ECLI:NL:OGEABES:2025:153

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
BON202500624
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor vakantie met minderjarigen naar het buitenland

In deze zaak heeft de vader, wonende te Bonaire, een verzoek ingediend om vervangende toestemming te verkrijgen voor een vakantie met zijn minderjarige kinderen naar Colombia. De moeder, die het eenhoofdig gezag over de kinderen heeft, verleent geen toestemming voor deze reis. De vader heeft zijn verzoek gegrond op artikel 1:253a BW BES, dat vereist dat er sprake is van gezamenlijk gezag om een verzoek tot vervangende toestemming in te dienen. Het gerecht heeft vastgesteld dat de vader niet voldoet aan dit vereiste, aangezien de moeder alleen het gezag heeft. Daarnaast heeft de vader niet aangetoond dat de reis in het belang van de minderjarigen is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij Colombia wil bezoeken om het land te leren kennen, maar hij heeft geen familie daar en zijn partner is ook niet van Colombiaanse afkomst. Het gerecht heeft geoordeeld dat de reis niet in het belang van de jonge kinderen is en heeft het verzoek van de vader afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500624
datum beslissing: 16 december 2025
Vonnis in kort geding
op het verzoek van
[eiser],
wonende te Bonaire,
eisende partij,
hierna: de vader,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: de moeder,
procederend in persoon,
betreffende de minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1],geboren op [geboortedatum] 2022 te Bonaire,
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2023.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is gekend: de
Voogdijraad Caribisch Nederland(hierna: de Voogdijraad).

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 9 december 2025 op de griffie van het gerecht ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. De vader is verschenen, bijgestaan – via videoverbinding – door mr. D.G. Kock (kantoorgenoot van mr. Winkel). Namens de Voogdijraad was mevrouw [medewerker Voogdijraad] aanwezig.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het (eenhoofdig) gezag over de minderjarigen.
2.2.
De minderjarigen wonen zeven dagen per week bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De vader wil op 20 december 2025 tot en met 9 januari 2026 met de minderjarigen voor vakantie naar Colombia reizen en daar verblijven. De moeder verleent daarvoor geen toestemming. De vader verzoekt het gerecht daarom om vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar Colombia te reizen.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
In een kortgedingprocedure moet het gerecht ambtshalve (dus ook als daartegen geen verweer is gevoerd) beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang.
4.2.
Omdat de vader met de minderjarigen op 20 december 2025 wil reizen en hij daarvoor niet de benodigde toestemming van de moeder heeft verkregen, is het spoedeisend belang van de vader bij het verzoek aanwezig.
Vervangende toestemming wordt niet gegeven
4.3.
De vader heeft zijn verzoek gegrond op artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES). Op grond daarvan kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.4.
In het onderhavige geval is sprake van eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarigen. Daarom heeft de vader in het kader van artikel 1:253a BW BES geen recht op de door hem gevraagde vervangende toestemming die ziet op de reis met de minderjarigen naar Colombia. Een vereiste voor toepassing van deze bepaling is namelijk dat partijen gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitoefenen. Het verzoek van de vader is alleen daarom al niet toewijsbaar.
4.5.
Daar komt bij dat de vader niets heeft gesteld over het belang van de minderjarigen bij de voorgenomen reis. Op de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat hij graag Colombia wil bezoeken om het land te leren kennen. Hij heeft geen familie in Colombia wonen en zijn huidige partner is ook niet in Colombia geboren. Het is het gerecht niet gebleken dat de reis naar Colombia in het belang van de minderjarigen, jonge kinderen van twee en drie jaar oud, is.
4.6.
De vader heeft in zijn verzoekschrift nog gesteld dat de moeder tijdens een gesprek tussen de ouders en de Voogdijraad heeft toegezegd akkoord te zijn met de voorgenomen reis naar Colombia, maar tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat die toestemming voor deze specifieke reis niet door de moeder gegeven is.
4.7.
De proceskosten zullen, vanwege het familierechtelijke karakter van de procedure, worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
wijst de verzoeken van de vader af,
5.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.