ECLI:NL:OGEABES:2025:32

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
BON202200217
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:27 BWArt. 3:174 BWArt. 3:181 BWArt. 3:200a BW BESArt. 3:200b BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging verkoop en regeling verdeling oude boedelpercelen Yatu Baku en Washikemba op Bonaire

Deze zaak betreft de onroerende zaken Yatu Baku en Washikemba op Bonaire, die deel uitmaken van een langdurig onverdeeld gebleven nalatenschap van Andreas de Palm, overleden in 1935. Verzoekers stelden zich op het standpunt de enige erfgenamen te zijn, doch tientallen belanghebbenden meldden zich met bewijs van afstamming. Door het grote aantal deelgenoten en onvindbaarheid van velen is een gewone verdeling niet haalbaar.

Het gerecht overwoog dat de percelen tot de nalatenschap behoren en dat toepassing van artikel 3:200a e.v. BW BES, die toekenning aan gebruikers of verkoop mogelijk maakt, de enige reële oplossing is. Verzoekers hebben subsidiair een verzoek gedaan tot toepassing van deze regeling. Na openbare oproeping meldden zich vele belanghebbenden, die het voorstel van verzoekers tot opdeling afwezen en voorkeur gaven aan verkoop en verdeling van de opbrengst.

Het openbaar lichaam Bonaire (OLB) toonde interesse in verwerving van de percelen tegen een prijs gebaseerd op het Besluit Grondwaarden 2010, maar belanghebbenden achten deze prijs onredelijk laag. Het gerecht machtigt nu vertegenwoordigers van de drie staken deelgenoten tot verkoop en levering van de percelen binnen een termijn van twee jaar. Bij uitblijven van verkoop krijgt het OLB de gelegenheid tot aankoop, waarna eigendom aan het OLB kan worden toegekend onder verplichting tot ontwikkeling en uitgifte.

De verkoopopbrengst wordt verdeeld waarbij de helft direct wordt uitgekeerd aan verschenen deelgenoten en de andere helft als zekerheid wordt gehouden voor aanspraken van niet-verschenen deelgenoten, die vijf jaar na kracht van gewijsde vervallen. De beschikking wordt openbaar gemaakt en iedere partij draagt eigen proceskosten.

Uitkomst: De primaire vordering tot eigendomsuitwijzing wordt afgewezen; machtiging tot verkoop wordt verleend met regeling voor verdeling opbrengst en mogelijkheid tot verwerving door het openbaar lichaam.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABAzittingsplaats Bonaire
Zaaknummer: BON202200217
Datum uitspraak: 7 augustus 2025
Beschikking in de zaak met betrekking tot de onroerende zaken gelegen te
YATU BAKU(49.200 m²)
op Bonaire
kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 50, groot 49.200 m² (kunuku),
welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van
Andres de Palm, verkregen bij notariële akte van verkoop en koop,
en
OMGEVING WASHIKEMBA(274.250 m²)
op Bonaire
kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 47, groot 274.250 m² (kunuku),
welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van
Andres de Palm, verkregen bij notariële akte van verkoop en koop,
hierna: de percelen,
van:
[VERZOEKERS 1 t/m 10],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
verzoekers,
met als in het geding verschenen belanghebbenden:
[BELANGHEBBENDEN 11 t/m 54]
en:
HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,
gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 12 mei 2022;
- de uitspraak van 29 maart 2023 (
zaak omzetten naar verzoek ex artikel 3:200a BW?);
- de uitspraak van 12 juli 2023 (
afwijzing 3:27 BW en voortprocederen 3:200a BW);
- de openbare oproep van belanghebbenden;
- de uitspraak van 14 juli 2023 (
uitlating OLB over prijs bij eventuele verwerving);
- de uitspraak van 1 juli 2024 (
uitlating FCB over interesse verwerving);
- de uitspraak van 11 februari 2025 (
uitlating over tegeldemaking).
1.2.
Na de uitspraak van 11 februari 2025 zijn de volgende processtukken ingediend:
- de aktes van mr. Nicolaas namens verzoekers (
machtigingen; koopaanbod);
- de aktes van belanghebbenden (
machtigingen);
- de aktes van belanghebbende 21;
- de akte van mr. Peeters namens OLB.
1.3.
De ter griffie ingekomen aanmeldingen als belanghebbenden zijn verwerkt in het overzicht van belanghebbenden in de hieronder weergegeven beschikking van 12 juli 2023 en in de kop van deze beschikking.
1.4.
Uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Overwegingen uit de tussenbeschikkingen

De overwegingen uit de tussenbeschikkingen, voor zover relevant voor deze eindbeslissing, worden hier herhaald. Onder 3. zal vervolgens de verdere beoordeling worden weergegeven.
Uitspraak 29 maart 2023
De nalatenschap van Andreas de Palm
2.1.
