ECLI:NL:OGEABES:2026:117

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BON202500399
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BW BESArt. 3:185 BW BESArt. 183 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling erfpachtrecht en afwijzing gebruiksvergoeding tussen erfgenamen

Partijen zijn broer en zussen die ieder een derde deel van het recht van erfpacht op een perceel met woning van hun ouders hebben gekregen. Na het overlijden van hun moeder, die vruchtgebruik had, vordert eiser in conventie de verdeling van het erfpachtrecht en een gebruiksvergoeding van een deelgenoot die de woning bewoont.

De rechtbank beveelt de verdeling van het erfpachtrecht en bepaalt dat het onroerend goed via een erkende makelaar op Bonaire binnen 18 maanden te koop wordt aangeboden. Indien niet verkocht, volgt een openbare verkoop ten overstaan van een notaris. De vordering tot gebruiksvergoeding wordt afgewezen omdat eiser niet heeft bijgedragen aan woonlasten en geen gebruik heeft gemaakt van de woning.

Tegenvorderingen van de deelgenoten worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan grondslag of te late indiening. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het gerecht beveelt de verdeling van het erfpachtrecht en wijst de vorderingen tot gebruiksvergoeding af.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500399
datum uitspraak: 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser in conventie, verweerder in reconventie tegen gedaagde 2],
wonend in Nederland,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in de reconventionele vordering van [gedaagde 2],
hierna: [eiser in conventie],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen

1.[gedaagde 1, eiser in reconventie tegen gedaagde 2],

wonend op Bonaire,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie tegen [gedaagde 2],
hierna: [gedaagde 1],
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

2.[gedaagde 2, eiser in reconventie tegen eiser in conventie],

wonend op Bonaire,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie tegen [eiser in conventie],
verwerende partij in de reconventionele vordering van [gedaagde 1],
hierna: [gedaagde 2],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 6 augustus 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties van [gedaagde 1];
  • het proces-verbaal van het mondelinge antwoord op de rolzitting van 26 november 2025 met eis in reconventie van [gedaagde 2].
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Partijen zijn verschenen. [eiser in conventie] werd bijgestaan door mr. Winkel en [gedaagde 1] werd bijgestaan door mr. Nicolaas.
1.3.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een akte met een productie en een vordering in reconventie in het geding gebracht. Tegen het inbrengen van die akte hebben partijen geen bezwaar kenbaar gemaakt.
1.4.
Ten slotte is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn broer en zussen en hebben ieder voor 1/3e deel een recht van erfpacht op een perceel grond met daarop een onroerende zaak van hun ouders geschonken gekregen. [eiser in conventie] wil dat het gemeenschappelijk goed wordt verdeeld. Zij vordert – kortgezegd – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun medewerking aan de verdeling verlenen. De vorderingen die betrekking hebben op de verdeling worden grotendeels toegewezen. [eiser in conventie] eist bovendien dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om een gebruiksvergoeding aan haar te betalen. Dat wordt afgewezen.
2.2. [
gedaagde 2] heeft een tegenvordering ingesteld. [gedaagde 2] vordert dat [eiser in conventie] wordt veroordeeld om een vergoeding van USD 1.000 per maand aan hem te betalen, omdat hij de moeder van partijen jarenlang heeft verzorgd. Volgens [gedaagde 2] komt dat neer op een totaalbedrag van USD 96.000. Die vordering wordt afgewezen, omdat een grondslag daarvoor ontbreekt.
2.3.
Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een tegenvordering ingesteld. [gedaagde 1] eist dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om een gebruiksvergoeding aan haar te betalen. [gedaagde 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar tegenvordering, omdat de vordering niet uiterlijk bij conclusie van antwoord is ingesteld.

