ECLI:NL:OGEABES:2026:116

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BON202600005
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en schoonmaakkosten na voortijdig vertrek huurder afgewezen vorderingen overige kosten

Legalitas Investments B.V. verhuurde een woning aan Stichting Leergeld BES voor kinderopvang. De huurder betaalde de huur van augustus tot en met november 2025 niet en vertrok op 30 november 2025 uit het gehuurde. Legalitas vorderde betaling van de huurachterstand, toekomstige huurtermijnen, water- en elektriciteitskosten, schoonmaak- en herstelkosten, schadevergoeding voor ontvreemde en beschadigde inboedel, en stelde bestuurdersaansprakelijkheid van een bestuurder van de Stichting.

Het gerecht oordeelde dat de Stichting de huurachterstand van USD 15.157,00 en schoonmaakkosten van USD 956,12 moet betalen, waarbij deze bedragen worden verrekend met de borgsom. De vordering voor resterende huurtermijnen werd afgewezen omdat de verhuurder de overeenkomst tussentijds kon opzeggen om zelf in de woning te gaan wonen. De vorderingen voor water- en elektriciteitskosten, herstelkosten en schadevergoeding voor inboedel werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De vordering tegen de bestuurder op grond van bestuurdersaansprakelijkheid werd afgewezen omdat niet is gebleken dat deze bestuurder wist of had moeten weten dat de Stichting haar verplichtingen niet kon nakomen. De Stichting werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en beslagkosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De huurder moet de huurachterstand en schoonmaakkosten betalen, overige vorderingen en bestuurdersaansprakelijkheid worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600005
datum uitspraak: 27 mei 2026
in de zaak van
LEGALITAS INVESTMENTS B.V.,
gevestigd op Bonaire,
eisende partij,
hierna: Legalitas,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen

1.STICHTING LEERGELD BES,

gevestigd op Bonaire,
hierna: de Stichting,
2.
[gedaagde 2],
wonend op Bonaire,
hierna: [gedaagde 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 7 januari 2026 met producties;
  • het verweerschrift met producties;
  • het e-mailbericht van 22 april 2026 met aanvullende producties van [gedaagde partijen];
  • de akte met een vermeerdering van eis met producties van Legalitas;
  • de aanvullende producties van Legalitas.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Namens Legalitas is mevrouw [bestuurder van legalitas] (bestuurder van Legalitas) verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. [gedaagde 2] is verschenen namens zichzelf en als bestuurder van de Stichting.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat op 27 mei 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
Legalitas heeft een woning aan de Stichting verhuurd. Legalitas eist betaling van een huurachterstand, toekomstige huurtermijnen, de water- en elektriciteitsrekening, schoonmaakkosten, kosten voor herstelwerkzaamheden en kosten voor ontvreemde en beschadigde inboedel. Volgens Legalitas is naast de Stichting ook [gedaagde 2] als bestuurder van de Stichting voor de huurachterstand en de schade aansprakelijk. De vorderingen van Legalitas tegen de Stichting worden gedeeltelijk toegewezen. De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
Op 16 juli 2025 is tussen Legalitas en de Stichting een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de woning aan de [adres] op Bonaire (hierna: het gehuurde) ten behoeve van de exploitatie van een kinderopvang. De huurovereenkomst is aangegaan voor de periode vanaf 1 augustus 2025 tot 1 augustus 2027. De maandelijkse huurprijs bedraagt USD 3.871,40. Bovendien verplicht de huurovereenkomst de Stichting om een borgsom te betalen van USD 3.871,40.
3.2.
Voor de exploitatie van de kinderopvang heeft de Stichting een subsidie aangevraagd bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Op 10 oktober 2025 heeft het ministerie een e-mailbericht gestuurd aan de Stichting waarin staat dat het voorschot van de subsidie voor kwartaal 4 in de week van 13 oktober 2025 wordt uitbetaald.
3.3.
De Stichting heeft de huurprijs over de periode augustus tot en met november 2025 niet betaald. De Stichting is op 30 november 2025 uit het gehuurde vertrokken.

