg dat hij het gehuurde in strijd met het verbod uit de huurovereenkomst en zonder toestemming van [eiser] heeft onderverhuurd aan derden. Zeker gelet op het uitdrukkelijke verbod daarop in de huurovereenkomst, had [gedaagde] moeten beseffen dat hij daarmee juist niet als goed huurder handelde.
3.11.
Ten slotte heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat volgens het huurrecht op Bonaire geldt dat de huur niet wordt verbroken door de verkoop van het gehuurde. Hoewel [eiser] het gehuurde heeft verkocht, heeft zij de huurovereenkomst niet ontbonden vanwege de verkoop van het gehuurde. De huurovereenkomst is ontbonden vanwege verboden onderverhuur.
3.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in strijd met de huurovereenkomst het gehuurde heeft onderverhuurd aan derden. De verboden onderverhuur is een ernstige tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het is voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure komt vast te staan dat de huurovereenkomst terecht is ontbonden en [gedaagde] daarom zonder recht of titel in de woning verblijft en het gehuurde daarom moet verlaten. De gevorderde ontruiming zal daarom worden toegewezen.
[gedaagde] moet het gehuurde binnen vier weken ontruimen
3.13. [
eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehuurde binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen. [gedaagde] vraagt het gerecht de ontruiming niet eerder toe te wijzen dan drie tot negen maanden na dit vonnis.
3.14.
De termijn waarbinnen [gedaagde] het gehuurde moet ontruimen zal in redelijkheid worden bepaald op vier weken na betekening van dit vonnis. Bij het bepalen van deze ontruimingstermijn is rekening gehouden met de omstandigheid dat [eiser] sinds het opzeggen van de huurovereenkomst [gedaagde] geholpen heeft met het vinden van andere woonruimte. Bovendien is gebleken dat aan [gedaagde] andere woonruimte aangeboden is, maar hij die woonruimte om hem moverende redenen heeft afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.15. [
gedaagde] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op USD 251,00 aan griffierecht, USD 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift, USD 559,00 aan salaris gemachtigde (tarief eenvoudig kort geding) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
3.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.17.
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Hiertegen heeft [gedaagde] ook geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van [gedaagde] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
beveelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te Bonaire met alle personen en zaken die zich van de kant van [gedaagde] in en om de woning bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen;
4.2.
verstaat dat, indien [gedaagde] niet aan de veroordeling onder 4.1. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv BES) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo. 444 lid 2 Rv BES;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van USD 1.109,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW BES over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.5.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.