ECLI:NL:OGEABES:2026:160

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BON202600082
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wtu BESArt. 16 Wet administratieve rechtspraak BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift in vreemdelingenrecht

Eiser, een Guyanees die sinds 2020 op Bonaire verblijft en in 2024 het Nederlanderschap verkreeg, diende een aanvraag in voor een verklaring van rechtswege. Na afwijzing door de minister en een gegrond verklaard bezwaar, werd aan eiser alsnog een verklaring toegekend. Eiser stelde beroep in tegen deze beschikking, maar deed dit buiten de wettelijke termijn van vier weken.

Het Gerecht stelde vast dat de bestreden beschikking op 23 januari 2026 aan eiser was uitgereikt, waardoor de beroepstermijn liep tot 20 februari 2026. Eiser diende zijn beroepschrift pas op 24 februari 2026 in. Zijn argumenten voor de laattijdigheid, waaronder het betreden van het gerechtsgebouw via de verkeerde deur en een foutieve berekening van de termijn, werden niet als verschoonbaar beoordeeld.

Het Gerecht concludeerde dat de termijnoverschrijding niet aan eiser kon worden toegerekend en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor bleef de beschikking van de minister ongewijzigd van kracht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Uitspraak

in de zaak tussen:

[naam eiser],

wonende op Bonaire,
eiser,
procederende in persoon,
tegen

de minister van Asiel en Migratie,

verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. de Graaf.
Partijen worden hierna [eiser] en de minister genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiser] tegen de beslissing van de minister om aan [eiser] een verklaring van rechtswege te verlenen, die geldig is van 11 november 2024 tot en met 10 november 2026.
1.1
De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.2
Bij e-mail van 21 mei 2026 heeft het Gerecht de gemachtigde van de minister verzocht om op twee punten, hetzij voorafgaand aan de zitting schriftelijk, hetzij ter zitting, te reageren. De minister heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep van [eiser] op 22 mei 2026 op zitting behandeld. [Eiser] was daarbij aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, die werd vergezeld door [naam beleidsmedewerker], beleidsmedewerker bij de minister.
1.4
Na afloop van de zitting heeft het Gerecht [eiser] in de gelegenheid gesteld om binnen een week de aan hem uitgereikte bestreden beschikking op bezwaar aan het Gerecht toe te sturen. [Eiser] heeft hierop bij e-mail van 27 mei 2026 gereageerd.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van [eiser] niet-ontvankelijk is, omdat hij zijn beroepschrift te laat heeft ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1 [
Eiser] is geboren in Guyana en heeft de Guyanese nationaliteit. Hij verblijft sinds 25 februari 2020 op Bonaire. Aan [eiser] zijn in het verleden vergunningen tot tijdelijk verblijf verleend. Op 8 maart 2024 heeft hij het Nederlanderschap verkregen. Vervolgens heeft hij op 11 november 2024 een aanvraag ingediend om afgifte van een verklaring van rechtswege.
3.2
Bij beschikking van 18 augustus 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Het door [eiser] daartegen gemaakte bezwaar is bij beschikking van 12 januari 2026 gegrond verklaard (de bestreden beschikking). Daarbij is aan [eiser] alsnog een verklaring van rechtswege toegekend, geldig vanaf 11 november 2024 tot en met 10 november 2026. [Eiser] heeft tegen de bestreden beschikking beroep ingesteld.
Waarom is het beroep van [eiser] niet-ontvankelijk?
4.1
Voordat het Gerecht toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet hij eerst ambtshalve beoordelen of het beroep ontvankelijk is.
4.2
Het Gerecht is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is en motiveert dat als volgt.
4.3 [
Eiser] heeft beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de minister over een verklaring van rechtswege op grond van de Wet toelating en uitzetting BES (Wtu BES).
4.4
Op grond van artikel 19 van Pro de Wtu BES bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift, in afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES), vier weken.
4.5
