ECLI:NL:OGEABES:2026:101

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
25 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
BON202600139
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 705 Rv BESArt. 7A:1622 BW BESArt. 6:83 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing conservatoir beslag in geschil over aannemingsovereenkomsten en bestuurdersaansprakelijkheid

In deze kortgedingprocedure vordert BAB en haar bestuurder de opheffing van conservatoir beslag dat door [gedaagden] is gelegd op hun bankrekeningen vanwege een geschil over de uitvoering en facturatie van elektrotechnische werkzaamheden. Het beslag op de bankrekeningen van BAB wordt afgewezen, terwijl het beslag op de privérekeningen van de bestuurder gedeeltelijk wordt opgeheven.

De kern van het geschil betreft vier aannemingsovereenkomsten uit 2023, waarbij BAB werkzaamheden verrichtte aan de woning van [gedaagden]. Er ontstond onenigheid over meerwerkfacturen, betaling en de kwaliteit van het werk. [gedaagden] vordert een bedrag van ruim USD 46.000 wegens vermeend onterecht gefactureerd meerwerk, niet geleverd materiaal en herstelkosten.

Het Gerecht oordeelt dat de vordering op BAB niet summierlijk ondeugdelijk is, mede omdat schriftelijke instemming voor meerwerk ontbreekt en er aanwijzingen zijn dat betalingen onder druk zijn gedaan. De vordering op de bestuurder is grotendeels summierlijk ondeugdelijk, behalve voor het niet geleverde materiaal. Het beslag op de privérekeningen wordt daarom gedeeltelijk opgeheven. De belangenafweging leidt tot handhaving van het beslag op BAB vanwege haar financiële positie.

De proceskosten worden gecompenseerd en de beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het beslag op de bankrekeningen van BAB wordt gehandhaafd, het beslag op de privérekeningen van de bestuurder gedeeltelijk opgeheven.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600139
datum beslissing: 25 mei 2026
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:

1.BRIGHT ADVIES & BEGELEIDING B.A.B. B.V.,

gevestigd op Bonaire,
hierna: BAB,
2.
[eiser 2],
wonend op Bonaire,
hierna: [eiser 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: BAB c.s.,
gemachtigde: mr. G. de Hoogd,
tegen

1.[gedaagde 1],

2.
[gedaagde 2],
beide wonend op Bonaire,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 20 maart 2026 met producties;
  • de akte met aanvullende producties van BAB c.s.;
  • de akte met producties van [gedaagden]
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. [eiser 2] is namens zichzelf en als directeur van BAB verschenen, bijgestaan door mr. De Hoogd. [gedaagden] is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling met partijen besproken is.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van het geschil

