ECLI:NL:OGEABES:2026:131

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BON202600096
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BW BESArt. 1:258 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingszorgen

De Voogdijraad Caribisch Nederland verzocht om een definitieve ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2013, vanwege ernstige zorgen over zijn lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkeling. De minderjarige vertoonde gedragsproblemen, waaronder wegloopgedrag en een suïcidepoging, en de noodzakelijke hulpverlening verliep moeizaam.

De moeder, die eenhoofdig gezag heeft, betoogde dat de hulpverlening vrijwillig en zonder ondertoezichtstelling kon plaatsvinden en dat de situatie verbeterd was. De Voogdijraad stelde echter dat de moeder moeilijk stuurbaar is en dat een gedwongen kader noodzakelijk blijft, zeker gezien een aanstaande verhuizing en de overstap naar het voortgezet onderwijs.

Het gerecht oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en kende de ondertoezichtstelling toe voor een periode van zes maanden, met een aanhouding voor de resterende termijn van één jaar. Een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland wordt belast met het toezicht. De zaak wordt over zes maanden opnieuw beoordeeld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt toegewezen voor zes maanden met aanhouding voor de resterende termijn van één jaar.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600096
datum beslissing: 4 juni 2026
Op het verzoek van
VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND
gevestigd te Bonaire,
hierna: de Voogdijraad,
met betrekking tot de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige].
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

1.Het procesverloop

1.1.
Bij beschikking van 5 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld.
1.2.
Op 27 mei 2026 heeft het gerecht een verzoekschrift met bijlagen ontvangen van de Voogdijraad, strekkende tot de definitieve ondertoezichtstelling van [minderjarige].
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij is de moeder met haar gemachtigde aanwezig geweest. Namens de Voogdijraad is de heer [medewerker voogdijraad] aanwezig geweest en namens Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (hierna: ZJCN) is mevrouw [medewerker ZJCN] aanwezig geweest.
1.4. [
minderjarige] is eerder uitgenodigd geweest voor een gesprek met de rechter op 9 maart 2026. Hier heeft hij geen gebruik van gemaakt. Op de zitting van 27 mei 2026 is met de moeder besproken dat [minderjarige] zou laten weten als hij alsnog een gesprek met de rechter zou willen hebben. Van [minderjarige] is echter geen bericht ontvangen.
1.5.
Ten slotte is de uitspraak bepaald op vandaag.

2.Het verzoek en de beoordeling

2.1. [
minderjarige] woont bij de moeder. De moeder heeft eenhoofdig gezag over [minderjarige]. Op 5 maart 2026 is een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling toegewezen voor de duur van drie maanden in verband met de ernstige zorgen betreffende de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige].
2.2.
De Voogdijraad heeft een kinderbeschermingsonderzoek gedaan naar de vraag of een (definitieve) ondertoezichtstelling in het belang van [minderjarige] is. Op 27 mei 2026 heeft de Voogdijraad een rapport uitgebracht.
2.3.
De Voogdijraad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar met een aanhoudingstermijn van zes maanden. De Voogdijraad stelt dat er ernstige zorgen zijn met betrekking tot de lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkelingen van [minderjarige] en dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige].
2.4.
Op grond van artikel 1:254 juncto Pro 1:258, eerste lid BW BES kan de rechter in eerste aanleg een kind voor een termijn van ten hoogste één jaar onder toezicht stellen als het zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
2.5.
Uit het verzoekschrift en uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de belangen en de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig worden bedreigd. Hij laat zowel externaliserende als internaliserende gedragsproblemen zien, welke zich in het verleden hebben geuit in wegloopgedrag en een suïcidepoging. Tevens heeft Mental Health Caribbean (hierna: MCH) te kennen gegeven dat de noodzakelijke hulpverlening en het contact tot op heden moeilijk van de grond komen.
2.6.
De moeder heeft hiertegen ingebracht dat de terughoudendheid in het contact aan MHC te wijten is, nu zij van mening is dat de instantie op een kindonvriendelijke wijze te werk gaat en [minderjarige] de samenwerking als onprettig ervaart. Volgens de moeder gaat het momenteel juist erg goed met [minderjarige]; het wegloopgedrag is gestopt en hij gaat het komend schooljaar de overstap maken naar het voortgezet onderwijs. De moeder stelt zich op het standpunt dat de benodigde hulpverlening in een vrijwillig kader kan worden vormgegeven.
2.7.
De Voogdijraad acht de hulpverlening in een vrijwillig kader evenwel ontoereikend, daar de moeder sterke eigen opvattingen heeft over wat in het belang van [minderjarige] is en zij hierin moeilijk stuurbaar is. Sinds de uitspraak van de voorlopige ondertoezichtstelling is er echter wel een begin van samenwerking tot stand gekomen. Tot slot staat er op zeer korte termijn een verhuizing gepland, wat een ingrijpende verandering zal zijn in het leven van [minderjarige].
2.8.
Het gerecht is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Hoewel de positieve ontwikkelingen bemoedigend zijn, is de situatie rondom [minderjarige] nog onmiskenbaar kwetsbaar. Juist met het oog op de aanstaande verhuizing en de overstap naar het voorgezet onderwijs is rust en structuur vereist. Om de continuïteit van de opgestarte hulpverlening bij MHC te waarborgen en te voorkomen dat de opvoedvisie van de moeder de noodzakelijke zorg doorkruist, acht het gerecht de voortzetting van het gedwongen kader noodzakelijk. Het verzoek tot ondertoezichtstelling zal dan ook worden toegewezen. Het gerecht begrijpt uit het verzoek dat de Voogdijraad wenst dat over 6 maanden wordt bezien of voortzetting van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling zal daarom voor de duur van 6 maanden worden uitgesproken en voor het overige worden aangehouden.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
spreekt de ondertoezichtstelling uit van
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats], voor de duur van zes maanden, te weten tot 4 december 2026;
3.2.
bepaalt dat een gezinsvoogd van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) wordt belast met het toezicht op [minderjarige];
3.3.
houdt iedere verdere beslissing voor de resterende duur van de verzochte ondertoezichtstelling aan;
3.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproeping van partijen, de Voogdijraad en ZJCN voor de voortzetting van de mondelinge behandeling op 2 december 2026 om 14.00 uur;
3.4.
verstaat dat de griffier aantekening maakt in het gezagsregister van de beslissing onder 3.1 en 3.2;
3.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en is op 4 juni 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.