ECLI:NL:OGEABES:2026:161

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BON202600084 en BON202600085
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2r Wtu BESArt. 2o Wtu BESArt. 22f Wtu BESArt. 22k Wtu BESArt. 22r Wtu BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot Bonaire geweigerd wegens ontbreken machtiging en onvoldoende middelen

Eiser, houder van een vluchtelingenpaspoort en verblijfsvergunning voor Nederland, reisde op 20 februari 2026 naar Bonaire, waar hem de toegang werd geweigerd wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf voor een verblijf langer dan drie maanden. Tevens werden zijn identiteitspapieren in bewaring genomen en werd hij opgehouden in een aangewezen ruimte. Het Gerecht oordeelt dat het niet bevoegd is om het beroep tegen de inbewaringneming van de identiteitspapieren te behandelen, omdat deze handeling niet gelijkgesteld is met een beschikking in de zin van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Het Gerecht stelt vast dat eiser de Syrische nationaliteit bezit en niet voldeed aan de voorwaarden voor een kort toeristisch verblijf, waaronder het beschikken over voldoende middelen van bestaan en een retourticket. De minister heeft daarom terecht de toegang geweigerd en eiser mocht worden opgehouden in afwachting van zijn terugkeer naar Nederland. Eiser voerde aan dat hij recht had op verblijf op grond van zijn vluchtelingenpaspoort en verblijfsvergunning, dat hij toeristenbelasting had betaald, en dat hem geen advocaat was verleend, maar deze gronden werden verworpen.

Het Gerecht concludeert dat de minister correct heeft gehandeld en verklaart het beroep tegen de toegangsweigering en ophouding ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 17 juli 2026 en partijen kunnen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Uitkomst: Het beroep tegen de toegangsweigering en ophouding wordt ongegrond verklaard; het beroep tegen inbewaringneming identiteitspapieren is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Uitspraak

in de zaken tussen:

[naam eiser],

wonende in Nederland,
eiser,
procederende in persoon,
tegen

de minister van Asiel en Migratie,

verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. de Graaf.
Partijen worden hierna eiser en de minister genoemd.

