ECLI:NL:OGEABES:2026:105

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
500.00215-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Opiumlandsverordening 1960Art. 11 Opiumlandsverordening 1960Art. 14 lid 3 sub a Opiumlandsverordening 1960Art. 2:404 SrArt. 3 Vuurwapenverordening 1930
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel in grote hoeveelheden drugs, witwassen en vuurwapeninvoer

Het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 21 mei 2026 uitspraak gedaan in een omvangrijke strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van handel in grote hoeveelheden cocaïne, witwassen en de invoer van vuurwapens. De zaak is gelieerd aan de Themis-zaken en is behandeld met procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging.

Tijdens de zittingen op 11 maart en 21 mei 2026 is vastgesteld dat de verdachte de inhoud en gevolgen van de procesafspraken begrijpt en hiermee instemt. De bewezenverklaring betreft onder meer de verkoop en aanwezigheid van circa 600 kilo, 43 kilo, 14 kilo en 5 kilo cocaïne, witwassen van geldbedragen afkomstig uit misdrijven en de invoer van vuurwapens en munitie. De tenlastelegging is conform de Opiumlandsverordening 1960 en de Vuurwapenverordening 1930.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de procesafspraken in redelijke verhouding staan tot de ernst van de feiten, het tijdsverloop en de belangen van de maatschappij. De strafrechtelijke belangen, waaronder vergelding, preventie en bescherming van de samenleving, worden voldoende gediend. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 68 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van Cg 200.000. Tevens is afstand gedaan van beslag op luxe goederen en is afgesproken dat geen hoger beroep zal worden ingesteld.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 68 maanden gevangenisstraf en een geldboete van Cg 200.000 voor medeplegen van handel in grote hoeveelheden drugs, witwassen en vuurwapeninvoer.

Uitspraak

Parketnummer: 500.00215/25

Uitspraak: 21 mei 2026 Tegenspraak

Verkort vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteland],
adres: [adres] in Curaçao,
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 en 21 mei 2026. De verdachte is beide keren verschenen, telkens bijgestaan door mr. E.F. Sulvaran, advocaat te Curaçao. Op 21 mei 2026 stond eveneens mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, de verdachte bij.
De officier van justitie, mr. R. Steen, heeft gevorderd dat het Gerecht (telkens) het primair tenlastegelegde van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een geldboete van Cg 200.000. Dit is conform de procesafspraken die het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben gemaakt over de uitkomst van deze strafzaak.
De raadslieden van de verdachte hebben geen verweren gevoerd en hebben zich in het verlengde van de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging overeengekomen procesafspraken geconformeerd aan de vordering van de officier van justitie.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, die in kopie als bijlage I aan dit vonnis is gehecht. De daarin vermelde tenlastelegging geldt als hier overgenomen.
Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, leest het Gerecht deze voor de leesbaarheid in de bewezenverklaring cursief verbeterd.
De verdenking komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van vier drugsfeiten van respectievelijk 600 kilo, 43 kilo, 5 kilo en 14 kilo cocaïne (volgens de artikelen 3, 11a en 14, derde lid onder sub a van de Opiumlandsverordening 1960), medeplegen van witwassen en het medeplegen van vuurwapenhandel.
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

Feit 1 - Primair

hij in de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 te Curaçao en/of Costa Rica, tezamen en in vereniging met anderen heeft verkocht,
- een hoeveelheid van ongeveer 600 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 2 - Primair

hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021 te Curaçao en/of Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft verkocht en/of aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van ongeveer 43 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 3 - Primair

hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 januari 2021 te Sint Maarten en/of Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960,
- een hoeveelheid van ongeveer 5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne (10 cilinder blokken
);

Feit 4 - Primair

hij in de periode van 1 januari 2021 tot en met 28 februari 2021 te Nederland en/of Colombia, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft uitgevoerd en/of heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van Pro de Opiumlandsverordening 1960,
- een hoeveelheid van ongeveer 14 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