3.De beoordeling

in conventie
De achtergrond van het geschil
3.1.
Op 14 oktober 1992 is door middel van een notariële akte het recht van erfpacht op een perceel grond met daarop een woning (hierna: de woning) aan de [adres] aan partijen geschonken (hierna: het recht van erfpacht). Partijen hebben ieder één derde deel van het recht van erfpacht geschonken gekregen. Bovendien is in de notariële akte van 14 oktober 1992 voor de moeder van partijen een recht van vruchtgebruik gevestigd om – kortgezegd – tot haar overlijden in de woning te wonen.
3.2.
De moeder van partijen is op [overlijdensdatum] 2023 overleden. Daarmee is het recht van vruchtgebruik van het recht van erfpacht geëindigd.
3.3.
Op of omstreeks [overlijdensdatum] 2023 is in opdracht van [gedaagde 2] de marktwaarde van het recht van erfpacht met de woning door een beëdigd taxateur getaxeerd op USD 170.000.
3.4.
Op 13 juni 2023 heeft de voormalig gemachtigde van [eiser in conventie] een brief aan [gedaagde 2] geschreven waarin gevraagd werd of [gedaagde 2] interesse heeft in toebedeling van de woning. Bovendien wordt in de brief door [eiser in conventie] aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding van USD 500,00 per maand. [gedaagde 2] heeft op 4 juli 2023 op de brief van [eiser in conventie] gereageerd en geschreven dat hij geen gebruiksvergoeding zal betalen.
3.5.
Het volgende schriftelijke contactmoment zijn brieven van 28 november 2024 van een andere voormalig gemachtigde van [eiser in conventie] aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. In die brieven wordt de wens van [eiser in conventie] om tot verdeling over te gaan kenbaar gemaakt. Bovendien wordt in de brief aan [gedaagde 2] geschreven dat [eiser in conventie] aanspraak zal maken op een gebruiksvergoeding.
3.6.
Tot een verdeling van het recht van erfpacht is het tot op heden niet gekomen.
Het recht van erfpacht moet via een makelaar worden verkocht
3.7. [
eiser in conventie] vordert dat het Gerecht [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beveelt om tot verdeling van het recht van erfpacht over te gaan.
3.8.
Artikel 3:178 van Pro het Burgerlijk Wetboek BES (hierna: BW BES) bepaalt dat niemand kan worden verplicht om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Iedere deelgenoot kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen.
3.9.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat alle partijen het erover eens zijn dat het recht van erfpacht moet worden verdeeld. De vordering van [eiser in conventie] om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te bevelen om tot verdeling over te gaan zal daarom worden toegewezen. Die verdeling kan op twee manieren plaatsvinden: het goed wordt toebedeeld aan één van de deelgenoten waarbij de andere deelgenoten compensatie krijgen voor hun aandeel of het goed kan aan een derde worden verkocht waarbij de opbrengst onder de deelgenoten wordt verdeeld (zie artikel 3:185 BW Pro BES; de derde mogelijkheid die dit artikel kent, toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten, komt in dit geval niet in aanmerking).
3.10. [
gedaagde 2] heeft kenbaar gemaakt dat hij het recht van erfpacht toebedeeld zou willen krijgen. Tegen toebedeling van het recht van erfpacht aan [gedaagde 2] hebben [eiser in conventie] en [gedaagde 1] voor zover hij over de vereiste financiële middelen beschikt geen bezwaar. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] verklaard dat hij op dit moment niet over de financiële middelen beschikt om het aandeel van [eiser in conventie] en [gedaagde 1] over te nemen. Hoewel [gedaagde 2] heeft verklaard dat hij nog geen contact heeft opgenomen met een bank voor financiering, zijn partijen het erover eens dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [gedaagde 2] die financiering gezien zijn leeftijd en huidige inkomen zal verkrijgen. Toebedeling van het recht van erfpacht aan [gedaagde 2] is daarom geen reële optie voor verdeling. Daarom zal het recht van erfpacht moeten worden verkocht.
3.11.
De gemachtigde van [eiser in conventie] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat, als het recht van erfpacht niet aan [gedaagde 2] wordt toebedeeld en een verkoopproces moet plaatsvinden via een makelaar, het niet nodig is om een taxateur in te schakelen voor het bepalen van de waarde daarvan. De vorderingen van [eiser in conventie] om een taxateur aan te wijzen en om [gedaagde 2] te dwingen mee te werken aan de taxatie hoeven daarom niet behandeld te worden.
3.12.
De vordering van [eiser in conventie] om te bepalen dat het onroerend goed via een erkende makelaar op Bonaire te koop wordt aangeboden zal worden toegewezen.
3.13. [
eiser in conventie] heeft daarbij gevorderd te bepalen dat het onroerend goed voor een periode van zes maanden door een makelaar te koop moet worden aangeboden en, als het niet binnen die periode is verkocht, door middel van een openbare verkoop ten overstaan van een notaris zal worden verkocht. Het bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen die periode van zes maanden wordt gehonoreerd. Een termijn van zes maanden voor het verkopen van een onroerende zaak is kort. Bovendien is op de mondelinge behandeling gebleken dat eerst nog het nodige onderhoud aan de woning en de tuin moet worden gepleegd om bij de verkoop een reële opbrengst te kunnen behalen. Dat is in het belang van iedere deelgenoot. Daarom zal de termijn waarbinnen de makelaar het onroerend goed kan verkopen worden bepaald op 18 maanden na vandaag. Als het recht van erfpacht niet binnen de periode van 18 maanden na vandaag is verkocht, zal een openbare verkoop ten overstaan van een notaris plaats mogen vinden.