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de minister om eiser de toegang tot Bonaire te weigeren. Dit beroep is bij het Gerecht geregistreerd onder nummer BON202600084. Daarnaast beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de beslissing van de minister om eiser te verplichten zich op te houden in een daarvoor aangewezen ruimte en zijn identiteitspapieren tijdelijk in bewaring te nemen. Dit beroep is geregistreerd onder nummer BON202600085.
1.2
Eiser heeft het Gerecht laten weten dat hij inmiddels weer in Nederland verblijft en graag in persoon bij de zitting op Bonaire aanwezig wil zijn. Hij heeft het Gerecht verzocht de minister op te dragen de daarvoor benodigde maatregelen te treffen. De minister heeft daarop laten weten daartoe niet bereid te zijn, mede omdat eiser de zitting vanuit Nederland via een vaste beeld- en geluidsverbinding (VC-verbinding) kan bijwonen. Eiser heeft vervolgens desgevraagd laten weten bereid te zijn de zitting via een VC-verbinding bij te wonen. Hierop heeft het Gerecht beslist de zitting met gebruikmaking van een VC-verbinding te laten plaatsvinden.
1.3
Het Gerecht heeft de beroepen van eiser op de zitting van 22 mei 2026 behandeld. Eiser was daarbij via een VC-verbinding aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door [naam coördinator], coördinator bij de Koninklijke Marechaussee (KMar).
1.4
Het Gerecht heeft de uitspraaktermijn van zes weken verdaagd. Bij e-mail van 1 juli 2026 heeft het Gerecht partijen laten weten uiterlijk vandaag uitspraak te zullen doen op de beroepen.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de besluiten waarbij de minister eiser de toegang tot Bonaire heeft geweigerd, hem heeft opgehouden en zijn identiteitspapieren in bewaring heeft genomen, aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1
Het Gerecht acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het in bewaring nemen van de identiteitspapieren. Deze handeling is in de wet namelijk niet gelijkgesteld met een beschikking in de zin van artikel 3 van Pro de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES). Het beroep is voor het overige ongegrond. De minister heeft eiser de toegang tot Bonaire terecht geweigerd. Nu eiser de Syrische nationaliteit heeft, diende hij voor een beoogd verblijf van langer dan drie maanden te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf. Vast staat dat hij daarover niet beschikte. Ook voldeed hij niet aan de voorwaarden voor een kort toeristisch verblijf. De minister heeft eiser vervolgens, in afwachting van zijn terugkeer naar Nederland, mogen ophouden.
2.2
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiser is in het bezit van een vluchtelingenpaspoort, uitgegeven door het Koninkrijk der Nederlanden en beschikt over een vergunning om in Nederland te verblijven, geldig tot 29 augustus 2029.
3.2
Eiser is op 20 februari 2026 per vliegtuig vanuit Nederland naar Bonaire gereisd. Bij aankomst is hem de toegang tot Bonaire geweigerd. Daarbij zijn zijn reis- en identiteitspapieren tijdelijk in bewaring genomen en is hij opgehouden in een daartoe aangewezen ruimte. Op 21 februari 2026 is eiser per vliegtuig naar Nederland teruggekeerd. Op dezelfde datum heeft hij per e-mail zijn de beroepen ingesteld.
Is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het in bewaring nemen van de identiteitspapieren?
4.1
Op grond van artikel 7 van Pro de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES) staat uitsluitend beroep open tegen een beschikking.
4.2
De identiteitspapieren van eiser zijn tijdelijk in bewaring genomen op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet toelating en uitzetting BES (Wtu BES). Op grond van die bepaling zijn de met de grensbewaking belaste ambtenaren bevoegd om, ter vervulling van hun taak, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen en tijdelijk in bewaring te nemen.
4.3
Artikel 22k, eerste lid, van de Wtu BES bepaalt welke op grond van de Wtu BES genomen beslissingen en maatregelen voor de toepassing van artikel 3 van Pro de War BES met een beschikking worden gelijkgesteld. De tijdelijke inbewaringneming van reis- en identiteitspapieren als bedoeld in artikel 22f, eerste lid, van de Wtu BES is daarin niet opgenomen.
4.4
Het Gerecht leidt hieruit af dat de wetgever niet heeft beoogd de tijdelijke inbewaringneming van reis- en identiteitspapieren voor de toepassing van de War BES met een beschikking gelijk te stellen. Tegen deze handeling staat daarom geen beroep open bij het Gerecht. Het Gerecht zal zich daarom onbevoegd verklaren om van dit onderdeel van het beroep kennis te nemen.
4.5
De beslissing om eiser de toegang tot Bonaire te weigeren is genomen op grond van artikel 2r van de Wtu BES. De beslissing om eiser op te houden in een daartoe aangewezen ruimte is genomen op grond van artikel 2o van de Wtu BES. Deze beslissingen worden op grond van artikel 22k, eerste lid, van de Wtu BES voor de toepassing van de War BES met een beschikking gelijkgesteld. Het Gerecht is daarom bevoegd van deze onderdelen van het beroep kennis te nemen. Eiser heeft tegen deze beslissingen verschillende beroepsgronden aangevoerd, die het Gerecht hierna achtereenvolgens zal bespreken.
Wat voert eiser aan in beroep en wat vindt het Gerecht?
5. Eiser voert allereerst aan dat hij op grond van zijn vluchtelingenpaspoort en de aan hem verleende Nederlandse verblijfsvergunning recht heeft om in Bonaire te verblijven en te werken.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
6.1
De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
6.2
Hoewel Bonaire een bijzondere gemeente van Nederland is, kent Bonaire eigen wet- en regelgeving op het gebied van de toelating en uitzetting van vreemdelingen. Deze wet- en regelgeving bestaat uit de Wet toelating en uitzetting BES (Wtu-BES), het Besluit toelating en uitzetting BES (Btu-BES) en de Circulaire toelating en uitzetting BES (de circulaire).
6.3
Op grond van artikel 4.2, eerste lid, van het Btu-BES mogen toeristen Bonaire binnenkomen en daar gedurende maximaal drie maanden verblijven. Indien een vreemdeling beoogt langer dan drie maanden op Bonaire te verblijven, is in bepaalde gevallen een machtiging tot voorlopig verblijf vereist. Dat volgt uit artikel 3.5, eerste en derde lid, van het Btu-BES.
6.4