Feit 5 primair

hij in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021, te Curaçao en/of Nederland en/of Costa Rica en/of Sint Maarten en/of Colombia tezamen en in vereniging met anderen,
meer geldbedragen,
voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 6 - Primair

dat hij in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 augustus 2020 te Curaçao tezamen en in vereniging met anderen, (hand)vuurwapen(s) en/of (automatische) vuurwapen(s), en/of geweergrana(a)t(en)
heeftingevoerd en daartoe met anderen telefonisch:
- berichten
heeftverstuurd over de aankoop en/of verkoop en/of de (vraag)prijs en/of de beschikbaarheid van (vuur)wapen(s) en;
- foto's van (hand)vuurwapen(s) en/of (automatische) vuurwapen(s), en/of geweergrana(a)t(en)
heeftgestuurd aan derden en;
- berichten
heeftverstuurd over het transporteren en/of het uithalen en/of het bewaren/opslaan (stashen) van (vuur)wapen(s).
Bewijsmiddelen
Tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte is overeengekomen dat geen hoger beroep tegen dit verkort vonnis zal worden ingesteld. Mocht dit toch gebeuren, dan zullen de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring worden opgenomen in een aanvulling op dit vonnis.
Procesafspraken
Totstandkoming
Op de terechtzitting van 11 maart 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging aan het Gerecht laten weten dat zij in gesprek waren over het maken van procesafspraken. De onderzoekswensen van de verdediging zijn op die zitting besproken, maar het Gerecht heeft de beslissing daarop aangehouden tot nader bericht over het schikkingstraject.
Per e-mail van 10 april 2026 heeft het Openbaar Ministerie aan het Gerecht gemeld dat de overeenkomst nog niet geheel gereed was, maar dat dit wel het geval zou zijn voorafgaand aan de zitting van 21 mei 2026. Op 7 mei 2026 heeft de officier van justitie aan het Gerecht een getekende maar ongedateerde overeenkomst gestuurd, met daarbij de mededeling dat de voorwaarden met de verdachte waren besproken en akkoord bevonden, maar dat nog overleg plaatsvond over de wijze waarop de boete zou worden betaald.
Op 21 mei 2026 hebben de officier van justitie en de verdediging een definitieve overeenkomst gesloten en getekend over het verdere verloop van de strafprocedure en de wijze waarop de strafzaak zal worden afgedaan. Het Gerecht heeft die overeenkomst op de zitting ontvangen. De afspraken zijn op de zitting van 21 mei 2026 besproken en beide partijen hebben de overeenkomst en de wijze van totstandkoming daarvan nader toegelicht.
Inhoud afspraken
In het kader van deze overeenkomst zijn het Openbaar Ministerie en de verdachte overeengekomen dat het
Openbaar Ministerie:
  • zal rekwireren tot een bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten;
  • zal rekwireren tot een strafoplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achtenzestig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en daarnaast een geldboete van Cg 200.000,=;
  • na het uitzitten van een daartoe bepaald gedeelte van de gevangenisstraf in Curaçao, positief zal adviseren ten aanzien van een gezinshereniging in Nederland in het kader van de Onderlinge Regeling Detentiecapaciteit;
  • zal afzien van een ontneming van het onrechtmatig verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie en de verdachte zijn verder overeengekomen dat
verdachtein het kader van deze overeenkomst:
  • geen onderzoekswensen zal indienen en de reeds ingediende onderzoekswensen zal intrekken;
  • geen bewijsverweren zal voeren;
  • niet meer zal worden vervolgd voor soortgelijke drugs- en wapen,- en financiële feiten in de tenlastegelegde periode;
  • geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;
  • afstand doet van de in beslag genomen goederen, te weten twee Rolex horloges, een gouden ketting en verschillende telefoons;
  • zich niet zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf.
Tot slot zien beide partijen af van het instellen van hoger beroep indien het Gerecht komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform deze overeenkomst.
De beoordeling van de procesafspraken
Het Gerecht is bij de beoordeling van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
Het Gerecht heeft tijdens de inhoudelijke behandeling op 21 mei 2026 het afdoeningsvoorstel in samengevatte vorm voorgehouden en de consequenties daarvan met de verdachte besproken. Het Gerecht heeft vastgesteld dat de verdachte de inhoud van de gemaakte afspraken kent en dat hij de procesrechtelijke gevolgen van de afspraken begrijpt en hiermee instemt.
Het Gerecht is van oordeel dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke regeling en de eisen van een eerlijk proces. Verdachte heeft rechtsbijstand gehad en heeft vrijwillig, op basis van voldoende en voor hem ook duidelijke informatie meegewerkt aan het afdoeningsvoorstel en het afstand doen van zijn
