ECLI:NL:OGEABES:2026:121

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BON202600151
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 724 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot conservatoir eigenbeslag wegens geschil over koop aandelen en verrekening

E.C.R. Caribbean Realty (ECR) heeft bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek ingediend tot het leggen van conservatoir eigenbeslag op een vordering die gerekwestreerde op ECR zal verkrijgen. Dit verband houdt met een lopende bodemprocedure over de koop van aandelen in Latino Americana de Inversiones N.V. (LAI).

De procedure startte op 24 maart 2026 en kende een mondelinge behandeling op 20 mei 2026. ECR stelt dat gerekwestreerde tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, onder meer door hogere schulden van LAI dan gegarandeerd en het niet aflossen van een rekening-courantschuld die aan ECR is gecedeerd. Gerekwestreerde betwist de meeste vorderingen, behalve de rekening-courantschuld.

Het Gerecht oordeelt dat het tussenvonnis van november 2026 waarin tegenvorderingen van ECR werden afgewezen, niet betekent dat het beslagverzoek moet worden afgewezen. De gegrondheid van de vorderingen moet nog inhoudelijk worden beoordeeld in een afzonderlijke bodemprocedure. Er is geen sprake van misbruik van recht.

De vordering wordt voorlopig begroot op USD 1.397.192,30 inclusief rente en kosten. Het verlof tot het leggen van conservatoir eigenbeslag wordt verleend onder de voorwaarde dat de hoofdvordering binnen vier weken na het beslag wordt ingesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verlof tot het leggen van conservatoir eigenbeslag verleend met voorlopige begroting van ruim 1,3 miljoen USD.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600151
datum beslissing: 28 mei 2026
BESLISSING
op het beslagrekest van
E.C.R. CARIBBEAN REALTY (BONAIRE) B.V.,
gevestigd op Bonaire,
verzoeker,
hierna: ECR,
gemachtigden: mrs. S.H. Barten en J.E. Lovert,
tegen
[gerekwestreerde],
wonend in de Verenigde Staten van Amerika,
gerekwestreerde,
hierna: [gerekwestreerde],
gemachtigde: mr. J.K. Althoff.

1.De procedure

1.1.
Op 24 maart 2026 is het verzoekschrift met producties op de griffie van dit Gerecht ingediend.
1.2.
Het Gerecht heeft bepaald dat voor de behandeling van het verzoek een mondelinge behandeling zal worden gehouden. Die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Namens ECR is de heer [directeur ECR] (directeur van ECR) verschenen, bijgestaan door mrs. Barten en Lovert. [gerekwestreerde] heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Dort (kantoorgenoot van mr. Althoff); hij is via een videoverbinding aanwezig geweest.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat uiterlijk op 29 mei 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.Het verzoek

2.1.
ECR wenst conservatoir eigenbeslag te leggen op een vordering die [gerekwestreerde] op ECR zal verkrijgen in verband met een aanhangige bodemprocedure bij dit Gerecht met registratienummer BON202400384. Daarbij verzoekt ECR haar vordering inclusief rente en kosten voorlopig te begroten op USD 1.422.462,00.