Uit de verklaring van eiser volgt dat hij naar Bonaire is gekomen om te wonen en te werken. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de minister daarom terecht beoordeeld of eiser voldeed aan de voorwaarden voor een beoogd verblijf van langer dan drie maanden.
6.5
Hoewel eiser dit betwist, is naar het oordeel van het Gerecht voldoende komen vast te staan dat eiser de Syrische nationaliteit bezit. Zijn Syrische nationaliteit is weliswaar niet in zijn vluchtelingenpaspoort is vermeld, maar blijkt wel uit de zich in het dossier bevindende Nederlandse verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Op grond van artikel 3.5, eerste en derde lid, van het Btu BES dienen vreemdelingen met de Syrische nationaliteit die langer dan drie maanden op Bonaire willen verblijven, te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf. Op grond van artikel 2r, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wtu BES kan een vreemdeling de toegang tot Bonaire worden geweigerd indien hij visumplichtig is en niet beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf.
6.6
Nu vaststaat dat eiser niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf, is het Gerecht van oordeel dat hem terecht de toegang tot Bonaire is geweigerd.
6.7
Eiser voert aan dat hij pas heeft verklaard dat hij naar Bonaire was gekomen om te wonen en te werken nadat een vrouwelijke douanebeambte hem al welkom had geheten op Bonaire. Dit betoog leidt niet tot een ander oordeel. Zoals ter zitting is toegelicht, wordt pas toegang tot Bonaire verleend nadat een stempel in het paspoort van de vreemdeling is geplaatst. In dit geval is eiser, nadat twijfel was ontstaan of hij aan de toegangsvoorwaarden voldeed, onderworpen aan een tweedelijnsonderzoek. Tijdens dat onderzoek heeft eiser verklaard dat hij naar Bonaire was gekomen om te wonen en te werken. Deze verklaring leidde, bij gebreke van een machtiging tot voorlopig verblijf, tot de conclusie dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een verblijf van langer dan drie maanden. Nu op dat moment nog geen stempel in het paspoort van eiser was geplaatst en eiser rechtmatig aan een nader onderzoek is onderworpen, doet de omstandigheid dat een douaneambtenaar hem eerder welkom zou hebben geheten, niet ter zake.
6.8
Voor zover eiser betoogt dat hem in ieder geval toegang had moeten worden verleend voor kort verblijf, leidt ook dat niet tot de conclusie dat hem ten onrechte de toegang is geweigerd. De minister heeft namelijk ook beoordeeld of eiser voldeed aan de voorwaarden voor kort verblijf. Dat was niet het geval. Bij kort verblijf geldt een middelenvereiste van USD 1.000 per week. Eiser had USD 545 aan contant geld bij zich en beschikte over USD 1.600 op zijn bankrekening. Daarnaast was hij niet in het bezit van een retourticket en had hij nog geen verblijfplaats geregeld of betaald. Gelet op het ontbreken van een terugkeerdatum en de nog te maken kosten voor verblijf en een retourticket, kon de minister zich op het standpunt stellen dat niet was aangetoond dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikte.
7. Eiser voert verder aan dat hij al USD 75 aan toeristenbelasting had betaald. Daaruit blijkt volgens hem dat hij aan de voorwaarden voor toegang voldeed.
7.1
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt het Gerecht dat ter zitting namens de minister is toegelicht dat toeristenbelasting wordt geheven en geïnd door het bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire. Dit staat los van de beoordeling of een vreemdeling toegang tot Bonaire wordt verleend door de met de grensbewaking belaste ambtenaren. Dat eiser toeristenbelasting heeft betaald, betekent daarom niet dat hem daarmee ook toegang tot Bonaire is verleend.
8. Eiser voert aan dat hij, nadat hem de toegang tot Bonaire was geweigerd, ten onrechte is opgehouden in een daartoe aangewezen ruimte.
8.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
8.2
Uit het voorgaande volgt dat eiser terecht de toegang tot Bonaire is geweigerd. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij geen familie op Bonaire had en nog geen accommodatie had geboekt. Verder is ter zitting toegelicht dat op de dag waarop eiser de toegang werd geweigerd geen beschikbare terugvlucht naar Amsterdam voorhanden was. Hoewel eiser deze stelling uitdrukkelijk heeft betwist, ziet het Gerecht geen aanleiding te twijfelen aan de door [coördinator] ter zitting gegeven toelichting en gaat hij uit van de juistheid daarvan. Nu eiser niet beschikte over een verblijfplaats op Bonaire en Bonaire niet onverwijld kon verlaten, was de minister bevoegd hem op grond van artikel 2o, eerste lid, van de Wtu BES op te houden in een door de met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte of plaats. Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat deze ophouding beperkt is gebleven tot de periode tot zijn terugvlucht naar Nederland op de volgende dag.
9. Eiser voert aan dat hem ten onrechte geen bijstand van een advocaat is verleend. Daardoor was hij niet in staat beroep in te stellen tegen de toegangsweigering en de ophouding.
10. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
10.1
Op grond van artikel 22r wordt op verzoek van de vreemdeling hem een raadsman toegevoegd zodra hem ingevolge van deze wet zijn vrijheid is ontnomen.
10.2
Namens de minister is ter zitting toegelicht dat de KMar eiser heeft aangeboden een advocaat te raadplegen, maar dat het contact met een raadsman uiteindelijk niet tot stand is gekomen. Eiser betwist dit en stelt dat hem zelfs geen pen en papier zijn aangeboden, waardoor het hem onmogelijk is gemaakt een rechtsmiddel aan te wenden tegen de bestreden beschikkingen. Het Gerecht is van oordeel dat de KMar had zorgvuldiger kunnen handelen door contact op te nemen met een raadsman en de mogelijkheid tot het aanwenden van rechtsmiddelen actiever te faciliteren. Het Gerecht ziet daarin echter geen aanleiding de bestreden beschikkingen te vernietigen. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat eiser al een dag na de bestreden beschikkingen per e-mail beroep heeft ingesteld. Vervolgens heeft hij zijn beroepsgronden kunnen aanvullen en heeft hij zijn standpunt ter zitting naar voren kunnen brengen. Daarbij had hij zich desgewenst door een gemachtigde kunnen laten bijstaan.

