Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEABES:2025:155

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
BON202500584
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen bouwstop en sloop in burengeschil op Bonaire

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers, buren van gedaagde, een bouwstop, afbraak van bouwwerkzaamheden en een verbod tot voortzetting van bouwactiviteiten op aangrenzende erfpachtpercelen te Bonaire. Eisers stellen dat gedaagde zonder geldige vergunning bouwt en het sloopplan niet uitvoert.

De rechtbank oordeelt dat de bouwvergunning van 2002 onherroepelijk is vervallen, maar dat niet is gebleken dat er momenteel onrechtmatige bouwwerkzaamheden plaatsvinden aan de straatzijde. De bouwwerkzaamheden die vóór 2014 zijn verricht hoeven niet te worden gesloopt. Het kantoor dat na 2014 is gebouwd zonder vergunning vormt geen onrechtmatige hinder jegens eisers.

Ten aanzien van de zeezijde is vastgesteld dat gedaagde een sloopplan moet uitvoeren, maar dat niet is gebleken dat het niet uitvoeren daarvan op dit moment onrechtmatig is. Ook de vermeende vermindering van parkeerplaatsen leidt niet tot onrechtmatige hinder. De vorderingen worden daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten, die nihil worden begroot omdat gedaagde in persoon is verschenen.

Uitkomst: De vorderingen tot bouwstop, sloop en verbod op voortzetting van bouwwerkzaamheden worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van onrechtmatigheid.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500584
datum beslissing: 23 december 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van