4.De beoordeling

Overweging vooraf
4.1.
Opmerking vooraf verdient dat het petitum van Legalitas in het verzoekschrift een groot aantal onduidelijkheden bevat. Zo is in het gevorderde bedrag van de huurachterstand al een bedrag aan contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten opgenomen, maar wordt vervolgens gevorderd dit bedrag nog weer met contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen. Vervolgens worden afzonderlijk schoonmaak- en herstelkosten gevorderd, die ook weer zouden moeten worden vermeerderd met contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. Daarna wordt nog weer afzonderlijk een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Verder wordt in het verzoekschrift een bedrag van USD 205,05 aan waterrekening en een bedrag van USD 662,49 aan elektriciteitsrekening gevorderd, welke bedragen vervolgens in haar eisvermeerdering worden vermeerderd met USD 205,05 aan waterkosten en USD 764,32 aan elektrakosten terwijl dit vermoedelijk dezelfde kosten betreffen.
4.2.
Niet alleen is het hierdoor moeilijk voor [gedaagde partijen] om zich daartegen te verdedigen, het is ook voor het Gerecht moeilijk te achterhalen waar nu wel en waar nu niet op beslist hoeft te worden. Bovendien wekt het de indruk dat Legalitas probeert het gevorderde bedrag zoveel mogelijk ‘op te plussen’, een indruk die versterkt wordt door de omstandigheid dat het hier gaat om een gedaagde die slechts vier maanden heeft gewoond in een huurwoning met een huurprijs van USD 3.871,40 per maand en nu geconfronteerd wordt met een vordering van meer dan USD 100.000,00. Ook is het Gerecht in dit verband gebleken dat Legalitas in haar verzoekschrift en bij de eisvermeerdering ten onrechte geen melding heeft gemaakt van bedragen die door de Stichting betaald zijn. Het Gerecht zal daarom bij onduidelijkheden of een vermoeden van dubbeltellingen de betreffende posten afwijzen.
De Stichting moet de huurachterstand betalen
4.3.
De Stichting is vanaf 1 augustus 2025 tot en met 30 november 2025 in het gehuurde gebleven. Over die periode was de Stichting een huurprijs van in totaal USD 15.485,60 verschuldigd aan Legalitas. Bovendien moest de Stichting een borgsom betalen van USD 3.871,40. De Stichting heeft in die periode een totaalbedrag van USD 4.200 betaald. Die betaling heeft voor een deel betrekking op de borgsom. Het andere deel van USD 328,60 kan als huurbetaling worden aangemerkt. Er resteert dus een huurachterstand van USD 15.157,00. De Stichting zal worden veroordeeld om de huurachterstand te betalen, met inachtneming van wat hierna over verrekening met de borgsom zal worden besproken.
De Stichting hoeft de resterende huurtermijnen niet te betalen
4.4.
Legalitas eist betaling van de resterende huur over de periode waarvoor de huurovereenkomst is afgesloten. Dat komt volgens Legalitas neer op een totaalbedrag van USD 77.428,00.
4.5.
De huurovereenkomst bepaalt in artikel 8.7 dat de Stichting, als zij de huurovereenkomst vóór de overeengekomen termijn van 2 jaar beëindigt, de resterende huurtermijnen verschuldigd is totdat er een huurovereenkomst met een nieuwe huurder is getekend. In de huurovereenkomst staat in artikel 2.3 echter ook dat de verhuurder de overeenkomst tussentijds kan opzeggen als deze de woning zelf wil gaan bewonen. In de als productie 18 door Legalitas overgelegde Whatsapp correspondentie bevindt zich een bericht van de heer [correspondent legalitas] (die namens Legalitas correspondeert) van 8 november 2025 waarin hij zegt dat de Stichting de woning uiterlijk 30 november 2025 moet ontruimen, omdat hij er per 1 december 2025 ‘zelf in gaat’. Gelet daarop staat onvoldoende vast dat het in dit geval de Stichting is geweest die de overeenkomst voortijdig heeft beëindigd. Dat de beëindiging door Legalitas mogelijk het gevolg is geweest van de betalingsachterstand van de Stichting, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de vordering met betrekking tot de resterende huurtermijnen wordt afgewezen.
Water- en elektriciteitsrekening
4.6.