verdedigingsrechten. Verdachte heeft de tijd gekregen en genomen om over de gevolgen van de procesafspraken na te denken en daarmee in te stemmen. Hij is zich bewust van de rechtsgevolgen. Naar het oordeel van het Gerecht is er geen afbreuk gedaan aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM Pro
toekomende recht op een eerlijk proces.
Voor het overnemen van de procesafspraken kijkt het Gerecht niet alleen of zij bijdragen aan het verkorten van de procedure en het efficiënter en effectiever afdoen van de zaak waar de afspraken op zien, maar ook of de overeengekomen afspraken voor de beëindiging van de zaak in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak, mede gelet op de in artikel 392 en Pro 394 Sv genoemde vraagpunten.
Het Gerecht heeft bij de beoordeling daarvan mede in aanmerking genomen het tijdsverloop in deze zaak, maar ook de vraag of in deze zaak, als gevolg van de hiervoor genoemde procesafspraken, op voldoende wijze recht wordt gedaan aan de met het strafrecht te dienen doelen, waaronder vergelding, generale en speciale preventie en de bescherming van de maatschappij. Het Gerecht beantwoordt deze vraag bevestigend.
Het Gerecht is dan ook van oordeel dat de gemaakte procesafspraken in deze zaak niet op gespannen voet staan met de strafdoelen en de in het strafproces spelende belangen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het
onder 1 primairbewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub B van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod
Het
onder 2 primairbewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub B en C van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B en C van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod
Het
onder 3 primair en 4 primairbewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid onder c sub A, van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
telkens:
medeplegen van
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960 gegeven verbod
Het
onder 5 primairbewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:404 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van witwassen
Het
onder 6 primairbewezen verklaarde is voorzien in artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930 en strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1960
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straffen
Bij de bepaling van de op te leggen straffen heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met anderen zich schuldig heeft gemaakt aan handel in grote hoeveelheden drugs. Hij heeft met zijn handelen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de (internationale) handel in verdovende middelen. Verdovende middelen vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid van gebruikers en de handel daarin gaat veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit.
Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Witwassen vormt een ernstige aantasting van de legale economie en faciliteert het voortbestaan van onderliggende criminaliteit, waaronder drugshandel.
Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de invoer van vuurwapens. De aanwezigheid van en handel in vuurwapens is een groot probleem in Curaçao en wordt zwaar bestraft. Vuurwapeninvoer en vuurwapenbezit lokt het gebruik van vuurwapens uit, met alle gevolgen van dien.
De aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten brengen mee dat in ieder geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is. Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het Gerecht niet alleen acht geslagen op de ernst van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet, maar ook op het tijdsverloop en de gemaakte procesafspraken in deze zaak.
Het Gerecht is van oordeel dat de binnen de procesafspraken overeengekomen afdoening in redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten, het tijdsverloop en de belangen van de maatschappij bij een doelmatige en tijdige afdoening van strafzaken. Daarbij vindt het Gerecht van belang dat met de gemaakte afspraken wordt bijgedragen aan een efficiënte afdoening van de zaak, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de normhandhavende werking van het strafrecht of aan het belang van de samenleving bij adequate bescherming tegen strafbare feiten.
Kortom, het Gerecht vindt de door het Openbaar Ministerie gevorderde en tussen partijen overeengekomen straffen redelijk en passend. Het Gerecht zal daarom opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van Cg 200.000.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de al eerder aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:54, 1:55, 1:58, 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de
68 maanden;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
Cg 200.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
365 dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door de griffier mr. S. Pesch, en op 21 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.