Volgens verzoekers behoren de in de kop van deze beschikking omschreven
onroerende zaken tot de onverdeelde nalatenschap van Andreas de Palm, geboren op 30 november 1871 te Bonaire en overleden op 16 juli 1935 te Bonaire. De percelen staan volgens de respectievelijke inzagen van het Kadaster ten name van ‘Andres de Palm’ en in de onderliggende notariële akten is ‘Andres de Palm’ en ‘A. De Palm’ opgenomen, maar daarmee wordt volgens verzoekers de hiervoor genoemde Andreas de Palm bedoeld. Ter onderbouwing van dat standpunt wijzen verzoekers naar een proces-verbaal van grensregeling van 25 februari 1981 waaruit volgens hen volgt dat de grenzen van het tweede perceel destijds zijn aangewezen door Pedro Lucas de Palm, de zoon van (de toen ook al lange tijd overleden) Andreas de Palm.
2.2.
In hun verzoekschrift hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat Andreas de Palm hun (over)grootvader was en dat verzoekers zijn enige erfgenamen zijn. Ter onderbouwing van die stellingen hebben verzoekers een verklaring van 28 mei 2021 van de sectordirecteur (van het ministerie van) Fiscale Zaken te Willemstad, Curaçao, overgelegd waarin staat dat uit het Centraal Testamentenregister niet is gebleken dat Andreas de Palm bij uiterste wil over zijn nalatenschap heeft beschikt, en een gezinssamenstelling van Andreas de Palm van de afdeling burgerzaken i.o. van het OLB (hierna ook: burgerzaken) van 23 december 2020.
Het verzoek van verzoekers
2.3.
Verzoekers hebben verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat zij als enige erfgenamen van wijlen Andreas de Palm gezamenlijk de rechthebbenden zijn op de percelen en te bepalen dat dit in de openbare registers zal worden vermeld en dat deze uitspraak daarin zal worden ingeschreven.
Belanghebbenden
2.4.
In deze zaak heeft vervolgens een openbare oproeping van mogelijke belanghebbenden plaatsgevonden conform artikel 3:27 van Pro het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW) en artikel 5 onder Pro 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (hierna: Rv) in de Staatscourant en in de krant Extra.
2.5.
Na de openbare oproeping hebben zich tientallen mogelijke belanghebbenden gemeld (zie onder 2.14. voor een overzicht van de personen die zich hebben gemeld). Volgens hen is de gezinssamenstelling van Andreas de Palm van burgerzaken van 23 december 2020 niet volledig en zijn zij ook afstammelingen/erfgenamen van Andreas de Palm. Ter onderbouwing van die stelling zijn onder meer aktes uit de registers van de burgerlijke stand, trouwboekjes en (zelfgemaakte) stambomen overgelegd. Daarnaast heeft een aantal van de mogelijke belanghebbenden een nieuwe gezinssamenstelling aangevraagd bij burgerzaken en aangekondigd deze na ontvangst te zullen nasturen aan het gerecht. De meest recente gezinssamenstellingen van Andreas de Palm van burgerzaken die het gerecht heeft ontvangen dateren van respectievelijk 8 en 23 november 2022 en lijken identiek. In die gezinssamenstellingen zijn aanzienlijk meer kinderen en (achter)kleinkinderen van Andreas de Palm opgenomen dan in de door verzoekers overgelegde gezinssamenstelling van 23 december 2020. Het gerecht zal de gezinssamenstelling van 8 november 2022 op dit moment tot uitgangspunt nemen. Die gezinssamenstelling zal op de website van het gemeenschappelijk hof […] worden geplaatst.
Langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap in de zin van artikel 3:200a e.v.
2.6.
Aan de hand van de hiervoor genoemde stukken is, bij gebreke van sterke aanwijzingen die op het tegendeel wijzen, voldoende aannemelijk dat Andreas de Palm, geboren op 30 november 1871 te Bonaire en overleden op 16 juli 1935 te Bonaire, als Andres de Palm en/of A. de Palm op de respectievelijke inzagen van het Kadaster (versies 9 maart 2021 en 16 november 2020) en de onderliggende notariële aktes staat vermeld.
2.7.
Volgens de gezinssamenstelling van de afdeling burgerzaken is Andreas de Palm op 27 april 1892 gehuwd met Susanna Gijsbertha Bernabela (die geboren is op 8 november 1863 te Bonaire en is overleden op 8 november 1947 te Bonaire) en zijn er uit dat huwelijk acht kinderen geboren ([…]), waarvan er tenminste drie ([…]) ook weer acht of meer kinderen hebben gekregen. Die (klein)kinderen (van Andreas de Palm) zijn geboren tussen 1919 en 1944. Een deel van hen is inmiddels overleden en het is aannemelijk dat een groot deel van hen ook weer kinderen heeft gekregen.
2.8.
