ECLI:NL:OGEABES:2026:104

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
RDK-BON03-2026
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 SvArt. 2 Verlofregeling BESArt. 3 Verlofregeling BESArt. 3 Beschikking elektronisch toezichtHoofdstuk 2 Wet administratieve rechtspraak BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek om formeel besluit over elektronisch toezicht wegens ontbreken formeel verzoek

Verzoeker, gedetineerd in de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland op Bonaire, heeft een verzoek ingediend ex artikel 43 Sv Pro om de minister te verplichten een formeel besluit te nemen over zijn verlof onder elektronisch toezicht. Hij stelt dat hij per 26 juli 2026 in aanmerking komt voor elektronisch toezicht, maar dat de JICN hem dit ontzegt vanwege een disciplinaire straf. Verzoeker ontving echter geen formeel besluit en wil dit afdwingen.

De raadsman en verzoeker gaven aan dat het gebruikelijk is dat de directeur van de JICN namens de gedetineerde een verzoek indient bij de minister, maar dat dit in deze zaak niet is gebeurd. Verzoeker zelf heeft geen verzoek ingediend, noch via de directeur of anderen.

Het Openbaar Ministerie betoogde dat het gerecht onbevoegd is vanwege het lopende hoger beroep, en dat er geen formeel besluit is genomen waartegen beroep mogelijk is. Het gerecht oordeelde dat verzoeker nog een specifieke rechtsgang open heeft, namelijk het indienen van een verzoek via de directeur aan de minister. Omdat verzoeker deze procedure niet heeft gevolgd, is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 43 Sv Pro.

De uitspraak werd direct na de mondelinge behandeling op 12 juni 2026 gedaan en op 22 juni 2026 schriftelijk bevestigd door rechter Groenendaal.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen formeel verzoek tot elektronisch toezicht via de directeur heeft ingediend.

Uitspraak

Zaaknummer RDK-BON03-2026
Parketnummer 300.00017/24
Uitspraak 12 juni 2026
op het verzoek ex artikel 43 van Pro het Wetboek van Strafvordering BES (hierna: Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],
wonende te Sint Eustatius, [adres],
thans gedetineerd in de JICN te Bonaire,
bijgestaan door zijn raadsman mr. E.J. Winkel,
hierna te noemen: verzoeker.

1.De feiten en procesgang

1.1.
Bij vonnis van 19 december 2024 is verzoeker door het Gerecht in Eerste Aanleg op Bonaire veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden met aftrek van voorarrest. Tegen dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is in hoger beroep - pro forma - aan de orde geweest op de terechtzitting van 3 april 2025. Verzoeker heeft toen te kennen gegeven dat hij het hoger beroep wilde intrekken. Bij vonnis van 5 juni 2025 is het hoger beroep van verzoeker om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verzoeker is gedetineerd in de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN) op Bonaire.
1.3.
Op 19 mei 2026 heeft de raadsman van verzoeker ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg op Bonaire een verzoekschrift inclusief bijlagen ex artikel 43 Sv Pro ingediend. Dit verzoek strekt primair ertoe de Minister voor rechtsbescherming te gebieden om verzoeker in vrijheid te stellen onder elektronisch toezicht, subsidiair om de Minister te gebieden om uiterlijk binnen vijf werkdagen na de uitspraak van het Gerecht een beschikking te geven op de aanvraag van verzoeker betreffende het verlof onder elektronisch toezicht, meer subsidiair om een zodanige voorziening te treffen als het Gerecht goed acht.
1.4.
Het Openbaar Ministerie heeft – op de dag van de mondelinge behandeling – een schriftelijk standpunt toegezonden aan de raadsman en het Gerecht.
1.5.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaats gevonden op 12 juni 2026. Verschenen en gehoord zijn verzoeker, zijn raadsman en mr. R. Visser, officier van justitie.
1.6.
Het Gerecht heeft direct na afloop van de mondelinge behandeling uitspraak gedaan.