1.[eisende partij 1],

2.
[eisende partij 2],
beide wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
eisende partij,
hierna: [eisers],
gemachtigde: mr. T.J. Leijsen,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 18 november 2025;
- de akte van 8 december 2025 met aanvullende producties van [eisers];
- de akte van 9 december 2025 met producties van [gedaagde];
- drie e-mailberichten van de gemachtigde van [eisers] met foto’s.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. [eisers] is digitaal via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door mr. Leijsen. [gedaagde] is ook verschenen.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar. [eisers] stelt dat [gedaagde] verschillende bouwwerkzaamheden uitvoert zonder de benodigde vergunningen. Daarmee handelt [gedaagde] volgens [eisers] onrechtmatig. [eisers] vordert - kortgezegd – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om bouwwerkzaamheden te staken, verrichte bouwwerkzaamheden af te breken en dat het [gedaagde] wordt verboden bouwwerkzaamheden voort te zetten. De vorderingen van [eisers] worden afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1. [
eisers] is eigenaar van drie erfpachtpercelen die plaatselijk bekend zijn als [adres] te Bonaire. [gedaagde] is eigenaar van drie aangrenzende erfpachtpercelen die plaatselijk bekend zijn als [adres] te Bonaire.
3.2.
De situatie ter plaatse blijkt uit de volgende afbeelding die door [eisers] als productie 3 bij haar verzoekschrift is overgelegd. Het blauw en geel omcirkelde gedeelte op de foto zijn erfpachtpercelen van [gedaagde]. De aangrenzende percelen daarboven zijn de erfpachtpercelen van [eisers] In dit vonnis zal hierna het blauw omcirkelde gedeelte van het erfpachtperceel van [gedaagde] worden aangeduid als ‘de straatzijde’ en het geel omcirkelde gedeelte van het erfpachtperceel van [gedaagde] als ‘de zeezijde’.
Spoedeisend belang
3.3.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet.
3.4. [
gedaagde] wordt niet gevolgd in haar stelling dat [eisers] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Als voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatige bouwwerkzaamheden verricht die onrechtmatig zijn tegenover [eisers], heeft [eisers] er belang bij dat die werkzaamheden zo spoedig mogelijk worden gestaakt. [eisers] is daarom ontvankelijk in haar vorderingen.
De vorderingen van [eisers]
3.5. [
eisers] heeft drie verschillende vorderingen ingesteld die in de kern op het volgende neerkomen: een vordering tot het opleggen van een bouwstop voor bouwactiviteiten aan de straatzijde, een vordering om [gedaagde] te bevelen bouwactiviteiten aan de straatzijde die in strijd met een bouwvergunning zijn verricht te verwijderen en een vordering tot het opleggen van een bouwstop en het uitvoeren van een sloopplan aan de zeezijde. De vorderingen die betrekking hebben op de straatzijde en de zeezijde zullen hierna afzonderlijk besproken worden.
De straatzijde
3.6.
Op 8 april 2002 is aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] een bouwvergunning verleend voor bouwwerkzaamheden op het erfpachtperceel aan de straatzijde. De vergunde bouwwerkzaamheden zijn destijds direct aangevangen en er is een garage en een erfafscheiding gebouwd. Na het afronden van die bouwwerkzaamheden hebben de bouwactiviteiten ongeveer tien jaar stil gelegen. Na die periode dat de bouwwerkzaamheden stil hebben gelegen, is door de rechtsvoorganger van [gedaagde] verder gebouwd. Daartegen hebben buren, niet zijnde [eisers], bezwaar gemaakt en een beroepsprocedure gevoerd. Op 5 september 2014 heeft de bestuursrechter van dit gerecht uitspraak gedaan in die beroepsprocedure. Het gerecht heeft geoordeeld dat de bouwvergunning van 8 april 2002 wegens verloop van tijd kennelijk van rechtswege vervallen is en als bouwwerkzaamheden moeten worden voortgezet daarvoor een nieuwe vergunning vereist is. [1] Omdat de eisers in die procedure op wilden komen tegen een bouwvergunning die niet meer bestaat, zijn zij door het gerecht in hun beroep niet-ontvankelijk verklaard.
3.7. [
eisers] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig handelt door nieuwe bouwwerkzaamheden te verrichten aan de straatzijde zonder dat daar een bouwvergunning voor is verleend. Volgens [eisers] volgt uit door haar overgelegde foto’s welke bouwwerkzaamheden aan de straatzijde door [gedaagde] worden gerealiseerd. Zij vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bouwwerkzaamheden aan de straatzijde te staken en gestaakt te houden en de bouwwerkzaamheden die zijn verricht zonder de daartoe vereiste vergunning af te breken en te verwijderen.
3.8. [
gedaagde] heeft erkend dat na 5 september 2014 door haar vader een kantoor aan de straatzijde is bijgebouwd, maar voert aan dat op dit moment geen bouwwerkzaamheden plaatsvinden en dat zij niet van plan is bouwwerkzaamheden aan de straatzijde op te starten. Bovendien is volgens [gedaagde] de bouwvergunning van 8 april 2002 niet vervallen.
3.9. [
gedaagde] wordt niet gevolgd in haar stelling dat de bouwvergunning van 8 april 2002 niet vervallen is. In de uitspraak van 5 september 2014 is onherroepelijk beslist dat de bouwvergunning van 8 april 2002 is vervallen en voor nieuwe bouwwerkzaamheden een nieuwe vergunning vereist is.
3.10.
Dat op dit moment door [gedaagde] bouwwerkzaamheden plaatsvinden aan de straatzijde is door [eisers] onvoldoende onderbouwd. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eisers] foto’s aan het gerecht laten zien waaruit zou blijken dat er bouwwerkzaamheden aan de straatzijde plaatsvinden, maar dat heeft het gerecht niet overtuigd. [eisers] heeft onvoldoende concreet onderbouwd welke specifieke – in strijd met de bouwvergunning verrichte – bouwwerkzaamheden er aan de straatzijde plaatsvinden of plaats hebben gevonden ná de uitspraak van 5 september 2014. Dat is niet op de door de gemachtigde van [eisers] getoonde foto’s te zien en de stellingen in het verzoekschrift daarover zijn onvoldoende bepaald. Voor zover [eisers] heeft bedoeld dat de bouwwerkzaamheden die vóór 5 september 2014 plaats hebben gevonden moeten worden gesloopt omdat de vergunning van 8 april 2002 door het gerecht vervallen is verklaard, wordt zij niet in dat standpunt gevolgd. In de uitspraak van 8 april 2002 is slechts door het gerecht geoordeeld dat de bouwvergunning waartegen beroep is ingesteld van rechtswege vervallen is. Een besluit, van bijvoorbeeld het Openbaar Lichaam Bonaire, dat de bouwvergunning van 8 april 2002 met terugwerkende kracht is ingetrokken is niet gesteld of gebleken. Bovendien zou die vordering, nu het dan zou gaan om bebouwing die al meer dan 10 jaar aanwezig is, niet spoedeisend zijn.