Het gerecht gaat er, bij sterke aanwijzingen die op het tegendeel wijzen, vanuit dat Andreas de Palm en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen gehuwd waren en dat de percelen behoren tot hun nalatenschappen.
2.9.
Gelet op het hetgeen hierboven onder 2.7. is overwogen is aannemelijk dat er naast verzoekers en de belanghebbenden die zich inmiddels hebben gemeld nog tientallen dan wel honderden afstammelingen van Andreas de Palm en zijn echtgenote in leven zijn en dat voor een deel van hen zal gelden dat hun aandeel in de nalatenschappen in een (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap valt.
2.10.
Uitgesloten lijkt dan ook dat alle deelgenoten zullen kunnen worden opgespoord. Toepassing van art. 3:200a e.v. BW BES lijkt de enige reële mogelijkheid om de onverdeeldheid op te lossen. Louter een ‘gewone’ verdeling lijkt niet haalbaar.
2.11.
Op grond van het voorgaande dienen de nalatenschappen van Andreas de Palm en zijn echtgenote, die bestaan uit de (onverdeelde aandelen van) de percelen, vooralsnog aangemerkt te worden als langdurig onverdeeld gebleven gemeenschappen als bedoeld in artikel 3:200a e.v. BW BES.
2.12.
Artikel 3:200a t/m 200h van het BW BES kent onder meer de mogelijkheid dat bij zeer oude boedels, waarin door het tijdsverloop zeer vele (vaak deels niet meer te traceren) personen gerechtigd zijn, de rechter de onroerende zaak in eigendom toekent aan de gebruiker(s) van de onroerende zaak. “Gebruiker” in de zin van artikel 3:200b BW BES zijn personen die de zaak tenminste tien jaren in gebruik hebben. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat ook personen ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoten zijn kunnen worden aangemerkt als gebruiker, waarbij de rechter rekening dient te houden met de band die zij hebben met de zaak en de mate van vermoedelijke verwantschap met de oorspronkelijk eigenaar.
2.13.
Ingevolge artikel 3:200c BW BES geldt als voorwaarde voor toekenning aan de gebruiker(s) dat deze een aanvaardbaar voorstel hebben gedaan tot ontwikkeling van de zaak (voor zover ontwikkeling nodig is, vergelijk de Bonairiaanse zaak Playa). Over het voorstel tot ontwikkeling, dat elke ruimtelijke vormgeving kan omvatten, dient de rechter het gevoelen in te winnen van het bestuurscollege van het openbaar lichaam waarin de zaak is gelegen.
Indien niet aannemelijk is dat de waarde van de deelgenoten zeer gering is kan toepassing worden gegeven aan de regeling van artikel 3:200a lid 3 BW BES: gedeeltelijke toedeling van de opbrengst van de percelen in het kader van een gewone verdeling en gedeeltelijke toekenning ten behoeve van de gebruikers (hierna: de onbekende en niet-verschenen deelgenoten). Een taxatie en een potentiële koper is dan wel noodzakelijk. Verwezen kan worden naar de zaak Bonairiaanse zaken Playa en Kaya Korona. [1]
Indien toekenning aan de gebruikers niet mogelijk is, kan deze geschieden aan het openbaar lichaam waarin de zaak gelegen is of aan een stichting, die dan vervolgens (na ontwikkeling) de uitgifte van de grond aan de gebruikers op zich neemt, alles voor zover dat redelijk is.
Een andere mogelijke oplossing zou kunnen zijn toekenning van de grond in eigendom aan het OLB (of een woningbouwstichting) tegen een redelijke vergoeding (koopsom), welke vergoeding dan onder de deelgenoten en/of de door het gerecht als gebruikers aangewezen personen wordt verdeeld. Verwezen wordt naar de Curaçaose zaak New Orleans. [2]
2.14.
In deze zaak hebben de volgende personen zich gemeld (verzoekers en mogelijke belanghebbenden):
[...]
Hoe verder?
2.15.
Noch verzoekers, noch de belanghebbenden die zich hebben gemeld, hebben een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 3:200a e.v. BW. Zoals uit bovenstaande overwegingen volgt, lijkt, gelet op het groot aantal deelgenoten, een eigendomsuitwijzing ex artikel 3:27 BW Pro zoals door verzoekers gevraagd niet haalbaar, evenmin als een ‘gewone’ verdeling.
2.16.
Verzoekers zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of zij (subsidiair) toepassing verlangen van artikel 3:200a e.v. BW. Als dat het geval is, zal nog een nadere oproeping van belanghebbenden moeten plaatsvinden ter voldoening aan artikel 3:200f BW en zal een voorschot moeten worden voldaan voor de kosten als in dat artikel bedoeld.
Uitspraak 12 juli 2023
De oorspronkelijke vordering
2.3.
