Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
1.BRIGHT ADVIES & BEGELEIDING B.A.B. B.V.,
[eiser 2],
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
1.Het procesverloop
- het verzoekschrift van 20 maart 2026 met producties;
- de akte met aanvullende producties van BAB c.s.;
- de akte met producties van [gedaagden]
2.De kern van het geschil
3.De beoordeling
“officiële klacht”heeft ontvangen, maar uit overgelegde correspondentie blijkt hoe dan ook dat [gedaagden] meermaals bij BAB heeft geklaagd. Daarbij is niet in geschil dat BAB het project tegen een vaste prijs conform de vier overeenkomsten had aangenomen. Volgens de wet (artikel 7A:1622 BW BES) kan dan alleen meerwerk in rekening worden gebracht als daarmee schriftelijk is ingestemd. Feit is dat een schriftelijke instemming in dit geval ontbreekt. Of (een deel van) het meerwerk wel is overeengekomen, zal verder onderwerp van geschil zijn in de bodemprocedure. Dat daarvan sprake is, kan in elk geval niet zonder meer worden aangenomen op grond van het feit dat [gedaagden] de meerwerkfacturen heeft betaald. [gedaagden] heeft als verklaring daarvoor gegeven dat hij dit heeft gedaan omdat hij onder druk werd gezet doordat de werkzaamheden werden gestaakt of vertraagd wanneer betaling uitbleef. Aan die uitleg kan niet zo maar voorbij worden gegaan. Uit de overgelegde stukken blijkt verder ook niet zonder meer dat de als meerwerk in rekening gebrachte werkzaamheden buiten het bestek van de oorspronkelijke opdracht vielen. Gelet op dit alles is de stelling van [gedaagden] dat de betalingen hiervoor onverschuldigd zijn gedaan vooralsnog niet ongegrond gebleken. Voor de vordering van [gedaagden] op grond van onverschuldigde betaling is verder geen ingebrekestelling vereist. Aan de vordering tot schadevergoeding legt [gedaagden] ten grondslag dat gebruikte en beschadigde materialen zijn toegepast in plaats van nieuwe, diverse componenten waarvoor is betaald niet zijn geleverd of aangesloten, bedrading deels onveilig en onprofessioneel is aangelegd en aan afgesproken oplevertermijnen niet is voldaan. Ook hiervoor geldt dat in de bodemprocedure aan de orde zal komen of dat inderdaad het geval is geweest. Op voorhand is in elk geval niet gebleken dat de stellingen van [gedaagden] hierover ongegrond zijn. Uit de stukken blijkt verder dat [gedaagden] ook op dit punt herhaalde verzoeken aan BAB heeft gedaan. Voor zover dat niet als ingebrekestelling heeft te gelden, wijst [gedaagden] erop dat in de in artikel 6:83 BW Pro BES bedoelde gevallen geen ingebrekestelling vereist is voor het intreden van verzuim. [gedaagden] stellen in dit verband dat BAB zelf heeft besloten de werkzaamheden niet verder uit te voeren. De stelling van BAB c.s. daartegenover dat de werkzaamheden eenzijdig door [gedaagden] zijn gestaakt, valt niet te rijmen met het Whatsappbericht van 4 december 2024 en de brief van 18 februari 2025 van [eiser 2] waarin staat dat hij geen werkzaamheden (binnenshuis) meer zal verrichten. Gelet daarop ziet het Gerecht onvoldoende grond om aan te nemen dat van een opeisbare vordering tot schadevergoeding geen sprake kan zijn.