ECLI:NL:OGEABES:2026:150

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
BON202600273
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:12 BW BESArt. 810 Rv BESArt. 822 Rv BESArt. 823 Rv BESArt. 824 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige omgangsregeling en gebruik gezamenlijke woning na scheiding

De vrouw verzocht om voorlopige voorzieningen na de beëindiging van het huwelijk met de man, waaronder het bepalen van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen, een zorg- en omgangsregeling, en het exclusieve gebruik van de gezamenlijke woning met een dwangsom bij overtreding.

Partijen streefden een vorm van co-ouderschap na. Het gerecht bepaalde dat de hoofdverblijfplaats voorlopig blijft waar de kinderen nu staan ingeschreven, gezien de gelijke verblijfsduur bij beide ouders. De voorgestelde omgangsregelingen van beide partijen werden besproken, waarbij het advies van de Voogdijraad leidde tot een regeling met wisseling om de drie dagen om te voorkomen dat de kinderen langer dan 3 à 4 dagen van een ouder gescheiden zijn.

Met betrekking tot de woning bepaalde het gerecht dat de man deze tot uiterlijk 31 juli 2026 mag gebruiken tegen een maandelijkse vergoeding van $900,- en dat hij de nutsrekeningen betaalt. De vrouw had inmiddels een nieuwe woning betrokken en wenste niet terug te keren. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege het familierechtelijke karakter van het verzoek.

Uitkomst: Het gerecht stelde een voorlopige omgangsregeling vast met wisseling om de drie dagen en bepaalde dat de man de gezamenlijke woning mag gebruiken tot 31 juli 2026 tegen een gebruiksvergoeding.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600273
datum beslissing: 22 juni 2026
BESCHIKKING VOORLOPIGE VOORZIENINGEN
op het verzoek van
[de vrouw],
wonende te Bonaire,
verzoekster,
hierna: de vrouw,
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
tegen
[de man],
wonende te Bonaire,
verweerder,
hierna: de man,
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad).

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 29 mei 2026 op de griffie van het gerecht ingediend.
1.2.
Op 17 juni 2026 heeft mr. Winkel namens de vrouw aanvullende producties ingediend.
1.3.
Op 22 juni 2026 heeft mr. Van Lieshout namens de man een verweerschrift ingediend.
1.4
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Beide partijen zijn met hun gemachtigden verschenen. Namens de Voogdijraad is mevrouw [medewerker voogdijraad] verschenen.
1.5.
De rechter heeft na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak gedaan.
1.6.
Bij het op schrift stellen van de uitspraak is echter gebleken dat de omgangsregeling van 3 om 4 dagen zoals uitgesproken niet het beoogde effect zou hebben. Het gerecht heeft vervolgens partijen benaderd om zich hierover nader uit te laten;
1.7.
Partijen hebben bij e-mails van 25 juni 2026 en 29 juni 2026 op dit verzoek en op elkaars standpunten gereageerd.

2.De feiten

2.1.
Op [huwelijksdatum] 2022 zijn de man en de vrouw op Bonaire met elkaar getrouwd.
2.2.
Tijdens de affectieve relatie en later het huwelijk zijn de nu nog minderjarige kinderen geboren:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), hierna: [minderjarige 1];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2].