Verzoekers hebben in hun verzoekschrift verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat zij als enige erfgenamen van wijlen Andreas de Palm gezamenlijk de rechthebbenden zijn op de percelen en te bepalen dat dit in de openbare registers zal worden vermeld en dat deze uitspraak daarin zal worden ingeschreven. Bij het tussenvonnis is overwogen dat naar voorshands oordeel deze vordering niet toewijsbaar voorkomt en zijn verzoekers in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij een verzoek als bedoeld in artikel 3:200a Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW) wilden doen. Hierop is namens verzoekers bevestigend gereageerd.
Belanghebbenden
2.4.
Vervolgens heeft ter voldoening aan artikel 3:200f BW een openbare oproeping van mogelijke belanghebbenden plaatsgevonden conform artikel 3:27 van Pro het en artikel 5 onder Pro 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (hierna: Rv) in de Staatscourant en in de krant Extra.
2.5.
Na de openbare oproeping hebben zich tientallen mogelijke belanghebbenden gemeld. Volgens hen is de gezinssamenstelling van Andreas de Palm van burgerzaken van 23 december 2020 niet volledig en zijn zij ook afstammelingen/erfgenamen van Andreas de Palm. Ter onderbouwing van die stelling zijn onder meer aktes uit de registers van de burgerlijke stand, trouwboekjes en (zelfgemaakte) stambomen overgelegd. Daarnaast heeft een aantal van de mogelijke belanghebbenden een nieuwe gezinssamenstelling aangevraagd bij burgerzaken en aangekondigd deze na ontvangst te zullen nasturen aan het gerecht. De meest recente gezinssamenstellingen van Andreas de Palm van burgerzaken die het gerecht heeft ontvangen dateren van respectievelijk 8 en 23 november 2022 en lijken identiek. In die gezinssamenstellingen zijn aanzienlijk meer kinderen en (achter)kleinkinderen van Andreas de Palm opgenomen dan in de door verzoekers overgelegde gezinssamenstelling van 23 december 2020. Het gerecht zal de gezinssamenstelling van 8 november 2022 op dit moment tot uitgangspunt nemen.
[…]
Verzoek
2.14.
Verzoekers hebben inmiddels (subsidiair) een verzoek gedaan tot toepassing van de regeling van artikel 3:200a e.v. BW. Tijdens de rolzitting van 28 juni 2023 heeft mr. Nicolaas toegelicht dat de verzoekers voor wie hij optreedt als gebruiker willen worden aangemerkt. Zij hebben ideeën over ontwikkeling die zij in een nadere akte zullen uitwerken tot een plan.
2.15.
Zoals uit bovenstaande overwegingen en uit het tussenvonnis van 29 maart 2023 volgt, is, gelet op het groot aantal deelgenoten, de eigendomsuitwijzing ex artikel 3:27 BW Pro zoals door verzoekers (primair) gevraagd niet haalbaar, evenmin als een ‘gewone’ verdeling. De primaire vordering zal worden afgewezen. In zoverre is deze uitspraak een (eind)vonnis (beslissing 3.1).
Overzicht mogelijke belanghebbenden
2.16.
In deze zaak hebben zich tot nu toe de volgende personen zich gemeld (verzoekers en mogelijke belanghebbenden).
Naam en adres
[…]
Aanspraak gebaseerd op:
[…]
Wijze van afdoening/
Eventueel voorstel tot ontwikkeling
[…]
Hoe verder?
2.17.
Verzoekers en alle belanghebbenden zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte (nader) uit te laten over het verzoek op grond van artikel 3:200a BW BES. Zij worden ook in de gelegenheid gesteld om het belanghebbendenoverzicht aan te vullen/te corrigeren.
3. De beslissing
Het gerecht:
3.1.
wijst de primaire vordering af, met compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.2.
bepaalt dat over het subsidiaire verzoek wordt voortgeprocedeerd volgens de regels van de EJ-procedure;
Uitspraak 14 juli 2023
betreffende de verzoeken op grond van
artikel 3:200a e.v. van het Burgerlijk Wetboek BES
tot toekenning van (een deel van) de onroerende zaken:
Nikiboko (19.820 m²)
Rincon (27.750 m²)
Tera Kòrá (5.680 m²) + (12.270 m²)
Tera Kora (2.733 m²)
Tras di Montaña (29.000 m²)
Yatu Baku (49.200 m²) + Washikemba (274.250 m²)
Zuid Nikiboko (1.445 m²)
alle te Bonaire,
De terreinen in deze zaken
Deze zaken gaan over terreinen (samen meer dan 400.000 m2) met een onduidelijke eigendomssituatie. Het gaat om terreinen die op naam staan van lang geleden overleden personen, of waarvan de registratie van het Kadaster ‘eigenaar onbekend’ vermeldt, met verwijzing naar op domeinkaarten vermelde namen van lang overleden personen. Bij deze zaken zijn vele honderden belanghebbenden betrokken.
