Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEABES:2026:15

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
BON202500272
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BW BESArt. 3:185 BW BESArt. 95 Rv BESArt. 127a Rv BESArt. 127b Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident inzake verdeling huwelijksgoederengemeenschap tussen Bonaire en Curaçao

In deze zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de gedaagde stelt dat het gerecht in eerste aanleg op Bonaire niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat hij in Curaçao woont. De eiser vordert dat het gerecht zich bevoegd verklaart, stellende dat de gedaagde in een eerdere procedure geen onbevoegdheid heeft ingeroepen en dat de vordering strekt tot uitvoering van een eerder vonnis.

Het geschil betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen die eerder zijn getrouwd en waarvan het huwelijk in 2013 is ontbonden. In een eerdere procedure is bepaald dat partijen de verdeling ten overstaan van een notaris moeten regelen, maar vanwege capaciteitsgebrek en gebrek aan medewerking van de gedaagde is dit niet gerealiseerd. De eiser vordert nu dat het gerecht zelf de omvang en wijze van verdeling vaststelt.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 95 Rv Pro BES de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is, en aangezien de gedaagde in Curaçao woont, is het gerecht op Bonaire niet bevoegd. Het feit dat in de eerdere procedure geen bevoegdheidsincident is opgeworpen, betekent niet dat de bevoegdheid onvoorwaardelijk is aanvaard. Ook is geen sprake van misbruik van procesrecht door de gedaagde.

De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident toe, verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak door naar het gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De proceskosten van het incident worden aan de eiser opgelegd, maar deze mag kosteloos procederen vanwege een recht op kosteloze rechtsbijstand.

Uitkomst: Gerecht verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak door naar het gerecht in eerste aanleg van Curaçao.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500272
datum beslissing: 28 januari 2026
VONNIS IN HET INCIDENT
in de zaak van
[eiser],
wonende te Bonaire,
eisende partij,
hierna: [eiser],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
[gedaagde],
wonende te Curaçao,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 27 mei 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord met een bevoegdheidsincident;
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat op 28 januari 2025 uitspraak wordt gedaan in het incident.

2.Het geschil in het incident

2.1. [
gedaagde] stelt dat het gerecht op Bonaire niet bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen, omdat hij op Curaçao woont. [gedaagde] vordert dat dit gerecht zich onbevoegd verklaard.
2.2. [
eiser] voert verweer. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in een eerdere procedure tussen partijen geen beroep gedaan op de onbevoegdheid van dit gerecht en daarmee de bevoegdheid van dit gerecht onvoorwaardelijk aanvaard. Daarnaast strekt haar vordering in de hoofdzaak tot uitvoering van het eerder gewezen vonnis door dit gerecht. Door het opwerpen van een bevoegdheidsincident maakt [gedaagde] misbruik van procesrecht.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Op 4 oktober 2013 is het huwelijk tussen partijen ontbonden.
3.2.
Op 18 december 2024 heeft dit gerecht een vonnis gewezen in een zaak tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] heeft in die procedure op grond van artikel 3:178 BW Pro BES gevorderd dat het gerecht partijen beveelt om over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris. Die vordering is toegewezen. [1]
3.3.
In de hoofdzaak van de onderhavige procedure vordert [eiser] op grond van artikel 3:185 BW Pro BES dat het gerecht de omvang en de wijze van verdeling vaststelt. Volgens [eiser] heeft de notaris medegedeeld vanwege capaciteitsgebrek en gebrek aan medewerking van [gedaagde] de verdeling niet ter hand te kunnen nemen.
3.4.
De hoofdregel uit artikel 95 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES (hierna: Rv BES) bepaalt dat in zaken waarin een vonnis wordt gewezen de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. [gedaagde] woont niet op Bonaire, maar in Curaçao. Dat betekent dat dit gerecht op grond van de hoofdregel niet bevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. Voor zaken die gaan over de verdeling van een gemeenschap kent de wet geen alternatieve bevoegdheidsgrondslag voor dit gerecht.
3.5.
Het feit dat [gedaagde] in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 18 december 2024 geen bevoegdheidsincident heeft opgeworpen, betekent niet dat hij de bevoegdheid van dit gerecht onvoorwaardelijk heeft aanvaard en afstand heeft gedaan van zijn recht om in toekomstige geschillen een bevoegdheidsincident op te werpen.
3.6. [
eiser] wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat haar vordering in de onderhavige hoofzaak strekt tot uitvoering van het vonnis van 18 december 2024 en dit gerecht daarom bevoegd is. In dat vonnis heeft dit gerecht partijen bevolen om ten overstaan van een notaris tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan. Met haar onderhavige vordering vraagt [eiser] het gerecht zelf over te gaan tot verdeling van de gemeenschap, waarbij de vermogensbestanddelen van [gedaagde] zich naar eigen zeggen in Curaçao bevinden.
3.7.
Van misbruik van procesrecht is geen sprake. Dat de behandeling van dit geschil vertraging heeft opgelopen is spijtig, maar had voorkomen kunnen worden als deze procedure bij het juiste gerecht zou zijn aangebracht.
3.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat dit gerecht onbevoegd is om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen. De rechtbank zal de incidentele vordering daarom toewijzen en zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser]. Op grond van artikel 127a en 127b Rv BES zal dit gerecht de zaak ter verdere behandeling verwijzen naar het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao. De griffier zal de stukken doen toekomen aan die rechter, die na ontvangst daarvan dag en uur bepaalt waarop de zaak weer zal dienen.
3.9.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [eiser], omdat zij ongelijk krijgt. Omdat [gedaagde] zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde, worden de proceskosten op nihil begroot.
3.10.
Gelet op het door [eiser] overgelegde ‘Formulier recht gevende op kosteloze rechtsbijstand’ zal haar worden toegestaan kosteloos te procederen.

4.De beslissing

Het gerecht:
in het incident
4.1.
staat [eiser] toe kosteloos te procederen;
4.2.
verklaart zich onbevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [gedaagde] bepaalt op nihil;
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt naar het Gerecht in eerste aanleg van Curacao, Emancipatie Boulevard Dominico F. ‘Don’ Martina 18, Willemstad, Curaçao.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.De procedure is bekend onder registratienummer BON202400424.