3.14. [
eiser in conventie] vordert dat het Gerecht bepaalt dat als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nalaten mee te werken aan de verdeling of aan de overdracht van het onroerend goed, een deurwaarder de notariële akte in naam van de weigerende deelgenoot zal kunnen ondertekenen. Die vordering is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet weersproken en zal daarom worden toegewezen.
3.15. [
gedaagde 1] heeft op de mondelinge behandeling nog gezegd dat zij het vreemd vindt dat zij ergens toe wordt veroordeeld, terwijl zij haar medewerking aan de verdeling nooit heeft geweigerd. Hoewel het Gerecht begrip kan opbrengen voor die gedachte, heeft [gedaagde 1] ook verklaard dat zij het liefst wil dat de woning in de familie blijft. Ook al is niet gebleken dat [gedaagde 1] in het verleden haar medewerking aan de verdeling heeft geweigerd, is er daarom voldoende reden om het bevel ook aan haar te geven.
[gedaagde 2] hoeft geen gebruiksvergoeding te betalen aan [eiser in conventie]
3.16. [
eiser in conventie] vordert dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om een gebruiksvergoeding te betalen, omdat hij sinds het overlijden van de moeder van partijen alleen in de woning woont.
3.17.
Als een deelgenoot een goed met uitsluiting van andere deelgenoten gebruikt, kan dat volgens vaste jurisprudentie aanleiding vormen om laatstgenoemden een vergoeding van gederfd gebruiksgenot toe te kennen. De andere deelgenoten zijn in dat geval verstoken gebleven van het gebruik en genot waarop zij uit hoofde van de mede-eigendom (deelgenootschap) recht hebben. Daarbij dienen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen de deelgenoten beheersen tot maatstaf. [1]
3.18.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser in conventie] in een woning bij haar echtgenoot in Nederland verblijft en geen plannen heeft (gehad) om de woning op Bonaire te betrekken. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [eiser in conventie] in het verleden heeft bijgedragen aan de woonlasten of het onderhoud van de woning. [eiser in conventie] heeft enkel gesteld dat zij mede-eigenaar is van het recht van erfpacht, maar het enkele feit dat zij mede-eigenaar is van het recht van erfpacht betekent niet dat zij daarom recht heeft op een gebruiksvergoeding. Dat [eiser in conventie] tijdens het bestaan van de gemeenschap geen gebruik heeft gehad van de woning, maakt niet dat zij achteraf om een gebruiksvergoeding kan vragen van iets waarvan zij het gebruik niet mist. Daar komt bij dat niet gebleken is dat [gedaagde 2] de woning met uitsluiting van [eiser in conventie] heeft gebruikt. Gelet daarop is het niet redelijk dat [gedaagde 2] een gebruiksvergoeding aan [eiser in conventie] zou moeten betalen. Haar vordering daartoe zal daarom worden afgewezen.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.19.
De beslissingen in conventie worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiertegen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer gevoerd en van kenbare bezwaren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring is het Gerecht niet gebleken. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde 1] of [gedaagde 2] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de rechter in hoger beroep een andere beslissing genomen wordt.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.20.
Omdat partijen familie zijn van elkaar zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie tussen [gedaagde 2] en [eiser in conventie]
3.21.
Op de rolzitting van 26 november 2025 heeft [gedaagde 2] een vordering in reconventie tegen [eiser in conventie] ingesteld. [gedaagde 2] stelt dat hij acht jaar voor het overlijden van de moeder van partijen uit Nederland vertrokken is en op Bonaire is gaan wonen om voor haar te zorgen. [gedaagde 2] vindt dat hij recht heeft op een vergoeding van USD 1.000 per maand voor het verzorgen van de moeder van partijen. Hij eist dat [eiser in conventie] wordt veroordeeld om een totaalbedrag van USD 96.000 aan hem te betalen.
3.22. [
gedaagde 2] heeft niet gesteld wat de grondslag is om [eiser in conventie] te veroordelen tot betaling van een bedrag van USD 96.000. Een dergelijke grondslag ziet het Gerecht ook niet. Omdat de juridische grondslag voor zijn vordering ontbreekt, zal zijn vordering worden afgewezen.
3.23.
Omdat partijen familie zijn van elkaar zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
3.24.
Op de mondelinge behandeling van 29 april 2026 heeft [gedaagde 1] een vordering in reconventie tegen [gedaagde 2] ingesteld. [gedaagde 1] vordert dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld om een gebruiksvergoeding van USD 200 per maand te betalen voor het exclusieve gebruik van de woning.
3.25.
Een tegenvordering moet dadelijk worden ingesteld bij antwoord in conventie. [2] Dat is niet gebeurd. [gedaagde 1] heeft haar tegenvordering op de mondelinge behandeling van 29 april 2026 ingesteld. Dat is te laat. [gedaagde 1] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen [gedaagde 2].
3.26.
Omdat partijen familie zijn van elkaar zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