3.De verzoeken en de beoordeling

Het verzoek
3.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de volgende voorlopige voorzieningen:
- bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn;
- vaststelling van een zorg- en omgangsregeling;
- primair: te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de gezamenlijke woning, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. Ook verzoekt de vrouw hier een dwangsom van $ 500,00 per dag aan te verbinden als de man na betekening van de beschikking in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen;
- subsidiair: te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van $ 1.339,60 per maand betaalt voor levensonderhoud.
De beoordeling
3.2.
Een minderjarige volgt de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft (art. 1:12 BW Pro BES). Uit het verzoekschrift en het besprokene ter zitting is gebleken dat partijen een vorm van co-ouderschap nastreven. De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man heeft schriftelijk verweer gevoerd en stelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom het in het belang van de kinderen is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Het gerecht overweegt dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bepaald aan de hand van de feitelijke situatie. Nu partijen een vorm van co-ouderschap hanteren en de kinderen gemiddeld eenzelfde periode bij de man of de vrouw verblijven zal het gerecht bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig op het adres ingeschreven blijven staan waar zij op dit moment staan ingeschreven. Het gerecht overweegt dat dit gevolgen heeft voor de kinderbijslag; daar zullen partijen gezamenlijk afspraken over kunnen maken.
3.3.
Ten aanzien van de zorg- en omgangsregeling verzoekt de vrouw een omgangsregeling, waarbij de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de oneven weken vanaf maandag 08.00 uur tot donderdag 08.00 uur bij de vrouw verblijven en daarna van donderdag 08.00 uur tot maandag 08.00 uur bij de man. De daaropvolgende even week van maandag 08.00 uur verblijf bij de man tot donderdag 08.00 uur en vervolgens tot maandag 08.00 uur bij de vrouw. De man heeft verweer gevoerd en verzoekt een omgangsregeling waarbij van maandag 07.30 uur tot maandag 07.30 uur de kinderen bij hem verblijven en de week erna dezelfde periode bij de vrouw. Het gerecht overweegt dat dit betekent dat het in beide gevallen een week-op-week-af-regeling is waarbij de vrouw verzoekt de wisseldag op de donderdag te bepalen en de man op de maandag. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Voogdijraad geadviseerd deze regeling niet vast te stellen. In verband met de jonge leeftijd van de kinderen is een scheiding tussen ouder en kind van langer dan 3 tot 4 dagen niet wenselijk.
3.4.
Het gerecht had bedoeld uit te spreken dat een regeling van 3 om 4 dagen gehanteerd zou worden, waarbij de kinderen om-en-om bij de man en bij de vrouw zouden zijn. Een dergelijke regeling blijkt echter niet evenwichtig mogelijk, althans niet met vaste wisseldagen op de maandag en de donderdag. Deze consequentie is tijdens de mondelinge behandeling niet onder ogen gezien, en – dus - ook niet besproken. In de e-mailwisseling na de mondelinge behandeling heeft de vrouw voorgesteld om dan een 2-2-3 regeling te hanteren. De man heeft laten weten een voorkeur te hebben voor een 3-3 regeling.
3.5.
Het gerecht overweegt dat bij het vaststellen van een omgangsregeling het belang van de kinderen voorop staat. Omdat het gerecht daarnaast een regeling wil vaststellen die beide ouders een gelijke verdeling geeft, bepaalt het gerecht dat de voorlopige omgangsregeling als volgt zal zijn. Met ingang van woensdag 1 juli 2026 van 07.30 uur tot zaterdag 07.30 uur bij de man en vervolgens van zaterdag 07.30 uur tot dinsdag 07.30 uur bij de vrouw. Daarna zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer drie dagen bij de man verblijven, om daarna weer drie dagen bij de vrouw te verblijven. Dit betekent dat iedere drie dagen wordt gewisseld. Op deze manier wordt het weekend verdeeld tussen de ouders en wordt rekening gehouden met het advies van de Voogdijraad om de kinderen niet meer dan enkele dagen van een ouder te scheiden. Het belang voor de kinderen om niet te lang gescheiden te zijn van een ouder weegt in de ogen van het gerecht ruimschoots op tegen de eventuele onrust van het verschuiven van de wisseldagen.
3.6.
Met betrekking tot het verzoek van de vrouw omtrent het voortgezet gebruik van de woning gelegen aan [adres] te Bonaire, overweegt het gerecht als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de situatie inmiddels veranderd is. De vrouw heeft sinds kort een nieuwe woning kunnen betrekken en verklaart ter zitting niet meer te willen terugkeren naar de (voormalig) echtelijke woning. Als de man de woning wil blijven gebruiken, dan stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man een vergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning ter grootte van $ 900,- per maand. Dit is het hypotheekbedrag waarvoor de vrouw nu verantwoordelijk is gelet op de eigendomsverdeling van de woning. De man wenst graag tot uiterlijk 31 juli 2026 van de gezamenlijke woning gebruik te maken. Na die datum maakt ook de man geen aanspraak meer op de woning. De (voormalig) echtelijke woning zal daarom zo spoedig mogelijk verkocht worden.
3.7.
Het Gerecht beslist als volgt. De man houdt het exclusief gebruiksrecht op de woning aan de [adres] tot 31 juli 2026. Vanaf de datum van de uitspraak (22 juni 2026) betaalt de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding van $ 900,- per maand. Tevens zal de man de volledige rekeningen van de WEB betalen zolang hij in de woning verblijft.
3.8.
De beslissing zal niet, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat tegen de op grond van artikel 822 en Pro artikel 823 Wetboek Pro Burgerlijke Rechtsvordering BES gegeven beschikkingen geen hogere voorziening open staat, behoudens cassatie in het belang der wet (art. 824 Rv Pro BES).
3.9.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd, omdat het verzoek een familierechtelijk karakter heeft.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf woensdag 1 juli 2026, 07.30 uur drie dagen bij de man verblijven en daarna drie dagen bij de vrouw verblijven. Deze cyclus van drie-om-drie dagen, zoals nader omschreven onder 3.5, blijft in stand tot een definitieve omgangsregeling is vastgesteld;
4.2.
bepaalt dat de man tot uiterlijk 31 juli 2026 de woning aan [adres] te Bonaire mag gebruiken tegen een gebruiksvergoeding van $ 900,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw. Tevens zal de man de WEB rekeningen betalen;
4.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.G.C. Groenendaal, rechter, in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier en op 30 juni op schrift gesteld.