Legalitas stelt dat de Stichting een water- en elektriciteitsrekening niet betaald heeft. De openstaande water- en elektriciteitsrekening bedraagt volgens Legalitas, na vermeerdering van eis, respectievelijk USD 205,05 en USD 764,32.
4.7. [
gedaagde partijen] heeft aangevoerd dat de waterrekening (deels) betrekking heeft op een periode van vóór de ingangsdatum van de huurovereenkomst en dat de onderliggende elektriciteitsrekening niet is overgelegd. Daardoor valt niet te controleren op welke periode de elektriciteitsrekening betrekking heeft. In het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partijen] heeft Legalitas nagelaten haar vordering deugdelijk te onderbouwen. Bij de betalingsbewijzen (productie 10 van Legalitas) ontbreken de onderliggende facturen en de wel in het geding gebrachte facturen zien op andere bedragen. De facturen van de waterrekening zien deels op een periode van vóór de ingangsdatum van de huurovereenkomst. De vordering die ziet op een openstaande water- en elektriciteitsrekening zal vanwege een niet deugdelijke onderbouwing worden afgewezen.
Schoonmaakkosten
4.8.
Legalitas stelt dat het gehuurde bij de ontruiming niet schoon achtergelaten is. Zij heeft een schoonmaakbedrijf ingeschakeld om het gehuurde schoon te maken. Legalitas vordert een bedrag aan schoonmaakkosten van USD 957,00.
4.9.
Uit de door Legalitas overgelegde foto’s en het inspectieverslag van 24 november 2025 blijkt dat de Stichting het gehuurde niet schoon en opgeruimd heeft achtergelaten. De gevorderde schoonmaakkosten zijn daarom toewijsbaar. Uit de overgelegde factuur blijkt dat de schoonmaakkosten USD 956,12 bedragen. Dát bedrag zal worden toegewezen.
Herstelkosten
4.10.
Legalitas stelt dat de Stichting het gehuurde met schade heeft achtergelaten. Voor de herstelkosten van de schade vordert Legalitas een bedrag van USD 2.998,36.
4.11.
In het procesdossier bevinden zich geen foto’s en beschrijving van de staat van het gehuurde bij aanvang van de huurperiode van de Stichting. De overgelegde zwart-wit foto’s van het einde van de huurperiode zijn onvoldoende duidelijk om vast te stellen dat het gehuurde met schade is achtergelaten door de Stichting. In het inspectieverslag van 24 november 2025 staat dat er
“geen grote beschadigingen”zijn aangetroffen. Aan de verklaring van 12 januari 2026 van dezelfde inspecteur dat het pand
“enorm veel schade had”kan zonder nadere toelichting – die ontbreekt – onvoldoende waarde worden toegekend. Bovendien ontbreken facturen van de herstelwerkzaamheden. Al met al heeft Legalitas haar stelling dat het gehuurde met schade is achtergelaten en zij daardoor schade heeft geleden onvoldoende onderbouwd. Haar vordering tot betaling van herstelkosten zal daarom worden afgewezen.
Ontvreemde en beschadigde inboedel
4.12.
Legalitas stelt dat verschillende goederen die behoren tot het gehuurde door de Stichting zijn ontvreemd of beschadigd. Volgens Legalitas gaat het daarbij om acht kussens, bestek en een bestekbak, schoonmaakspullen, een sleutel, gordijnrails, twee tafels en twee lampen. Legalitas vordert schadevergoeding voor vervanging of herstel van die goederen.
4.13. [
gedaagde partijen] heeft betwist dat zij goederen die behoorde tot het gehuurde heeft ontvreemd of beschadigd. Tegenover de betwisting van [gedaagde partijen] heeft Legalitas haar stellingen over het ontvreemden of beschadigen van inboedel onvoldoende onderbouwd. Haar vordering tot schadevergoeding voor vervanging of herstel van die goederen wordt afgewezen.
Contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
In haar verzoekschrift vordert Legalitas een totaalbedrag van USD 96.436,44. In dat bedrag zit een component voor contractuele boetes van USD 1.200,00 en voor buitengerechtelijke incassokosten van USD 2.232,84. Verzocht wordt het totaalbedrag van USD 96.436,44 weer met contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen (randnummer 2.4 van het verzoekschrift). Daarnaast heeft Legalitas in haar petitum een separate vordering ingesteld voor een bedrag van USD 1.675,50 voor buitengerechtelijke incassokosten. Onduidelijk is gebleven of sprake is van dubbeltellingen en wat de grondslagen zijn om al deze verschillende boetes en buitengerechtelijke incassokosten te vorderen. Daarom worden – mede onder verwijzing naar wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen – de gevorderde contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Verklaring voor recht dat de Stichting een bedrag aan Legalitas moet betalen