Het gaat om de veelal braakliggende terreinen in dit overzicht:
Boedel
Verzoeker
Tenaamstelling Kadaster
Nikiboko
19.820 m2
[…]
‘Eigenaar Onbekend’
‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van […], overleden, per adres […] (…)’
Rincon
27.750 m²
[…]
‘Eigenaar onbekend’
‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van de heer […] (overleden) per adres […] (…)’
Tera Kòrá
5.680 m²
+
12.270 m²
[…]
‘Eigenaar Onbekend’
‘Volgens in kaart gebrachte domeingronden, staat voorgeschreven de naam van […], overleden, per adres
[…] (…)’
Tera Kora
2.733 m²
[…]
[…]
Tras di Montaña
29.000 m²
[…]
‘Eigenaar onbekend’
‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van […]; overleden, (…)’
Yatu Baku
49.200 m²
Washikemba
274.250 m²
[…]
[…]
Zuid Nikiboko
1.445 m²
[…]
‘Eigenaar Onbekend’
‘Volgens domein in kaart gebrachte gronden staat de naam van […]; overleden’
Oude boedel-zaken in het algemeen
Door het tijdsverloop, maar ook door gebrekkige registratie in het verleden van de gegevens van de burgerlijke stand en door het feit dat Bonaire lange tijd geen vaste notaris had, is het in dit soort zaken bijna onmogelijk om tot een normale afwikkeling te komen: er zitten gaten in de stamboom, er zijn inmiddels vaak honderden personen die deelgenoot zijn in de nalatenschappen, en er zijn te veel deelgenoten onbekend of onvindbaar. De waarde van ieders erfdeel weegt vaak niet op tegen de kosten van een normale verdeling. Juridisch en economisch zijn deze terreinen een soort niemandsland. Gebruikers/afstammelingen kunnen zich (gevoelsmatig) als rechthebbende beschouwen, maar zij kunnen ‘hun’ perceel niet overdragen, niet verhypothekeren en niet aan hun kinderen nalaten.
Dit soort problematische oude boedels komt op Bonaire en in Curaçao veel voor. In 2007 is een bijzondere wettelijke regeling ingevoerd die een oplossing kan brengen (artikel 3:200a e.v. Burgerlijk Wetboek). In het kort komt het erop neer dat de rechter stukken grond in eigendom kan toekennen aan de ‘gebruikers’ (meestal: bewoners van het terrein of afstammelingen van de oorspronkelijk rechthebbende). Op die manier ontstaat alsnog een normale eigendomssituatie.
Een wettelijke eis is daarbij dat - wanneer dat nodig is - er een behoorlijke inrichting en ontwikkeling van het terrein moet komen. Als de gebruikers dat zelf niet kunnen bewerkstelligen, kan de rechter het terrein in eigendom toekennen aan de overheid, die het vervolgens – voor zover dat redelijk is – moet ontwikkelen en in koop, erfpacht of huur moet uitgeven aan de individuele gebruikers.
Terreinen met registratie ‘Eigenaar Onbekend’
[...]
Mogelijke afdoening door verwerving terreinen door het OLB
In al deze nu bij het gerecht aanhangige zaken op grond van de regeling van artikel 3:200a BW heeft het gerecht de mogelijkheid geopperd dat het terrein aan het OLB in eigendom wordt toegekend, waarbij het OLB daarvoor een prijs betaalt die vervolgens ten goede komt aan de door het gerecht aan te wijzen gebruikers/afstammelingen. Die koopprijs zou dan in de plaats komen van de hiervoor genoemde verplichting van het OLB om terreinen ten behoeve van de gebruikers te ontwikkelen en aan hen uit te geven. Daarmee zou tevens vast komen te staan dat het terrein overheidsgrond is.
Het OLB heeft het gerecht vervolgens bericht dat het OLB verwerving van de gronden in het algemeen belang acht. Volgens het OLB zou dit passen in zijn beleid gronden aan te trekken voor sociale woningbouw. Het OLB heeft daarom te kennen gegeven dat het in beginsel geïnteresseerd is de gronden via het gerecht te verwerven, na daartoe te verkrijgen toestemming van het Bestuurscollege (ingevolge artikel 168 lid 1 sub e van Pro de Wet Openbare Lichamen BES) en het inlichten en raadplegen van de Eilandsraad (ingevolge artikel 171 lid 3 van Pro de Wet Openbare Lichamen BES).
Het OLB stelt daarbij voor om voor de waarde van de gronden uit te gaan van het Besluit Grondwaarden 2010. Dit zou voor de meeste zaken uitkomen op een prijs van USD 2,00 per m2. Zoals blijkt uit de ter zitting van 28 juni 2023 genomen aktes, vinden de belanghebbenden in alle zaken die prijs onredelijk laag. Als het al tot toekenning van terreinen aan de overheid moet komen, moet volgens hen worden uitgegaan van de marktwaarde.