2.Standpunten

2.1.
Verzoeker voert aan dat hij per 26 juli 2026 in aanmerking komt voor invrijheidsstelling onder elektronisch toezicht, op grond van de toepasselijke wet- en regelgeving inzake elektronisch toezicht, in het bijzonder de Beschikking elektronisch toezicht en de officiële strafberekening van de JICN. De JICN heeft echter aan verzoeker laten weten dat hij niet voor elektronisch toezicht in aanmerking komt, vanwege de aan hem opgelegde disciplinaire straf van 25 maart 2026. Dit is mondeling aan verzoeker meegedeeld binnen de JICN. Een formeel besluit heeft verzoeker niet ontvangen.
2.2.
Verzoeker is allereerst van mening dat de aan hem op 25 maart 2026 opgelegde disciplinaire straf onterecht is opgelegd, en dat die dus niet aan het verlenen van elektronisch toezicht in de weg zou moeten staan. Daarnaast is verzoeker van mening dat hij in elk geval een formeel besluit dient te ontvangen van de JICN, zodat hij daartegen de hem toekomende rechtsmiddelen kan aanwenden.
2.3.
Ter zitting hebben de raadsman en verzoeker toegelicht dat het in de praktijk gebruikelijk is dat de directeur van de JICN namens een gedetineerde een verzoek tot elektronisch toezicht indient bij de Minister. In dit geval is dat tot op heden niet gebeurd. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat hij zelf geen initiatief heeft genomen op dit punt en niet een verzoek tot elektronisch toezicht heeft ingediend; niet bij de Minister, niet bij de directeur en ook niet bij of via iemand anders binnen de JICN.
2.4.
Het Openbaar Ministerie stelt zich primair op het standpunt dat het Gerecht in Eerste Aanleg onbevoegd is, nu de zaak in hoger beroep aanhangig is geweest. Subsidiair is het OM van mening dat de verzoeken moeten worden afgewezen omdat geen sprake is van een formele beslissing over het al dan niet verlenen van elektronisch toezicht aan verzoeker. Mocht die beslissing er komen, dan voert het OM aan dat verzoeker daartegen in beroep kan op grond van hoofdstuk 2 van de Wet administratieve rechtspraak BES. Dit geldt ook voor het geval er sprake zou zijn van een fictieve weigering. Gelet hierop is er volgens het OM geen sprake van een geval waarin het belang van een goede rechtspleging een voorziening dringend noodzakelijk maakt.

3.Beoordeling

3.1.
Met betrekking tot de vraag naar de bevoegdheid van het Gerecht in Eerste Aanleg overweegt het Gerecht als volgt. Formeel-juridisch is de zaak van verzoeker aanhangig geweest in hoger beroep. Dit zou betekenen dat het College van het Hof over deze zaak zou moeten beslissen, en niet het Gerecht in Eerste Aanleg. Feitelijk echter, is het Gerecht in Eerste Aanleg de enige instantie die inhoudelijk over de zaak van verzoeker heeft geoordeeld. In hoger beroep is de zaak immers, na een pro forma zitting, niet-ontvankelijk verklaard. In verband daarmee zou het meer voor de hand liggen het Gerecht in Eerste aanleg als de bevoegde instantie in dit geval te zien. Om doelmatigheidsredenen laat het Gerecht deze kwestie echter onbeantwoord en zal het deze zaak zelf afdoen, gelet op het volgende.
3.2.
Ingevolge artikel 43 Sv Pro kan in alle gevallen waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.
3.3.
Op grond van artikel 2, tweede lid Verlofregeling BES kan een gedetineerde worden vergund om al dan niet onder toezicht tijdelijk het gesticht te verlaten. Artikel 3, eerste lid Verlofregeling BES bepaalt dat de Minister van Justitie en Veiligheid over verlofaanvragen van gedetineerden beslist en dat de directeur van het JICN de minister over dergelijke aanvragen adviseert.
3.4.
Ingevolge artikel 3, eerste lid Beschikking elektronisch toezicht kan een gedetineerde op diens verzoek, of op verzoek van de directeur, of op verzoek van de reclasseringsinstelling, door de Minister worden vergund om bij wijze van verlof tijdelijk het gesticht te verlaten onder de voorwaarde dat de gedetineerde onder elektronisch toezicht wordt gesteld. Artikel 3, derde lid Beschikking elektronisch toezicht stelt dat een dergelijk verzoek moet worden ingediend door tussenkomst van de directeur.
3.5.
Hieruit volgt dat een gedetineerde die in aanmerking wil komen voor verlof onder elektronisch toezicht hiertoe een verzoek kan doen bij de Minister, via de directeur van de gevangenis. Verzoeker heeft een dergelijk verzoek echter nooit gedaan. Hij heeft enkel gewacht op een aanvraag ingediend door de JICN zelf, welke aanvraag er tot op heden niet is gekomen. Dit betekent dat voor verzoeker nog een rechtsgang open staat – namelijk het indienen van een verzoek bij de Minister via de directeur. De directeur is wettelijk gehouden dit verzoek, voorzien van zijn advies door te geleiden naar de minister.
3.6.
Nu de wet verzoeker een andere, specifieke rechtsgang biedt die hij nog niet heeft uitgeput, is verzoeker in zijn verzoek ex artikel 43 Sv Pro niet-ontvankelijk.

4.De beslissing

Het Gerecht:
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is uitgesproken op 12 juni 2026 door mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door de griffier J.M. Heeringa en op 22 juni 2026 op schrift gesteld.