4.15.
Legalitas vordert een verklaring voor recht dat de Stichting gehouden is een bedrag van USD 96.436,44 aan haar te betalen. Legalitas heeft niet gesteld wat haar afzonderlijk belang is van de gevorderde verklaring voor recht naast haar vordering tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht afgewezen.
Verrekening met betaalde borgsom
4.16.
Het bovenstaande betekent dat de Stichting een bedrag van USD 15.157,00 aan huurachterstand en een bedrag van USD 956,12 aan schoonmaakkosten verschuldigd is. Dit totaalbedrag van USD 16.113,12 kan – overeenkomstig het verzoek daartoe van De Stichting – worden verrekend met het door haar betaalde bedrag aan borgsom van USD 3.871,40. Er resteert dus een te betalen bedrag van USD 12.241,72. Dit bedrag zal – het gevorderde onder I en III in het petitum in samenhang lezende – worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover. Niet valt in te zien – en niet is onderbouwd – waarom de ingangsdatum van de wettelijke rente 1 augustus 2025 zou moeten zijn. Als ingangsdatum zal daarom de datum van indiening van het verzoekschrift, 7 januari 2026, worden gehanteerd.
Persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2]
4.17.
Legalitas stelt dat [gedaagde 2] als bestuurder van de Stichting persoonlijk aansprakelijk is voor haar schade. Volgens Legalitas wist [gedaagde 2] bij het sluiten van de huurovereenkomst dat de Stichting haar daaruit voortvloeiende verplichtingen niet zou kunnen nakomen. [gedaagde 2] heeft tegenover Legalitas geen openheid van zaken gegeven over de betalingsonmacht van de Stichting en heeft herhaaldelijk betalingsbeloften gedaan. Bovendien is volgens Legalitas sprake van opzettelijke misleiding, omdat [gedaagde 2] bij het sluiten van de huurovereenkomst essentiële informatie over de financiële positie van de Stichting heeft achtergehouden. Daardoor is de huurovereenkomst onder invloed van bedrog tot stand gekomen, aldus Legalitas.
4.18.
Het uitgangspunt is dat bij een onbetaald gelaten vordering op een rechtspersoon de schuldeiser de vordering alleen op de rechtspersoon kan verhalen. Uit vaste jurisprudentie volgt dat naast aansprakelijkheid van de vennootschap onder omstandigheden ook grond kan zijn voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als de bestuurder namens een vennootschap handelt en verbintenissen aangaat waarvan hij weet of hoort te weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen kan voldoen en geen verhaal biedt. Ook een bestuurder die heeft bewerkstelligd dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt kan aansprakelijk zijn. Daarnaast kan ook in andere gevallen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid. Steeds moet de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Van zo’n persoonlijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als de bestuurder wist of redelijkerwijze moest begrijpen dat de door hem toegelaten of bewerkstelligde handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als
gevolg daarvan optredende schade.
4.19.
Weliswaar heeft [gedaagde 2] risico genomen door de woning van Legalitas te huren terwijl de subsidieverstrekking nog onzeker was, maar dat betekent niet dat [gedaagde 2] bij het sluiten van de huurovereenkomst wist dat de Stichting haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Vast staat dat zij de subsidie heeft aangevraagd en niet gebleken is dat de subsidieaanvraag van aanvang af kansloos was. Legalitas heeft onvoldoende onderbouwd dat voldaan is aan de strenge vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid. De vorderingen tegen [gedaagde 2] zullen daarom worden afgewezen. Dat brengt met zich dat de verzoeken van Legalitas om verschillende veroordelingen hoofdelijk uit te spreken ook zullen worden afgewezen. De gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde 2] als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk is deelt dat lot.