Het gerecht verzoekt het OLB om in haar op de oude boedelrolzitting van 17 oktober 2023 te nemen aktes mede in te gaan op de volgende vragen:
a.
a) Zijn de waarden in het Besluit Grondwaarden 2010 nog actueel, en zo nee, ligt aanpassing in het verschiet?
b) Wat is de waarde van de desbetreffende terreinen volgens de meest recente waardebeschikkingen vastgoedbelasting?
c) Wat vindt het OLB een redelijke en billijke vergoeding voor de te verwerven terreinen, mede in acht genomen de historisch gegroeide (vermeende) aanspraken van belanghebbenden?
Het gerecht benadrukt dat het gerecht het OLB de terreinen niet tegen een door het OLB te hoog geachte prijs kan opdringen. Het is aan het OLB te bepalen wat volgens het OLB (onder voorbehoud van toestemming Bestuurscollege en raadpleging Eilandsraad) een redelijke en billijke prijs is. Vervolgens zal het gerecht beslissen over de wijze van afdoening van de zaken.
Uitspraak 1 juli 2024
2.2.
In andere oude boedel-zaken heeft het gerecht naast het OLB ook Fundashon Cas Bonairiano (FCB) gevraagd naar eventuele belangstelling tot aankoop (beschikking van 10 april 2024 in de zaken BON201900760, BON201900762, BON202000193, BON202000482, BON202100157).
2.3.
Het gerecht ziet aanleiding ook in deze zaak FCB te raadplegen en haar te vragen of FCB belangstelling heeft in verwerving van de in de kop van deze beschikking genoemde terreinen en zo ja, tegen welke (maximum)prijs.
2.4.
De van FCB verkregen reactie zal met de partijen worden gedeeld. Partijen zullen daarop bij een op de rol te nemen akte kunnen reageren. Bij uitblijven van een reactie van FCB zal worden aangenomen dat FCB geen interesse heeft.
Uitspraak 11 februari 2025
2.2.
De eerdere overwegingen samenvattend en in reactie op de stellingen van partijen in hun onder 1.2 genoemde aktes, oordeelt het gerecht als volgt:
de percelen zijn eigendomsgrond en behoren tot de nalatenschap van Andreas de Palm, de erflater, geboren op 30 november 1871 te Bonaire en overleden op 16 juli 1935 te Bonaire, op wiens naam zij staan geregistreerd;
er is in deze zaak geen sprake van een registratie ‘eigenaar onbekend’ zodat aan de stellingen daarover van OLB moet worden voorbijgegaan;
de erflater was getrouwd met Susanna Gijsbertha Bernabela, geboren op 8 november 1863 te Bonaire en overleden op 8 november 1947 te Bonaire;
volgens de gezinssamenstelling van burgerzaken van 8 november 2022 had de erflater acht kinderen, van wie er drie ([…]) ook weer kinderen hadden;
de belanghebbenden zijn nazaten van […] en […], verzoekers van […];
aannemelijk is dat er naast verzoekers en de belanghebbenden nog vele andere deelgenoten zijn;
de oorspronkelijke vordering van verzoekers om voor recht te verklaren dat zij de enige eigenaren waren (eigendomsuitwijzing, art. 3:27 BW Pro) is afgewezen;
er is door niemand een vordering tot een ‘gewone’ verdeling ingesteld, en er is ook geen verklaring van erfrecht, waardoor een ‘gewone’ verdeling niet mogelijk moet worden geacht;
de nalatenschap betreft een langdurig onverdeeld gebleven boedel als bedoeld in artikel 3:200a BW;
de percelen waaruit de nalatenschap bestaat zijn onbewoond en worden niet gebruikt;
het gebruik van de percelen dat volgens verzoekers is gemaakt door (zoon) […] – de opneming bij proces-verbaal van grensregeling in 1981 en het houden van vee – kan niet tot het oordeel leiden dat verzoekers sterkere gebruikers-aanspraken hebben dan de deelgenoten uit de andere staken;
OLB is in zijn algemeenheid geïnteresseerd in verwerving van terrein, tegen de waarden in het Besluit Grondwaarden 2010 (wat naar het gerecht begrijpt voor terrein als de onderhavige percelen zou neerkomen op USD 2 per m2);
FCB heeft geen interesse in aankoop van de percelen;
verzoekers wensen een door hen omschreven opdeling van de percelen in drie stukken en verdeling daarvan over de drie staken […], […] en […];
belanghebbenden wijzen het voorstel van verzoekers af en willen dat – met inachtneming van art. 3:200a lid 3 BW (gedeeltelijke verdeling) en art. 3:174 lid 1 BW Pro (machtiging tegeldemaking) - de percelen worden verkocht en dat de netto-opbrengst onder de drie staken wordt verdeeld ter verdere onderverdeling naar rato van ieders gerechtigdheid;