Op grond van artikel 16, eerste lid, van de War BES vangt de beroepstermijn aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Op grond van het tweede lid geldt de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt als de dag waarop deze is gegeven. Op grond van het derde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor geldende termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
4.6
Het Gerecht stelt vast dat de bestreden beslissing is gedateerd op 12 januari 2026 en – volgens de daarop geplaatste stempel – op 22 januari 2026 is uitgeprint. Op verzoek van het Gerecht heeft de minister bij e-mail van 21 mei 2026 informatie verstrekt over de datum waarop de beslissing aan [eiser] is uitgereikt. Uit het systeem van de minister blijkt dat de beslissing op bezwaar op 23 januari 2026 is uitgereikt aan [eiser], houder van paspoortnummer [paspoortnummer]. Uit een afbeelding van het paspoort van [eiser] dat zich in het dossier bevindt, blijkt dat voornoemd nummer zijn paspoortnummer is.
4.7 [
Eiser] is na afloop van de zitting in de gelegenheid gesteld om de aan hem uitgereikte beslissing op bezwaar aan het Gerecht te overleggen. In zijn reactie van 27 mei 2026 heeft hij laten weten dat hij niet kan aantonen wanneer hij de bestreden beslissing heeft afgehaald bij de minister. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister bij deze stand van zaken met de overgelegde gegevens voldoende aannemelijk gemaakt dat de beslissing op bezwaar op 23 januari 2026 aan [eiser] is uitgereikt.
4.8
Dat betekent dat 23 januari 2026 geldt als de dag waarop de beschikking is gegeven. De beroepstermijn van vier weken is daarom aangevangen op 24 januari 2026 en geëindigd op 20 februari 2026.
4.9 [
Eiser] heeft echter pas op 24 februari 2026 – en dus buiten de wettelijke beroepstermijn van vier weken – beroep ingesteld. Dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, tenzij deze laattijdigheid niet aan [eiser] kan worden toegerekend. Het Gerecht moet daarom beoordelen of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4.10 [
Eiser] heeft in dit verband ter zitting aangevoerd dat hij via de verkeerde deur het gerechtsgebouw is binnengegaan, waardoor het hem niet is gelukt zijn beroepschrift in te dienen. Volgens [eiser] heeft een advocaat hem daarna uitgelegd via welke ingang hij het gerechtsgebouw wel moest betreden, waarna hij zijn beroepschrift de volgende dag heeft kunnen indienen. Daarnaast heeft [eiser] aangevoerd dat hij de uiterste datum voor het indienen van beroep heeft berekend aan de hand van de op de bestreden beslissing vermelde datum. Hij heeft de aan hem uitgereikte beslissing op bezwaar echter niet naar de zitting meegenomen.
4.11
Na afloop van de zitting is [eiser] in de gelegenheid gesteld om de aan hem uitgereikte beslissing op bezwaar alsnog binnen een week aan het Gerecht te overleggen. In zijn e-mail van 27 mei 2026 heeft [eiser] deze beslissing echter niet meegestuurd. Het Gerecht heeft daarom geen aanknopingspunten om aan te nemen dat op de aan [eiser] uitgereikte beslissing een latere datum staat vermeld die aanleiding heeft kunnen geven tot een onjuiste berekening van de beroepstermijn.
4.12
Ook de omstandigheid dat [eiser] de juiste ingang van het gerechtsgebouw niet heeft kunnen vinden, maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het Gerecht acht het moeilijk voorstelbaar dat met een keuze uit slechts twee deuren vlakbij elkaar [eiser] de griffie van het Gerecht niet direct heeft kunnen vinden. Daar komt bij dat [eiser] heeft verklaard dat deze omstandigheid zich heeft voorgedaan één dag voordat hij zijn beroepschrift heeft ingediend, dus op
23 februari 2026. Op dat moment was de beroepstermijn al verstreken.

Conclusie en gevolgen

5. Het voorgaande brengt het Gerecht tot de conclusie dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het Gerecht zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het Gerecht niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarmee blijft de bestreden beschikking, waarin aan [eiser] een verklaring van rechtswege is toegekend vanaf 11 november 2024 tot en met 10 november 2026, dus in stand.
6. Omdat het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:
-
verklaarthet beroep
niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.