2.1. [
gedaagden] heeft conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van BAB en [eiser 2]. BAB c.s. vindt dat het beslag is gelegd op grond van een ondeugdelijke vordering en dat het beslag onnodig is. BAB c.s. vordert dat het beslag wordt opgeheven. De vordering tot opheffing van het beslag dat ten laste van BAB is gelegd wordt afgewezen. Het beslag ten laste van [eiser 2] wordt gedeeltelijk opgeheven. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1.
Tussen BAB en [gedaagden] zijn begin 2023 vier overeenkomsten tot stand gekomen op grond waarvan BAB elektrotechnische werkzaamheden heeft verricht aan de woning van [gedaagden] Het gaat daarbij om aanneming van werk.
3.2.
Over de uitvoering van het werk en de betaling van (meerwerk) facturen is een geschil tussen partijen ontstaan. [gedaagden] vindt dat zij onverschuldigde betalingen aan BAB heeft verricht en schade heeft geleden omdat zij het overeengekomen werk door een derde partij heeft moeten laten afronden. Volgens [gedaagden] is [eiser 2] ook voor haar schade aansprakelijk, omdat hij als bestuurder van BAB onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering van [gedaagden] bestaat uit USD 24.697,56 aan te veel gefactureerd meerwerk, USD 1.425,00 in verband met een verkeerd tarief bij een meerwerkfactuur, USD 5.686,79 aan niet geleverd materiaal, USD 4.000,00 aan kosten voor herstel van gebreken en USD 10.554,42 aan kosten voor afronding van de werkzaamheden door een derde partij.
3.3.
Op 11 maart 2026 heeft [gedaagden] aan dit Gerecht verzocht om ten laste van BAB en [eiser 2] conservatoir beslag te leggen op verschillende beslagobjecten, waaronder bankrekeningen van BAB en [eiser 2]. Dit verlof is bij beschikking van 12 maart 2026 verleend. [1] Daarbij is de vordering van [gedaagden] inclusief rente en kosten voorlopig begroot op USD 60.272,90.
3.4.
Door [gedaagden] is op 17 maart 2026 conservatoir beslag gelegd op verschillende bankrekeningen van BAB en [eiser 2]. Het beslag op de bankrekeningen van BAB heeft doel getroffen voor een bedrag van ongeveer USD 7.000 en op de bankrekeningen [eiser 2] voor ongeveer USD 39.000. De beslagen op andere beslagobjecten troffen geen doel.
Beoordelingskader voor het opheffen van beslag
3.5.
Op grond van artikel 705 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (hierna: Rv BES) wordt opheffing van conservatoir beslag onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of als voldoende zekerheid wordt gesteld.
3.6.
Artikel 705 lid 1 Rv Pro BES biedt een eigen rechtsgang in kort geding voor het opheffen van beslag. Daarom hoeft een afzonderlijk spoedeisend belang van BAB c.s. bij haar vorderingen niet aanwezig te zijn.
Geen sprake van een ondeugdelijke vordering op BAB
3.7.
Volgens BAB c.s. is sprake van een ondeugdelijke vordering op BAB, omdat alle facturen voor haar werkzaamheden zonder bezwaar zijn betaald, het gefactureerde meerwerk overeengekomen is, geen ingebrekestelling verstuurd is, nooit een officiële klacht ontvangen is over de werkzaamheden en de werkzaamheden eenzijdig door [gedaagden] zijn gestaakt.
3.8.
BAB c.s. wordt niet gevolgd in haar stelling dat alle facturen zonder bezwaar zijn betaald. Door [gedaagden] is veel correspondentie in het geding gebracht waaruit blijkt dat [gedaagden] ontevreden was over het geleverde werk en bezwaar maakte tegen de meerwerkfacturen. BAB c.s. heeft niet duidelijk gemaakt wat zij ermee bedoelt dat zij nooit een
“officiële klacht”heeft ontvangen, maar uit overgelegde correspondentie blijkt hoe dan ook dat [gedaagden] meermaals bij BAB heeft geklaagd. Daarbij is niet in geschil dat BAB het project tegen een vaste prijs conform de vier overeenkomsten had aangenomen. Volgens de wet (artikel 7A:1622 BW BES) kan dan alleen meerwerk in rekening worden gebracht als daarmee schriftelijk is ingestemd. Feit is dat een schriftelijke instemming in dit geval ontbreekt. Of (een deel van) het meerwerk wel is overeengekomen, zal verder onderwerp van geschil zijn in de bodemprocedure. Dat daarvan sprake is, kan in elk geval niet zonder meer worden aangenomen op grond van het feit dat [gedaagden] de meerwerkfacturen heeft betaald. [gedaagden] heeft als verklaring daarvoor gegeven dat hij dit heeft gedaan omdat hij onder druk werd gezet doordat de werkzaamheden werden gestaakt of vertraagd wanneer betaling