ook OLB verzet zich tegen opdeling van de percelen zoals door verzoekers voorgesteld;
het voorstel van verzoekers zal niet worden gevolgd, op grond van de door belanghebbenden en OLB daartegen aangevoerde bezwaren en omdat dit niet leidt tot een spoedige en praktisch goed uitvoerbare oplossing van de onverdeeldheid;
een m2-prijs als door OLB genoemd achten verzoekers en belanghebbenden onredelijk laag, één van hen zegt een voorwaardelijk bod te hebben gekregen van ruim USD 1,8 miljoen;
nu (vrijwel) alle verschenen deelgenoten streven naar tegeldemaking van de percelen en de percelen door niemand worden gebruikt, ligt een machtiging tot verkoop ex art. 3:174 lid 1 BW Pro als door belanghebbenden verzocht eerder in de rede dan toekenning in eigendom van de percelen aan deelgenoten;
een voorstel tot ontwikkeling als bedoeld in art.3:200c BW is bij die afdoening niet nodig;
voor een dergelijke machtiging is wel wenselijk dat er een redelijke mate van eensgezindheid is over de vraag aan wie de machtiging tot verkoop en levering kan worden verleend, waarvan nu nog geen sprake is;
denkbaar is dat elk van de drie staken een vertegenwoordiger aanwijst, en dat de machtiging vervolgens aan hen gezamenlijk wordt verleend, voor de duur van twee jaar, dat in geval van verkoop en levering binnen die termijn een verdeling van de opbrengst volgt langs de lijnen als door belanghebbenden voorgesteld, dat bij gebreke van verkoop en levering binnen die termijn OLB de gelegenheid krijgt de percelen desgewenst te verwerven tegen de (dan) door OLB gehanteerde m2-prijzen en dat, als OLB niet tot een dergelijke aankoop wenst over te gaan, de percelen op de voet van artikel 3:200d BW aan OLB in eigendom worden toegekend onder de verplichting jegens de gebruikers als bedoeld in artikel 3:200e BW.
2.3.
De zaak zal worden verwezen naar de oude boedelrolzitting als hierna omschreven. Verzoekers en belanghebbenden zullen – liefst zoveel mogelijk gezamenlijk – het gerecht bij akte moeten informeren of zij overeenstemming hebben bereikt over een machtiging als onder 2.2 v) bedoeld en wie door hen als vertegenwoordigers (ook voor de eventuele latere verdeling van de opbrengst) worden voorgesteld. Verzoekers, belanghebbenden en OLB kunnen zich (voorts) uitlaten over hetgeen verder in 2.2. v) is overwogen.

3.De verdere beoordeling

3.1.
Volhard wordt bij hetgeen in de tussenbeschikkingen is overwogen.
3.2.
Art. 3:174 lid 1 BW Pro bepaalt dat de rechter een deelgenoot kan machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Uit de aktes van verzoekers en de belanghebbenden blijkt dat voor elk van de drie staken […], […] en […] inmiddels een vertegenwoordiger is aangewezen als onder 2 v) van de laatste beschikking bedoeld. De verzochte machtigingen kunnen dan ook worden verleend.
3.3.
Daaraan kan niet afdoen dat belanghebbende 21 (en wellicht ook andere deelgenoten) liever een eigen koers varen. Verkoop van de percelen door de drie te machtigen deelgenoten zal bijdragen aan afwikkeling van de nalatenschap en zal bewerkstelligen dat met betrekking tot de percelen duidelijkheid wordt verkregen over de eigendomssituatie. Met dat laatste zal dan ook een van de doelen van de regeling van art. 3:200a BW zijn bereikt.
3.4.
Naar aanleiding van de akte van OLB wordt overwogen dat de regeling van art. 3:200a BW de inwilliging van een verzoek op grond van art. 3:174 BW Pro niet uitsluit. Een dergelijk verzoek kan ook worden gedaan bij langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap bestaande uit een onroerende zaak als bedoeld in art. 3:200a BW. In gevallen waarin het de deelgenoten te doen is om tegeldemaking, ligt een machtiging tot verkoop in de rede, meer dan toewijzing van grond aan ‘gebruikers’.
3.5.
Een voorstel voor ontwikkeling als bedoeld in art. 3:200c BW is bij verkoop met een machtiging ex art. 3:174 BW Pro niet aan de orde. De koper zal zich, in geval van ontwikkelingsplannen, moeten houden aan de geldende voorschriften en waar nodig vergunningen moeten aanvragen. De overheid houdt in die zin grip op de wijze van ontwikkeling.
3.6.
