ECLI:NL:OGEABES:2026:140

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BON202400615
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv BESJeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gesloten plaatsing minderjarige uit Bonaire in gespecialiseerde jeugdzorg in Nederland

Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) verzocht om een gesloten uithuisplaatsing van een minderjarige uit Bonaire in een gespecialiseerde jeugdzorgplussetting in Nederland, met tijdelijke voogdij door Jeugdbescherming West. De minderjarige bevindt zich in een instabiele opvoedsituatie met spanningen en beperkte structuur bij beide ouders, en er zijn zorgen over haar emotionele stabiliteit, impulscontrole en schoolverzuim. De mogelijkheden voor passende opvang op Bonaire zijn beperkt.

De minderjarige en haar moeder verzetten zich tegen het verzoek. De minderjarige ontkent problemen en wil niet naar Nederland. Het gerecht erkent de problematiek, maar stelt dat de ernst onvoldoende is om de zeer ingrijpende maatregel van gesloten plaatsing in Nederland te rechtvaardigen. De gedragswetenschapper die instemde met het verzoek baseerde zich op het dossier, maar zijn bevindingen zijn niet volledig onderbouwd in het verzoek.

Het gerecht benadrukt dat een gesloten plaatsing een vrijheidsbenemende maatregel is die bij minderjarigen uit Bonaire extra ingrijpend is vanwege cultuur- en taalverschillen en het verlies van sociale contacten. Het ontbreken van een stabiele huisvesting op Bonaire is zorgelijk, maar rechtvaardigt geen gesloten plaatsing in Nederland. De verzoeken worden daarom afgewezen. Het gerecht adviseert betrokkenen om samen een geschikte verblijfplaats op Bonaire te zoeken en benadrukt dat de minderjarige moet meewerken aan hulpverlening.

Uitkomst: Het verzoek tot gesloten plaatsing van de minderjarige in Nederland en toewijzing van tijdelijke voogdij aan Jeugdbescherming West wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202400615
datum beslissing: 10 juni 2026
Op het verzoek van
ZORG EN JEUGD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna: ZJCN,
met betrekking tot de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna: [de minderjarige]).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
en
[de vader],
wonende te Bonaire,
hierna: de vader.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad)