[gedaagde partijen] moet proceskosten betalen
4.20.
In haar akte vermeerdering van eis vordert Legalitas om [gedaagde 2] te veroordelen in
“de volledige proceskosten”. Voor zo ver Legalitas daarmee bedoelt om [gedaagde 2] te veroordelen in alle daadwerkelijke proceskosten, wordt die vordering afgewezen. Los van het feit dat voor toewijzing van een dergelijke vordering sprake moet zijn van procesvoering van [gedaagde 2] die onrechtmatig of in strijd met de goede procesorde is en daar niet van gebleken is, wordt de vordering tegen [gedaagde 2] integraal afgewezen. Voor een kostenveroordeling van [gedaagde 2] is geen plaats.
4.21.
De Stichting zal worden veroordeeld om de proceskosten van Legalitas te betalen volgens het liquidatietarief. Daarbij wordt het tarief aangehouden dat hoort bij de hoogte van de toegewezen vordering en niet bij de hoogte van de vordering die Legalitas heeft ingesteld. Ook het door de Stichting aan Legalitas te betalen griffierecht zal worden begroot op basis van het griffierecht dat Legalitas had moeten betalen bij een zaak ter hoogte van de toegewezen vordering. De proceskosten worden begroot op USD 419,00 aan griffierecht, USD 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift, USD 1.118,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief 4) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.23.
Tot de proceskosten behoren ook de kosten voor het gelegde conservatoire beslag. Legalitas heeft een factuur van de deurwaarder van 18 december 2025 overgelegd met een bedrag van USD 2.631,47. Daarnaast zijn twee facturen van de deurwaarder van 13 januari 2026 overgelegd met hetzelfde factuurnummer waarop verschillende bedragen staan vermeld, namelijk USD 954,00 en USD 1.113,00. Het is onduidelijk of dit twee separate facturen zijn die Legalitas aan de deurwaarder heeft moeten betalen of dat één van de facturen van 13 januari 2026 een correctie van de andere factuur is van dezelfde dag. Vanwege die onduidelijkheid wordt betaling van de facturen van 13 januari 2026 afgewezen. Het griffierecht dat Legalitas heeft betaald voor haar beslagverzoek is in mindering gebracht op het te betalen griffierecht in de hoofdzaak. Het totale bedrag aan griffierecht is meegenomen in de proceskostenveroordeling uit rechtsoverweging 4.21.
4.24.
De Stichting wordt veroordeeld om beslagkosten te betalen voor een bedrag van USD 2.631,47. In haar verzoekschrift heeft Legalitas wettelijke rente gevorderd over de beslagkosten. In haar eisvermeerdering heeft zij haar vordering tot betaling van de beslagkosten vermeerderd, maar geen wettelijke rente meer gevorderd over de beslagkosten. Het Gerecht begrijpt daaruit dat zij haar vordering tot betaling van de wettelijke rente over de beslagkosten heeft ingetrokken.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.25.
De beslissingen in dit vonnis worden, zoals gevraagd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Van kenbare bezwaren van de Stichting tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als de Stichting in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.

5.De beslissing

Het Gerecht:
5.1.
wijst de vorderingen van Legalitas tegen [gedaagde 2] af;
5.2.
veroordeelt de Stichting om aan Legalitas te betalen een bedrag van USD 12.241,72, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 januari 2026;
5.3.
veroordeelt de Stichting in de proceskosten van USD 1.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek BES over de proceskosten uit rechtsoverweging 5.3 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
veroordeelt de Stichting om aan Legalitas te betalen een bedrag van USD 2.631,47 aan beslagkosten;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.