Het Gerecht:
in conventie
4.1.
beveelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om over te gaan tot de verdeling van het onroerend goed gelegen aan de [adres] op Bonaire, kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding], waarbij één derde van de netto-opbrengst aan iedere partij wordt toegedeeld;
4.2.
bepaalt dat het onroerend goed uit rechtsoverweging 4.1 via een erkende makelaar op Bonaire te koop zal worden aangeboden voor een periode van maximaal 18 maanden;
4.3.
beveelt dat als het onroerend goed niet binnen een periode van 18 maanden wordt verkocht, het onroerend goed door middel van een openbare verkoop ten overstaan van een notaris wordt verkocht;
4.4.
bepaalt dat als [gedaagde 1] of [gedaagde 2] niet meewerkt aan de verdeling of aan de overdracht van het onroerend goed, een deurwaarder de notariële akte in naam van de weigerende deelgenoot zal kunnen ondertekenen;
4.5.
verklaart de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie in de zaak tussen [gedaagde 2] en [eiser in conventie]
4.8.
wijst de vordering van [gedaagde 2] tegen [eiser in conventie] af;
4.9.
compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in reconventie tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
4.10.
verklaart [gedaagde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering tegen [gedaagde 2];
4.11.
compenseert de kosten van de procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143 en het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156.
2.Artikel 183 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering BES.