Op grond van het voorgaande en gelet op de aktes van verzoekers en belanghebbenden zal over de verdeling van de verkoopopbrengst worden beslist als hierna omschreven. Ingevolge art. 3:200a lid 4 BW kan de rechter bepalen dat in de procedure niet verschenen deelgenoten gedurende een bepaalde termijn aanspraak kunnen maken op een geldsom en wie daarvoor zekerheid stelt. Met overeenkomstige toepassing van die bepaling zal ter waarborging van de aanspraken van de niet-verschenen deelgenoten bepaald worden dat een deel van de verkoopopbrengst wordt gereserveerd. De termijn waarbinnen niet-verschenen deelgenoten aanspraak kunnen maken op een geldsom conform hun aandeel zal worden gesteld op vijf jaar na het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking.

4.De beslissing

Machtiging tot verkoop en levering
4.1.
machtigt […] (staak 1), […] (staak 2) en […] (staak 3) om gezamenlijk tot onderhandse verkoop en levering over te gaan aan een of meer door hen gezamenlijk aan te wijzen koper(s), tegen een door hen gezamenlijk bepaalde koopprijs, van de percelen YATU BAKU (49.200 m²) op Bonaire, kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 50, groot 49.200 m² (kunuku), welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van Andres de Palm, verkregen bij notariële akte van verkoop en koop, en OMGEVING WASHIKEMBA (274.250 m²) op Bonaire, kadastraal bekend afdeling 5, sectie C, nummer 47, groot 274.250 m² (kunuku), welk perceel volgens de schriftelijke inzage van het Kadaster ten name staat van Andres de Palm, verkregen bij notariële akte van verkoop en koop;
4.2.
bepaalt dat de onder 4.1 verleende machtiging tot verkoop geldt gedurende twee jaar nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, en de machtiging tot levering, indien tijdig tot verkoop is overgegaan, gedurende drie jaar nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;
Verwerving door OLB; toekenning aan OLB
4.3.
bepaalt dat bij gebreke van verkoop en levering binnen de onder 4.2 bepaalde termijn OLB gedurende twee jaar de gelegenheid krijgt de percelen desgewenst te verwerven tegen de (dan) door OLB gehanteerde m2-prijzen;
4.4.
bepaalt dat, als OLB niet tot een dergelijke aankoop wenst over te gaan, de percelen op de voet van artikel 3:200d BW aan OLB in eigendom worden toegekend onder de verplichting jegens de gebruikers tot ontwikkeling en uitgifte, voor zover dat redelijk is, als bedoeld in art. 3:200e BW;
Verdeling verkoopopbrengst en zekerheid niet-verschenen deelgenoten
4.5.
bepaalt dat, in geval van verkoop als bedoeld onder 4.1 of 4.3, door de notaris na aftrek van diens kosten en eventuele verschuldigde belastingen, onverwijld wordt overgegaan tot verdeling en uitkering van de helft (3/6 deel) van de verkoopopbrengst onder de in dit geding verschenen deelgenoten, overeenkomstig ieders gerechtigdheid zoveel mogelijk naar de regels van erfrecht;
4.6.
bepaalt dat de andere helft (3/6 deel) van de verkoopopbrengst door de notaris gedurende drie jaar na de ontvangst daarvan zal worden gehouden als zekerheid voor de geldelijke aanspraken van deelgenoten in de nalatenschap van Andres de Palm die niet in de sub 4.5 bedoelde verdeling zijn betrokken, na ommekomst van welke periode die andere helft door de notaris zoveel mogelijk zal worden verdeeld overeenkomstig ieders gerechtigdheid zoveel mogelijk naar de regels van erfrecht en met inachtneming van de verdeling bedoeld onder 4.5;
4.7.
benoemt deurwaarder Anzola tot onzijdig persoon als bedoeld in art. 3:181 BW Pro die onbekende deelgenoten vertegenwoordigt, alsmede personen wier medewerking aan de verdeling vereist is maar die medewerking weigeren;
Verval aanspraken niet-verschenen deelgenoten
4.8.
bepaalt dat de aanspraken van de mogelijke niet in dit geding verschenen deelgenoten, bekend of onbekend, opeisbaar worden op het tijdstip dat deze beschikking in kracht van gewijsde gaat en vervallen nadat vijf jaren nadien zijn verstreken;
Publicatie beschikking
4.9.
bepaalt dat deze beschikking door toedoen van de griffier binnen twee weken na deze uitspraak openbaar bekend wordt gemaakt in de Staatscourant, de Èxtra en de Boneriano;
Overige beslissingen
4.10.
wijst af het meer of anders verzochte;
4.11.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.E. de Kort, rechter, en getekend en uitgesproken op 7 augustus 2025 door rechter mr. R.P.P. Hoekstra.

Voetnoten

1.GEA BES 28 september 2022, BON202200102 (niet gepubliceerd) en GEA BES 30 januari 2020, ECLI:NL:OGEABES:2020:3 [noot toegevoegd]
2.GEA Curaçao 8 januari 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:1 [noot toegevoegd]