uitbleef. Aan die uitleg kan niet zo maar voorbij worden gegaan. Uit de overgelegde stukken blijkt verder ook niet zonder meer dat de als meerwerk in rekening gebrachte werkzaamheden buiten het bestek van de oorspronkelijke opdracht vielen. Gelet op dit alles is de stelling van [gedaagden] dat de betalingen hiervoor onverschuldigd zijn gedaan vooralsnog niet ongegrond gebleken. Voor de vordering van [gedaagden] op grond van onverschuldigde betaling is verder geen ingebrekestelling vereist. Aan de vordering tot schadevergoeding legt [gedaagden] ten grondslag dat gebruikte en beschadigde materialen zijn toegepast in plaats van nieuwe, diverse componenten waarvoor is betaald niet zijn geleverd of aangesloten, bedrading deels onveilig en onprofessioneel is aangelegd en aan afgesproken oplevertermijnen niet is voldaan. Ook hiervoor geldt dat in de bodemprocedure aan de orde zal komen of dat inderdaad het geval is geweest. Op voorhand is in elk geval niet gebleken dat de stellingen van [gedaagden] hierover ongegrond zijn. Uit de stukken blijkt verder dat [gedaagden] ook op dit punt herhaalde verzoeken aan BAB heeft gedaan. Voor zover dat niet als ingebrekestelling heeft te gelden, wijst [gedaagden] erop dat in de in artikel 6:83 BW Pro BES bedoelde gevallen geen ingebrekestelling vereist is voor het intreden van verzuim. [gedaagden] stellen in dit verband dat BAB zelf heeft besloten de werkzaamheden niet verder uit te voeren. De stelling van BAB c.s. daartegenover dat de werkzaamheden eenzijdig door [gedaagden] zijn gestaakt, valt niet te rijmen met het Whatsappbericht van 4 december 2024 en de brief van 18 februari 2025 van [eiser 2] waarin staat dat hij geen werkzaamheden (binnenshuis) meer zal verrichten. Gelet daarop ziet het Gerecht onvoldoende grond om aan te nemen dat van een opeisbare vordering tot schadevergoeding geen sprake kan zijn.
3.9.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de vordering van [gedaagden] op BAB summierlijk ondeugdelijk is. Het ten laste van BAB gelegde beslag zal om die reden niet worden opgeheven.
Deels sprake van een ondeugdelijke vordering op [eiser 2]
3.10.
De vordering van [gedaagden] op [eiser 2] is gebaseerd op een onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid). Het uitgangspunt is dat bij een onbetaald gelaten vordering op een rechtspersoon de schuldeiser de vordering alleen op de rechtspersoon kan verhalen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat naast aansprakelijkheid van de vennootschap onder omstandigheden ook grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als de bestuurder namens een vennootschap handelt en verbintenissen aangaat waarvan hij weet of hoort te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen en geen verhaal biedt. Ook een bestuurder die heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt kan aansprakelijk zijn. Daarnaast kan ook in andere gevallen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid. Steeds moet de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Van zo’n persoonlijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze moest begrijpen dat de door hem toegelaten of bewerkstelligde handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
3.11.
Het handelen van BAB, waarvoor [gedaagden] [eiser 2] als bestuurder van BAB aansprakelijk houdt, is onrechtmatige meerwerkfacturering, verhaalsfrustratie en het abrupt beëindigen van de werkzaamheden. Bovendien zijn tussen BAB en [eiser 2] geldstromen zichtbaar en is er geen duidelijke scheidslijn zichtbaar tussen de vennootschap en haar bestuurder, aldus [gedaagden]
3.12. [
gedaagden] heeft aan BAB betalingen verricht voor het inkopen van materiaal ten behoeve van haar woning. Volgens [gedaagden] heeft BAB dat geld niet (volledig) gebruikt voor het materiaal, maar heeft [eiser 2] ervoor gekozen het geld dat bestemd was voor het materiaal te gebruiken om privé (belasting)schulden af te lossen. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagden] Whatsapp-correspondentie in het geding gebracht. Deze gestelde selectieve betalingen voor privéverplichtingen zijn een indicatie voor het vereiste van een persoonlijk ernstig verwijt voor bestuurdersaansprakelijkheid. Of daarvan sprake is, zal in de bodemprocedure worden beoordeeld. Wat betreft de schadepost van USD 5.686,79 van [gedaagden] ten aanzien van het niet geleverde materiaal is haar vordering bij de huidige stand van zaken niet summierlijk ondeugdelijk gebleken.