1.Het procesverloop

1.1.
Voor het procesverloop wordt verwezen naar eerdere beschikkingen, laatstelijk die van 1 juni 2026. Bij laatstgenoemde beschikking is aan [de minderjarige] een advocaat toegevoegd, is de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij vader verlengd en is de beslissing tot uithuisplaatsing in Europees Nederland aangehouden.
1.2.
De (voortgezette) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. [de minderjarige] was daarbij aanwezig, bijgestaan door haar advocaat mr. M.M.A. van Lieshout. Namens ZJCN zijn verschenen: mevrouw [medewerker ZJCN 1] en mevrouw [medewerker ZJCN 2]. De moeder is verschenen. Ook [persoonlijk begeleider], de persoonlijk begeleider van [de minderjarige] was aanwezig. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de Voogdraad was mevrouw [medewerker voogdraad] aanwezig.
1.3.
De beschikking is vervolgens bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Beslist moet nu worden op het verzoek van ZJCN om een uithuisplaatsing van [de minderjarige] binnen de gespecialiseerde jeugdzorgplussetting [jeugdzorgplussetting] in Nederland en daarbij Jeugdbescherming West in Den Haag (Nederland) te belasten met de tijdelijke voogdij over [de minderjarige].
2.2.
ZJCN heeft aan haar verzoek – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. [de minderjarige] bevindt zich in een instabiele opvoedsituatie. Bij moeder is sprake van spanningen, verbaal geweld, beperkte structuur en moeite met emotieregulatie. Er ontstaan regelmatig escalaties, waardoor [de minderjarige] zich onveilig voelt en zich aan de thuissituatie onttrekt. Ook bij vader is sprake van een instabiele situatie. Vader heeft meerder keren aangegeven de opvoeding van [de minderjarige] niet meer aan te kunnen en heeft haar eerder uit huis gezet of daarmee gedreigd. De relatie tussen vader en [de minderjarige] is verstoord en er is onvoldoende sprake van een stabiele ouder-kindrelatie en emotionele beschikbaarheid. Daarnaast ervaart [de minderjarige] op meerdere gebieden afwijzing. Ze is afgewezen voor plaatsing bij Stichting Project en voor begeleid wonen. Hierdoor zijn de mogelijkheden voor passende opvang en begeleiding op Bonaire ernstig beperkt. [de minderjarige] heeft moeite met het accepteren van regels, gezag, autoriteit en begeleiding. Er is sprake van schoolverzuim en een risico dat ze haar schoolloopbaan niet succesvol kan voortzetten. Er zijn daarnaast recente zorgen ontstaan rondom haar emotionele stabiliteit en impulscontrole. Zo heeft zij geweigerd haar prikpil te nemen en heeft zij onder invloed van alcohol ruzie gemaakt met haar vriend. Zonder intensieve begeleiding, structuur, behandeling en toezicht bestaat een groot risico op verdere escalatie, onttrekking aan begeleiding, schooluitval en verdere bedreiging van haar ontwikkeling. Vanwege het uitblijven van passende mogelijkheden binnen het eiland, wordt een gespecialiseerde jeugdzorgplussetting in Nederland noodzakelijk geacht om haar ontwikkeling, veiligheid en toekomstperspectief te waarborgen.
2.3.
ZJCN heeft overleg gehad met Jeugdbescherming West (JB West) in Nederland. Zij achten [jeugdzorgplussetting], een gespecialiseerde jeugdzorgplussetting passend voor [de minderjarige]. Bij haar verzoek heeft ZJCN een ‘instemmingsverklaring gedragswetenschapper bij het verzoek machtiging gesloten jeugdhulp’ overgelegd, waarin de gedragswetenschapper ([naam gedragswetenschapper], GZ psycholoog) verklaart in te stemmen met het verzoek. Verwezen wordt naar de inhoud van de instemmingsverklaring. JB West heeft zich bereid verklaard om, bij toewijzing van het verzoek, de tijdelijke voogdij over [de minderjarige] op zich te nemen.
2.4.
De Voogdijraad staat achter het verzoek. Hij stelt dat een gesloten plaatsing in Nederland het laatste redmiddel is om het patroon te doorbreken.
2.5.
De moeder en [de minderjarige] verzetten zich tegen het verzoek. Moeder erkent de problematiek van [de minderjarige], maar vindt dat een alternatief op Bonaire gezocht moet worden. [de minderjarige] ontkent dat er sprake is van problemen. Zij zegt dat het goed gaat op school, ze heeft de toetsen ingehaald. Ze is ook begonnen met haar stage en ze heeft een baantje. Met haar vriendje gaat het goed. Het klopt wel dat het niet zo goed gaat bij haar moeder en bij haar vader, maar ze kan wel bij haar vader blijven wonen. Met haar persoonlijk begeleider kan ze wel alles bespreken. Haar leven hier is verder niet slecht, ze is geen ‘drop-out’. Ze wil per se niet naar Nederland. Ze wil niet haar hele leven hier achterlaten voor zoiets. Ze heeft ook met kinderen op [jeugdzorgplussetting] gesproken en dat heeft haar niet van gedachten doen veranderen.
2.6.
Het gerecht overweegt als volgt. Het verzoek betreft een gesloten plaatsing van een meisje uit Bonaire in een gesloten jeugdzorginstelling in Nederland. Een gesloten plaatsing van een minderjarige is een zeer ingrijpende maatregel, het brengt immers vrijheidsbeneming met zich mee. Niet voor niets is een dergelijke plaatsing in Nederland met allerlei waarborgen omgeven, is er veel discussie over de wenselijkheid ervan en is de bedoeling dergelijke plaatsingen zoveel mogelijk terug te dringen. Het wettelijke criterium in Nederland voor een plaatsing in gesloten jeugdzorg is, zo volgt uit de Jeugdwet, dat deze ‘noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren’.
