ECLI:NL:OGEABES:2026:162

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BON202500650
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet toelating en uitzetting BESArt. 5.45 Besluit toelating en uitzetting BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning onbepaalde tijd wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Peruviaanse automonteur met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op Bonaire, verzocht om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet zou aantonen dat hij duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, mede vanwege een belastingschuld van zijn werkgever.

Eiser stelde dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd en dat hij wel degelijk duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, onderbouwd met belastingaanslagen en bankafschriften waaruit blijkt dat hij zijn salaris ontving. Het Gerecht oordeelde dat de belastingschuld van de werkgever geen grondslag vindt in het beleid van de minister en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit tot afwijzing leidt.

Het Gerecht stelde vast dat eiser gedurende de relevante periode zijn salaris ontving en dat de belastingschuld van de werkgever niet doorslaggevend kan zijn voor het oordeel over de duurzaamheid van de middelen van bestaan. De bestreden beschikking werd vernietigd en de minister werd opgedragen binnen twee maanden een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Uitspraak

in de zaak tussen:

[naam eiser],

verblijvende te Bonaire,
eiser,
gemachtigde: A. El Moubachar,
tegen

de minister van Asiel en Migratie,

verweerder,
gemachtigde: mr. P.J. de Graaf.
Partijen worden hierna eiser en de minister genoemd.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
1.1
Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen. Het bezwaar van eiser tegen deze afwijzende beschikking heeft de minister niet tot een ander oordeel gebracht. Bij beschikking, van 19 november 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzende beschikking gehandhaafd (de bestreden beschikking).
1.2
Eiser heeft op 23 december 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking.
1.3
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
Het Gerecht heeft het beroep van eiser op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, samen met zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook aanwezig was mevrouw H. Paige, die heeft opgetreden als tolk in de Spaanse taal.
1.5
Na afloop van de zitting is eiser in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van één week inkomensgegevens over te leggen over de periode 2025 tot en met mei 2026 waaruit blijkt dat hij in die periode salaris heeft genoten. Eiser heeft op 26 mei 2026 gereageerd.