3.De beoordeling

De achtergrond van het geschil
3.1. [
gerekwestreerde] heeft aandelen in de naamloze vennootschap Latino Americana de Inversiones N.V. (hierna: LAI), handelend onder de naam Eden Beach Resort, verkocht aan ECR. Over de uitvoering van de daarbij horende overeenkomsten is tussen partijen een geschil ontstaan.
3.2.
Op 13 augustus 2024 is door [gerekwestreerde] tegen ECR een procedure bij dit Gerecht gestart waarin hij vordert dat ECR wordt veroordeeld tot nakoming van haar betaalverplichtingen. In die procedure heeft ECR tegenvorderingen ingesteld. Met haar tegenvorderingen heeft ECR geëist dat zij een aantal door haar gestelde schadeposten mag verrekenen met bedragen die zij in verband met de koop van aandelen aan [gerekwestreerde] moet betalen. Op 26 november 2026 is in die procedure een tussenvonnis gewezen.
3.3.
In het tussenvonnis van 26 november 2026 is beslist dat [gerekwestreerde] in de gelegenheid wordt gesteld om een akte in het geding te brengen dat jaarrekeningen zijn goedgekeurd. Verder is geoordeeld dat als [gerekwestreerde] de jaarrekeningen heeft goedgekeurd, zijn vorderingen in conventie voor toewijzing gereed liggen en ECR (gedeelten van) de koopsom van de aandelen aan hem moet betalen.
3.4.
De tegenvorderingen van ECR zijn in het tussenvonnis van 26 november 2026 afgewezen, omdat de gegrondheid van het beroep van ECR op verrekening niet eenvoudig vast te stellen is.
3.5.
ECR heeft aangekondigd haar tegenvorderingen in een afzonderlijke bodemprocedure aanhangig te zullen maken.
Het verlof tot het leggen van conservatoir eigenbeslag wordt verleend
3.6.
Aan haar verzoek tot het leggen van conservatoir eigenbeslag legt ECR ten grondslag dat [gerekwestreerde] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst van de aandelen. Volgens ECR heeft [gerekwestreerde] in die koopovereenkomst gegarandeerd dat de belastingschuld en andere schulden van LAI maximaal een bepaald bedrag bedragen en blijken de schulden in werkelijkheid hoger te zijn. Voor het bedrag dat de schulden de afgegeven garanties overstijgen vordert ECR schadevergoeding. Daarnaast weigert [gerekwestreerde] een rekening-courantschuld aan LAI af te lossen. LAI heeft die vordering aan ECR gecedeerd. ECR vordert terugbetaling van de rekening-courantschuld.
3.7. [
gerekwestreerde] voert geen verweer tegen de gecedeerde vordering aan ECR in verband met de rekening-courantschuld aan LAI. De overige vorderingen van ECR worden door [gerekwestreerde] betwist. Het verzoek tot het leggen van beslag moet volgens [gerekwestreerde] worden afgewezen, omdat die vorderingen in de lopende procedure al zijn afgewezen. De vorderingen zijn pas onlangs naar voren gebracht en niet toen ECR de koopsom van de aandelen moest betalen. Daarom is er sprake van een vertragingstactiek en wordt de vordering van [gerekwestreerde] op ECR daarmee gefrustreerd.
3.8.
Dat de vorderingen van ECR tegen [gerekwestreerde] in de lopende procedure zijn afgewezen betekent niet dat het verlof tot het leggen van beslag moet worden afgewezen. De vorderingen van ECR zijn in het tussenvonnis van 26 november 2026 afgewezen, omdat de gegrondheid van het beroep van ECR op verrekening niet eenvoudig vast te stellen was. Inhoudelijk heeft het Gerecht nog niet over de vorderingen geoordeeld. ECR heeft verklaard dat de (hoogte van de) vorderingen pas op een later moment bij ECR bekend zijn geworden, omdat haar fiscalist in verband met de gebrekkige administratie van LAI lang bezig is geweest met het onderzoeken van de (belasting)schuld. In de lopende bodemprocedure zijn de vorderingen in eerste instantie als reconventionele vorderingen ingesteld en door het Gerecht toegelaten. Van misbruik van recht is geen sprake. Het Gerecht ziet bij de huidige stand van zaken onvoldoende grond om aan te nemen dat van een opeisbare vordering van ECR tot schadevergoeding geen sprake kan zijn. Daarover zal in de nog aanhangig te maken afzonderlijke bodemprocedure moeten worden geoordeeld. Het verzochte verlof om conservatoir eigenbeslag te leggen zal daarom worden verleend.
Begroting van de vordering
3.9.
ECR verzoekt haar vordering voorlopig te begroten op USD 1.100.384,61 aan hoofdsom en USD 85.000,00 aan kosten ter vaststelling van schade, incassokosten, proceskosten en wettelijke rente. ECR verzoekt vervolgens de optelsom van de hiervoor genoemde bedragen te verhogen met USD 237.077,00 in verband met
“beslag- en accessoire kosten”.
3.10.
Het Gerecht zal de vordering van ECR voorlopig begroten op een bedrag van USD 1.100.384,61 aan hoofdsom plus een bedrag van USD 45.000 aan kosten ter vaststelling van schade van JRK Adviesmaatschappij N.V., waarvan door ECR een brief met prijsopgave in het geding gebracht is. De optelsom van deze bedragen wordt overeenkomstig de opslag voor rente en kosten uit de beslagsyllabus verhoogd tot een totaalbedrag van USD 1.397.192,30. De componenten incassokosten, proceskosten en wettelijke rente die ECR heeft betrokken bij het bedrag van USD 85.000,00 liggen reeds besloten in de opslag uit de beslagsyllabus. Daarom worden die componenten niet betrokken bij de voorlopige begroting van haar vordering.

4.De beslissing

Het Gerecht:
4.1.
begroot de vordering van verzoekster inclusief rente en kosten op
USD 1.397.192,30(zegge: één miljoen driehonderdzevenennegentigduizend honderdtweeënnegentig dollar dertig cent);
4.2.
verleent ECR verlof om ten laste van [gerekwestreerde] conservatoir eigenbeslag te leggen onder zichzelf, op alle gelden welke zij verschuldigd is of zal zijn aan ECR;
4.3.
bepaalt dat de eis in hoofdzaak binnen
4 wekenna het (eerstgelegde) beslag moet worden ingesteld;
4.4.
verklaart de beslissingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Dit verlof is verleend door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, op 28 mei 2026.