3.11. [
gedaagde] heeft erkend dat haar vader na 5 september 2014 aan de straatzijde een kantoor heeft gebouwd. Nu daarvoor – in weerwil van de uitspraak van 5 september 2014 – geen nieuwe bouwvergunning is aangevraagd, is daarmee sprake van een onrechtmatige situatie. [eisers] hebben echter onvoldoende onderbouwd dat daarmee ook sprake is van onrechtmatige hinder jegens hen. Gesteld noch gebleken is dat door dit kantoor inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers], bijvoorbeeld door het wegnemen van zon- of licht, door geluid- of stankoverlast of door zicht op hun perceel. Voor een veroordeling tot het afbreken van dit kantoor is er dan ook geen grond. Overigens geldt dat [gedaagde] zich tijdens de mondelinge behandeling bereid heeft verklaard het kantoor af te breken.
3.12.
De vorderingen van [eisers] ten aanzien van het erfpachtperceel aan de straatzijde worden gelet op het voorgaande afgewezen.
De zeezijde
3.13.
Vanwege een brand in 2007 is de tweede verdieping van het gebouw aan de zeezijde beschadigd geraakt. Op 18 mei 2016 is aan de rechtsvoorganger van [gedaagde] een bouwvergunning verleend om de tweede verdieping te herbouwen. Onderdeel van de bouwvergunning is een sloopplan op grond waarvan [gedaagde] verplicht is een muur op de tweede verdiepingsvloer te verwijderen.
3.14. [
eisers] stelt dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar handelt door bouwwerkzaamheden aan de zeezijde uit te voeren die in strijd zijn met de bouwvergunning van 18 mei 2016. Op de mondelinge behandeling heeft de rechter aan de gemachtigde van [eisers] gevraagd de gestelde onrechtmatige gedragingen te concretiseren. Daarop heeft de gemachtigde van [eisers] verklaard dat de onrechtmatige gedragingen betrekking hebben op het niet uitvoeren van een sloopplan dat bij de bouwvergunning van 18 mei 2016 hoort en het verdwijnen van enkele parkeerplaatsen.
3.15.
Het is niet in geschil dat [gedaagde] op grond van de bouwvergunning van 18 mei 2016 en het bijbehorende sloopplan een buitenmuur op de tweede verdieping moet verwijderen. Maar in de bouwvergunning staat niet op welk moment aangevangen moet worden met het sloopplan. Nergens uit blijkt dat eerst het sloopplan uitgevoerd moet worden voordat aangevangen mag worden met de bouwwerkzaamheden aan de zeezijde. Het is daarom onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] op dit moment onrechtmatig tegenover [eisers] handelt omdat vooralsnog geen uitvoering is gegeven aan het sloopplan.
3.16.
Ten aanzien van de parkeerplaatsen heeft [eisers] verwezen naar een uitspraak van 1 september 2017 van de bestuursrechter van dit gerecht. [2] Daarin heeft het gerecht overwogen dat voldaan moet worden aan de beleidsmatig door het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) gehanteerde norm van 1 parkeerplaats per woning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij met haar gezin in de woning gaat wonen en de woning niet gaat verhuren. [gedaagde] voldoet daarmee aan de norm van het OLB van één parkeerplaats per woning. Overigens geldt ook hier dat, ook al zou [gedaagde] op dit punt in strijd met de vergunning handelen, gelet haar verklaring over de voorgenomen bewoning niet valt in te zien welke hinder [eisers] van het vervallen van enkele parkeerplaatsen kunnen hebben.
3.17.
Het voorgaande brengt met zich dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] tegenover [eisers] onrechtmatig handelt met betrekking tot de werkzaamheden aan de zeezijde. De vordering van [eisers] tot een bouwstop aan de zeezijde en een gebod aan [gedaagde] om uitvoering te geven aan het sloopplan zal worden afgewezen.
3.18.
Ten overvloede overweegt het gerecht het volgende. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij met het OLB in contact wilt treden om te zien of zij kan voorkomen dat de buitenmuur op de tweede etage gesloopt hoeft te worden. Hoewel het [gedaagde] vrij staat om contact op te nemen met het OLB, moet zij uitvoering geven aan het sloopplan. De rechtsvoorganger van [gedaagde] is in een procedure bij dit gerecht opgekomen tegen het sloopplan. In de uitspraak van 1 september 2017 heeft de bestuursrechter van dit gerecht de bezwaren van de rechtsvoorganger van [gedaagde] tegen het sloopplan ongegrond verklaard. Daarmee is het sloopplan onherroepelijk geworden en moet de buitenmuur op de tweede verdieping verwijderd zijn voordat [gedaagde] de bouwwerkzaamheden aan de zeezijde heeft afgerond en zij het voltooien van de werkzaamheden overeenkomstig de bouwvergunning van 18 mei 2016 aan de Directie Toezicht en Handhaving heeft gemeld.
Proceskosten
3.19. [
eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Omdat [gedaagde] in persoon verschenen is en zij zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, zullen haar proceskosten op nihil worden begroot.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.20.
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Een kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Hiertegen heeft [gedaagde] ook geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van [gedaagde] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.

4.De beslissing

Het gerecht, rechtdoende in kort geding:
4.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;
4.2.
veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De uitspraak van 5 september 2014 is bekend onder zaaknummer: War BES: 13 van 2014.
2.De uitspraak van 1 september 2017 is bekend onder zaaknummer: War 2016/18.