3.13.
Ten aanzien van de verwijten van [gedaagden] aan [eiser 2] dat sprake zou zijn van onrechtmatige meerwerkfacturatie en het abrupt beëindigen van haar werkzaamheden wordt de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid niet gehaald. Dat ten onrechte meerwerk in rekening is gebracht en de werkzaamheden voortijdig zijn beëindigd, levert zonder nadere toelichting die ontbreekt nog geen persoonlijk ernstig verwijt op tegenover [eiser 2] op grond waarvan hij naast BAB aansprakelijk gehouden kan worden. Dat betekent dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van [gedaagden] op [eiser 2] voor zover haar vorderingen de schadepost voor het niet geleverde materiaal te boven gaan.
3.14.
Het Gerecht begrijpt de stelling van [gedaagden] dat geen duidelijke scheidslijn zichtbaar is tussen BAB en [eiser 2] aldus dat volgens haar sprake is van vereenzelviging. Een vereiste voor aansprakelijkheid vanwege vereenzelviging is dat misbruik wordt gemaakt van het identiteitsverschil tussen twee rechtssubjecten. [gedaagden] heeft niets gesteld waar het misbruik van het identiteitsverschil tussen BAB en [eiser 2] uit zou bestaan.
3.15.
Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van [gedaagden] op [eiser 2] summierlijk ondeugdelijk is gebleken met uitzondering van het niet geleverde materiaal. Om die reden zal het ten laste van [eiser 2] gelegde beslag worden opgeheven voor zover het beslag het bedrag van USD 5.686,79 overstijgt.
Geen sprake van een onnodig gelegd beslag
3.16.
Het Gerecht volgt BAB c.s. niet in haar stelling dat sprake is van onnodig gelegd beslag. [gedaagden] heeft een vordering op BAB c.s. die grotendeels summierlijk deugdelijk is gebleken. Dat [eiser 2] nog op Bonaire woont en BAB een actieve onderneming is, betekent niet dat het beslag onnodig is. Evenmin is relevant dat BAB c.s., zoals zij stelt, altijd correct heeft gereageerd op correspondentie van [gedaagden] De voorgaande door BAB c.s. aangehaalde omstandigheden geven [gedaagden] geen enkele zekerheid ten aanzien van haar gepretendeerde vorderingen op BAB c.s. Het is niet gebleken dat BAB c.s. voor de vorderingen van [gedaagden] op andere wijze voldoende verhaal biedt dan het gelegde bankbeslag.
Belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel
3.17.
Een belangenafweging maakt het oordeel niet anders. Aan het door [eiser 2] gestelde belang dat hij niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien, wordt in die zin tegemoet gekomen dat een groot deel van het beslag op zijn privérekeningen wordt opgeheven. Ten aanzien van de vorderingen die summierlijk deugdelijk zijn gebleken weegt het belang van [gedaagden] bij handhaven van het beslag zwaarder dan het belang van BAB c.s. bij opheffing daarvan. BAB c.s. heeft voor de gepretendeerde vorderingen van [gedaagden] op geen enkele andere manier zekerheid gesteld. Naar eigen zeggen van BAB c.s. kan BAB haar lopende verplichtingen niet nakomen. Gelet op die financiële positie van BAB is het zeer de vraag of een eventuele toegewezen vordering van [gedaagden] in de bodemprocedure bij opheffing van het beslag verhaalbaar zal zijn.
Conclusie
3.18.
Het Gerecht komt tot de conclusie dat de vordering tot opheffing van het beslag ten laste van BAB wordt afgewezen. Het beslag ten laste van [eiser 2] zal worden opgeheven voor zover het gelegde beslag het bedrag van USD 5.686,79 overschrijdt.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.19.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.20.
De beslissingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat BAB c.s. dit eist en [gedaagden] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Een beslissing in kort geding strekt op grond van de wet en naar haar aard tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagden] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.

4.De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:
4.1.
heft op de op 17 maart 2026 door [gedaagden] ten laste van [eiser 2] gelegde conservatoire beslagen voor zover het beslag het bedrag van USD 5.686,79 overschrijdt;
4.2.
verklaart de beslissingen tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De zaak is bekend onder registratienummer BON202600106.