ECLI:NL:OGEABES:2026:115

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BON202600004
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv BESArt. 814 Rv BESArt. 1:151 BW BESArt. 5 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing internationaal privaatrecht bij eenzijdig verzoek echtscheiding met nevenvoorzieningen

De vrouw verzoekt de echtscheiding uit te spreken, het gezag over het minderjarige kind aan haar toe te wijzen, alimentatiebijdragen vast te stellen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te regelen. De man voert geen verweer.

Het gerecht stelt vast dat het bevoegd is op grond van woonplaats van de man en het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Het toepasselijk recht voor echtscheiding, gezag en alimentatie is het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, terwijl voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap Colombiaans recht geldt.

De echtscheiding en de verdeling van de gemeenschap worden toegewezen. Beslissingen over het gezag en de alimentatie worden aangehouden en de Voogdijraad wordt verzocht onderzoek te doen en te rapporteren. Uitvoerbaarheid bij voorraad wordt niet toegekend omdat inschrijving in de registers vereist is.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, verdeling gemeenschap toegewezen, gezag en alimentatie aangehouden voor nader onderzoek.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600004
datum beslissing: 27 mei 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
[de vrouw],
ingeschreven te Bonaire en feitelijk verblijvende te Colombia,
verzoekster,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. D.G. Kock,
tegen
[de man],
wonende te Bonaire,
verweerder,
hierna: de man.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad).

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 6 januari 2026 op de griffie van het gerecht ingediend. De man heeft geen schriftelijk verweer gevoerd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. De gemachtigde van de vrouw is door middel van videoverbinding vanuit Aruba verschenen. De vrouw is niet verschenen (het lukte haar niet om via de videoverbinding contact te maken). De man is, ondanks behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [huwelijksdatum] 2018 zijn de man en de vrouw te Yumbo (Colombia) in algehele gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd.
2.2.
Tijdens het huwelijk is het thans nog minderjarige kind
[minderjarige](hierna: [minderjarige]) geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ([geboorteland]).