Voor een minderjarige uit Bonaire is zo’n plaatsing nog ingrijpender dan voor een minderjarige in Nederland; het betekent immers ook een gedwongen verplaatsing uit de vertrouwde omgeving en cultuur, zonder bezoekmogelijkheden voor familie en vrienden en met een moeilijke aansluiting met medebewoners vanwege taal- en cultuurverschillen. Het zal bovendien moeilijk zijn om, na een verblijf in een instelling in Nederland, weer terug te keren en te wennen op Bonaire; de kans is aanmerkelijk dat een minderjarige in Nederland zal blijven.
Dit alles betekent dat bij een verzoek als het onderhavige nóg strenger moet worden gekeken naar de noodzaak van de plaatsing. Voor toewijzing is alleen plaats is als de overtuiging bestaat dat daadwerkelijk sprake is van een situatie op Bonaire die onhoudbaar is en waarbij alleen een gesloten plaatsing in Nederland nog kan voorkomen dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt geschaad.
2.7.
Het gerecht heeft die overtuiging, na meerdere zittingen met alle betrokkenen en na meerdere gesprekken met [de minderjarige], niet bekomen. Vooropgesteld moet worden dat het gerecht de problematiek rond [de minderjarige] erkent en dat zeker niet uitgesloten is dat zij in Nederland uiteindelijk beter af zou zijn dan op Bonaire. Maar dat een gesloten plaatsing haar daadwerkelijk zou helpen of dat een afwijzing van het verzoek haar zou schaden, is onvoldoende gebleken. Daarbij is het volgende van belang. De gedragswetenschapper noemt in zijn instemmingsverklaring een aantal feiten en bevindingen op grond waarvan hij concludeert dat [de minderjarige] ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen heeft. Wat daarvan ook moge zijn (hij heeft [de minderjarige] niet gesproken en baseert zich op het onderliggende dossier), deze feiten en bevindingen zijn door ZJCN niet aan het huidige verzoek ten grondslag gelegd. De onderbouwing van dit verzoek is weergegeven onder 2.2. en deze zal worden besproken. Zoals ook de gedragswetenschapper al opmerkt zijn de zorgen rond emotionele instabiliteit en impulscontrole weinig onderbouwd; in ieder geval zijn deze niet zodanig dat ze een gesloten plaatsing rechtvaardigen. Het schoolverzuim is een probleem, maar ter zitting is wel gebleken dat [de minderjarige] een aantal toetsen heeft ingehaald en dat zij aan haar stage kan beginnen. Bovendien is zij inmiddels ruim 16 jaar oud en is haar leerplicht inmiddels overgegaan in een kwalificatieplicht. Haar problemen met school en stage lijken niet zo zeer te maken hebben met een gebrek aan intrinsieke motivatie, maar veeleer met de – wel zeer reële – problemen met het aanvaarden van gezag en autoriteit. Het is maar de vraag of een gedwongen en gesloten plaatsing hierbij zou kunnen helpen; het risico is dat het haar afkeer van gezag en autoriteit zal vergroten en dat het haar intrinsieke motivatie zal aantasten.
Resteert het ontbreken van een stabiele huisvesting. Dit is inderdaad een groot probleem. [de minderjarige] heeft behoefte aan een gestructureerde huisvesting, waar zij zich welkom voelt en waar enerzijds voldoende regels gelden maar waar zij anderzijds de ruimte krijgt om de autonomie te krijgen waar zij met haar leeftijd en achtergrond behoefte aan heeft. Het is zorgelijk dat moeder en vader haar een dergelijke huisvesting niet kunnen bieden en dat er tot op heden daarvoor op Bonaire ook geen andere mogelijkheden zijn gevonden. Maar deze situatie rechtvaardigt naar het oordeel van het gerecht niet een gesloten plaatsing in Nederland; die is niet bedoeld om huisvestingsproblemen op Bonaire op te lossen, maar – zoals op de website van [jeugdzorgplussetting] is te lezen – voor ‘minderjarigen met ernstige gedragsproblemen, lichte verstandelijke beperking en psychiatrische klachten’.
2.8.
Al met al is het gerecht van oordeel dat de problemen van [de minderjarige] onvoldoende ernstig zijn om de zeer ingrijpende plaatsing in de gesloten jeugdzorg in Nederland te rechtvaardigen. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
2.9.
Resteert de vraag wat er nu moet gebeuren. Het gerecht stelt vast dat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] nog loopt tot 5 maart 2027. De uithuisplaatsing bij vader loopt nog tot vandaag. Er is niet – ook niet subsidiair – verzocht deze te verlengen. Bovendien lijkt verlenging, door een gebrek aan bereidheid van vader, ook niet mogelijk. Dit betekent dat er van af nu geen uithuisplaatsing meer geldt. Het gerecht geeft alle betrokken partijen (ZJCN, Voogdijraad, moeder, vader, [de minderjarige] en haar persoonlijk begeleider) in overweging om op korte termijn met elkaar te overleggen over wat de komende periode de meest geschikte verblijfplaats voor [de minderjarige] op Bonaire is. Voor [de minderjarige] is het belangrijk om te weten dat de beslissing van het gerecht niet betekent dat zij geen problemen heeft of dat zij ‘haar zin heeft gekregen’. Er zijn wel degelijk problemen en zij zal – vooral ook in haar eigen belang – moeten meewerken aan hulpverlening en moeten luisteren naar de aanwijzingen die haar – ook in het kader van een geschikte huisvesting op Bonaire – worden gegeven.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
wijst af het verzoek om [de minderjarige] te plaatsen in de gespecialiseerde Jeugdzorgplussetting [jeugdzorgplussetting] in Nederland;
3.2.
wijst af het verzoek de tijdelijke voogdij over [de minderjarige] toe te wijzen aan Jeugdbescherming West in Nederland.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.