Beoordeling door het Gerecht

2. Het Gerecht beoordeelt de beslissing van de minister om de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van eiser af te wijzen aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De grondslag van de afwijzing is onvoldoende gemotiveerd. Dat de belastingschuld van de werkgever van eiser maakt dat zijn inkomsten niet als duurzaam kunnen worden aangemerkt, vindt geen grondslag in het beleid van de minister.
2.2
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Eiser is geboren in Peru en heeft de Peruviaanse nationaliteit. Hij woont sinds ongeveer zes op Bonaire en werkt daar sinds die tijd als automonteur bij [naam werkgever]. Hij beschikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3.2
Aan eiser zijn in het verleden meerdere verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd verleend. Op 21 januari 2025 heeft hij een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Die aanvraag heeft geleid tot de procedure zoals vermeld in de inleiding van deze uitspraak.
Waarom heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen?
4. De minister heeft de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Middelen van bestaan worden als duurzaam aangemerkt als zij op het moment van de beschikking nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Volgens de minister is daarvan geen sprake. De werkgever van eiser had tijdens de bezwaarfase namelijk een belastingschuld van USD 123.060, - waarvoor geen betalingsregeling was getroffen. De omvang van deze schuld roept vragen op over de bedrijfsvoering, de huidige solvabiliteit en het vermogen van het bedrijf om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Daarbij komt dat eiser, hoewel hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, niet met aanvullende stukken heeft aangetoond dat zijn loon daadwerkelijk door zijn werkgever is uitbetaald. Eiser en zijn werkgever hebben evenmin aangetoond dat de belastingschuld is afgelost of dat daarvoor alsnog een betalingsregeling is getroffen.
Waarom is eiser het daarmee oneens en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Eiser voert aan dat in de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd waarom de belastingschuld van zijn werkgever tot de conclusie leidt dat hij niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. Volgens eiser beschikt hij wel degelijk zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan. Ter onderbouwing voert hij aan dat uit de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2023 en 2024 blijkt dat hij bij zijn werkgever ten minste het minimumloon heeft verdiend. Daarnaast blijkt volgens eiser uit bankafschriften over de periode van 2025 tot en met april 2026 dat zijn werkgever maandelijks salaris aan hem heeft uitbetaald.
6. Deze beroepsgrond slaagt. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
6.1
Op grond van artikel 9, eerst lid aanhef en onder c van de Wet toelating en uitzetting BES kan de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat degene voor wie toelating wordt verzocht over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.
6.2
Op grond van artikel 5.45, eerste lid en sub a van het Besluit toelating en uitzetting BES wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alleen afgegeven indien de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Uit de toelichting op dit artikel blijkt dat daarbij dezelfde maatstaven worden gehanteerd als bij het verlenen van ene verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
6.3
In paragraaf 1.9.3.2 van de Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de circulaire) is nader uitgewerkt wanneer middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt. Van duurzaamheid is sprake als deze middelen nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de beschikking is gegeven.
7. Toegepast op deze zaak, komt het Gerecht tot de volgende beoordeling.
7.1
Eiser beschikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij zijn werkgever. Uit de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2023 en 2024 en de bankafschriften over de periode van 2025 tot en met april 2026 blijkt dat eiser zijn salaris gedurende die periode steeds heeft ontvangen. Deze omstandigheden bieden voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de inkomsten van eiser ook één jaar na de datum van de bestreden beschikking nog beschikbaar zullen zijn.
7.2
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat desondanks geen sprake is van duurzame middelen van bestaan, omdat de werkgever een belastingschuld heeft. Het Gerecht volgt de minister daarin niet. Een belastingschuld van de werkgever wordt in de circulaire niet genoemd als een relevante omstandigheid bij de beoordeling van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Daar komt bij dat in de circulaire uitdrukkelijk is vermeld dat een overeengekomen proeftijd geen invloed heeft op die beoordeling, terwijl een proeftijd naar zijn aard juist onzekerheid meebrengt over het voortduren van het dienstverband. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom aan een belastingschuld van de werkgever wel doorslaggevende betekenis zou moeten worden toegekend.
7.3
Ter zitting heeft de minister nog toegelicht dat ook de minister van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid (SZW) bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning mede aan de hand van een belastingschuld van de werkgever beoordeelt of sprake is van duurzame middelen van bestaan. Volgens de minister dient bij een aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dezelfde toets te worden aangelegd. Ook dit betoog volgt het Gerecht niet. Een procedure over een tewerkstellingsvergunning betreft de rechtsverhouding tussen de minister van SZW en de werkgever die om een vergunning verzoekt. Daarbij kan een aanzienlijke belastingschuld zonder betalingsregeling vragen oproepen over de bedrijfsvoering en de financiële positie van het bedrijf. In deze zaak gaat het echter om een procedure tussen de minister en een werknemer, die geen invloed heeft op een eventuele belastingschuld van zijn werkgever. Deze omstandigheid kan eiser daarom niet worden tegengeworpen.
Ten overvloede overweegt het Gerecht dat, ook indien de belastingschuld van de werkgever wel bij de beoordeling zou mogen worden betrokken, onvoldoende aannemelijk is dat daarom niet aan het duurzaamheidscriterium wordt voldaan. De belastingschuld bestaat immers al geruime tijd, terwijl eiser gedurende die periode steeds zijn salaris heeft ontvangen. Sinds de bestreden beschikking van 19 november 2025 is bovendien inmiddels ongeveer de helft van de beoordelingsperiode van één jaar verstreken, zonder dat is gebleken dat het inkomen van eiser is weggevallen. Ook in zoverre biedt het standpunt van de minister daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat de middelen van bestaan van eiser niet duurzaam zijn.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de minister zijn standpunt dat geen sprake is van duurzame middelen van bestaan onvoldoende heeft gemotiveerd. De bestreden beschikking, waarbij de afwijzing is gehandhaafd, bevat daarom een motiveringsgebrek.
Conclusie en gevolgen
9. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. Het Gerecht zal het beroep van eiser gegrond verklaren en de bestreden beschikking vernietigen. De minister dient een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het Gerecht stelt hiervoor een termijn van twee maanden vast.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van USD 84,- aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor de door hem gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt USD 782,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt USD 391,-).

Beslissing

Het Gerecht:
  • verklaarthet beroep gegrond;
  • vernietigtde bestreden beschikking;
  • bepaaltdat de minister uiterlijk binnen twee maanden na deze uitspraak opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser, met in achtneming van deze uitspraak;
  • veroordeeltde minister tot betaling aan eiser van zijn proceskosten tot een bedrag van USD 782,-;
  • bepaaltdat de minister het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend
binnen zes wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
  • het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
  • een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
  • vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.