3.Het verzoek en de beoordeling

Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • alleen de vrouw met het gezag over [minderjarige] te belasten;
  • te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van Afl. 875,00 ($ 486,13) per maand betaalt aan de vrouw, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand;
  • te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in het levensonderhoud betaalt van Afl. 1.000,00 ($ 555,57) per maand, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand;
  • scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap te bevelen;
  • benoeming van een notaris voor het geval partijen niet binnen 30 dagen na inschrijving van de beschikking overeenstemming hebben bereikt over de keuze van een notaris;
  • benoeming van een onzijdig persoon voor het geval een partij weigert of nalatig blijft tot de verdeling mee te werken;
  • compensatie van de proceskosten.
De beoordeling
3.2.
Het gerecht moet allereerst beoordelen of het bevoegd is te beslissen op het ingediende echtscheidingsverzoek met nevenvoorzieningen. Dat is inderdaad het geval. Op grond van artikel 814 Rv Pro BES komt met betrekking tot echtscheiding en daarmee verband houdende verzoeken tot het treffen van een nevenvoorziening aan de rechter rechtsmacht toe, onder meer indien ten tijde van het verzoekschrift een van de echtgenoten sedert twaalf maanden woonplaats of gewone verblijfplaats hier te lande heeft. Dat laatste geldt in elk geval voor de man. Het gerecht heeft daarmee rechtsmacht, niet alleen ten aanzien van de echtscheiding maar ook ten aanzien van de nevenvoorzieningen inzake kinder- en partneralimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen. Ten aanzien van de gezagsvoorziening ontleent het gerecht zijn bevoegdheid aan art. 5 lid 1 van Pro het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Hierin is bepaald dat de rechter van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is. Volgens het overgelegde uittreksel uit de basisadministratie van Bonaire heeft [minderjarige] de Nederlandse en Colombiaans nationaliteit. Tot voor kort woonde zij met haar ouders op Bonaire. Zij staat ook nog ingeschreven op Bonaire. Ter zitting is gebleken dat de moeder op dit moment met [minderjarige] in Colombia verblijft, maar dat dit een tijdelijke situatie is; haar bedoeling is dat zij naar Bonaire terugkeren of naar Aruba gaan. Bij deze stand van zaken moet worden aangenomen dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats nog steeds op Bonaire heeft. Omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een staat die partij is bij het verdrag, is de bevoegdheidsregeling uit dit verdrag hier van toepassing.
3.3.
Met betrekking tot het toepasselijke recht geldt het volgende. Op het verzoek tot echtscheiding is het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing, nu de gewone verblijfplaats van de man op Bonaire is en de gewone verblijfplaats van de vrouw ook nog steeds wordt geacht op Bonaire te zijn (aangezien zij tot voor kort met haar gezin op Bonaire woonde en nu slechts tijdelijk in Colombia verblijft). Op het verzoek te bepalen dat het gezag over de minderjarige bij moeder zal berusten, is eveneens het recht van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba van toepassing. Dat volgt uit artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag, dat bepaalt dat de rechter het eigen interne recht toepast. Ook op de verzoeken om kinder- en partneralimentatie is het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing: op grond van artikel 4 van Pro het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen 1973 beheerst de interne wet van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde deze onderhoudsverplichtingen. Zoals hiervoor is overwogen is dat nog steeds Bonaire. Op de verzoeken die betrekking hebben op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is volgens de verwijzingsregels uit het Chelouche/Van Leer-arrest [1] Colombiaans recht van toepassing, omdat niet blijkt dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt en de ten tijde van de huwelijksvoltrekking aanwezige, aan beide echtgenoten gemene aanknopingsfactoren naar Colombia verwijzen (het huwelijk is in Colombia gesloten, partijen hadden beiden de Colombiaanse nationaliteit en zij woonden kennelijk ook in Colombia, zodat bij ontbreken van aanwijzingen voor iets anders valt aan te nemen dat hun eerste huwelijksdomicilie ook in Colombia was).
3.3.
De man heeft, ondanks dat hij op de hoogte was van het verzoek en de datum en tijdstip van de mondelinge behandeling, geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het verzoek van de vrouw om de echtscheiding uit te spreken is dan ook niet weersproken en zal als op de wet gegrond (art. 1:151 BW Pro BES) worden toegewezen.
3.4.
Ook het verzoek tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap is niet weersproken. Het gerecht gaat ervan uit dat deze als gevolg van de echtscheiding ook naar Colombiaans recht zal moeten plaatsvinden. Het gerecht zal het verzoek daartoe dan ook als op de wet gegrond toewijzen met ingang van datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
3.5
Met betrekking tot het verzoek om een notaris te benoemen ten overstaan van wie de scheiding en deling zal plaatsvinden overweegt het gerecht dat op grond van de wet (art. 677 Rv Pro BES) een beslissing tot verdeling van de gemeenschap ook een bevel tot verdeling ten overstaan van een notaris inhoudt. De benoeming van een notaris vindt pas plaats op het moment dat partijen het niet eens kunnen worden over de keuze van de notaris. Uit het verzoek is onvoldoende gebleken dat er geen overeenstemming is met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of over de keuze van de notaris. Evenmin is gesteld of gebleken dat de man geen medewerking verleent aan de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op grond waarvan een onzijdig persoon zou moeten worden benoemd.
3.6.
Uitgangspunt is dat na een echtscheiding beide ouders belast blijven met het gezag. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw met [minderjarige] eerst naar Aruba is vertrokken en nu tijdelijk in Colombia verblijft. De gemachtigde van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat het vertrek naar Colombia is ingegeven door de omstandigheid dat de vrouw geen legale verblijfsstatus op Aruba en Bonaire heeft en dat de vrouw de intentie heeft om of naar Aruba of Bonaire terug te keren. De Voogdijraad heeft ter zitting verklaard dat zij op dit moment nog geen signalen heeft ontvangen waaruit blijkt dat het gezamenlijk gezag beëindigd dient te worden en dat de intentie van de vrouw om terug te keren naar Bonaire een reden is het gezamenlijk gezag in stand te laten. Het gerecht overweegt dat een beslissing over het gezag over [minderjarige] gebaseerd moet zijn op voldoende relevante informatie en zal daarom de Voogdijraad verzoeken onderzoek te doen naar de gewenste gezagssituatie en het gerecht daarover uiterlijk 19 augustus 2026 te informeren
3.7.
Met betrekking tot het verzoek tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] overweegt het gerecht dat ook op dit punt nadere informatie nodig is. Het gerecht zal de Voogdijraad verzoeken onderzoek te doen naar de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van beide ouders om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en het gerecht hierover uiterlijk 19 augustus 2026 te informeren.
3.8.
Met betrekking tot het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van Afl. 1.000,- per maand moet betalen, overweegt het gerecht dat sprake kan zijn van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw. Aan toewijzing van partneralimentatie wordt echter pas toegekomen als blijkt dat na vaststelling van de te betalen kinderalimentatie voldoende draagkracht bij de man overblijft. Een beslissing op dit verzoek zal het gerecht daarom aanhouden tot de rolzitting van 26 augustus 2026.
3.9.
De beslissing over de echtscheiding zal niet, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat die hoe dan ook pas tot stand komt door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat ook de met de echtscheiding samenhangende overige beslissingen niet uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] 2018 te Yumbo (Colombia);
4.2.
beveelt partijen om, na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers, ten overstaan van een notaris met elkaar over te gaan tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap;
4.3.
verzoekt de Voogdijraad onderzoek te doen naar de gewenste gezagssituatie en de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de uitkomsten hiervan
uiterlijk op 19 augustus 2026bij het gerecht in te dienen;
4.4.
houdt verder iedere beslissing aan tot de rolzitting van
26 augustus 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Wattel, rechter, en op 27 mei 2026 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 10 december 1976, NJ 1977, 275.