Conclusie en gevolgen

11. Het Gerecht acht zich niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het in bewaring nemen van de identiteitspapieren. Het beroep is voor het overige ongegrond aangezien, omdat geen van de beroepsgronden van eiser slaagt. Dat betekent dat de beschikkingen waarbij aan eiser de toegang tot Bonaire is geweigerd en hij is opgehouden, in stand blijven.
12. Nu het Gerecht het beroep ongegrond zal verklaren, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht:
  • verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het in bewaring nemen van de identiteitspapieren;
  • verklaartde beroepen voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen één weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.

Bijlage: juridisch kader

Op grond van artikel 22k, eerste lid, wordt voor de toepassing van artikel 3 van Pro de Wet administratieve rechtspraak BES met een beschikking gelijkgesteld een aanwijzing op grond van artikel 2o, eerst lid, en de weigering van de toegang bedoeld in artikel 2r.
Op grond van artikel 2r, eerste lid aanhef van de Wet toelating en uitzetting BES weigert de ambtenaar belast met de grensbewaking de toegang aan een vreemdeling die:
(..)
b. indien hij visumplichtig is, geen houder is van een voor toegang benodigd visum voor kort verblijf, terugkeervisum of machtiging tot voorlopig verblijf, tenzij de vreemdeling houder is van een geldige verblijfstitel;
(..)
d. niet kan aantonen dat hij beschikt over voldoende middelen van bestaan voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar de plaats of het land van herkomst of voor de doorreis naar een plaats of derde land waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig kan verwerven.
Op grond van artikel 2o, eerste lid van de Wtu BES kan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaring aangewezen ruimte of plaats. Op grond van het tweede lid kan een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
Op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wtu BES zijn de ambtenaren, bevoegd met de grensbewaking bevoegd om, ter vervulling van hun taken, reis- en identiteitspapieren van personen in te nemen en tijdelijk in bewaring te nemen.
Op grond van artikel 22r wordt op verzoek van de vreemdeling hem een raadsman toegevoegd zodra hem ingevolge van deze wet zijn vrijheid is ontnomen.
Op grond van artikel 3.5, eerste lid aanhef en onder a van het Besluit toelating en uitzetting BES wordt de toegang tot de openbare lichamen niet geweigerd op grond van artikel 2r, eerste lid, onder b indien de vreemdeling in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding dat is voorzien van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien hij zich naar de openbare lichamen begeeft voor een verblijf aldaar van langer dan drie maanden.
Op grond van artikel 3.5, het derde lid aanhef en onder a van het Besluit toelating en uitzetting BES wordt de toegang niet geweigerd indien de vreemdeling zich naar de openbare lichamen begeeft voor een verblijf van langer dan drie maanden en hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding waarin de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf ontbreekt, mits de vreemdeling de nationaliteit bezit van één van bij ministeriële regeling aan te wijzen staten.
Als de landen, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onder a, van het besluit, zijn aangewezen de landen vermeld in bijlage 3 bij deze regeling.
Op grond van bijlage 3 van de Regeling toelating en uitzetting BES zijn de onderdanen van de volgende lidstaten vrijgesteld van de MVV-plicht: lidstaten van de EU, lidstaten van de EER, Australië, Canada, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Vaticaanstad, Verenigde Staten, Zuid-Korea en Zwitserland.
Op grond van artikel 2.3.4. “Voldoende middelen van bestaan” van de circulaire geldt als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de duur van het voorgenomen verblijf.
De middelen moeten toereikend zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in de openbare lichamen als in de kosten van de reis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder:
de duur van het voorgenomen verblijf;
het reisdoel;
de persoonlijke omstandigheden; en
e aard van het gebruikte vervoermiddel.
Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak. Voor de openbare lichamen komt dit neer op een bedrag van minimaal USD 1000 per week per persoon. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten de openbare lichamen waar de toegang is gewaarborgd.