ECLI:NL:OGEABES:2026:166

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
BON202600029 , BON202600030
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en omgangsregeling minderjarige kinderen na verhuizing naar Nederland

De ouders van twee minderjarige kinderen zijn in 2016 uit elkaar gegaan en hebben gezamenlijk gezag. De moeder verhuisde in 2019 met toestemming van de vader naar Bonaire. De kinderen stonden onder toezicht van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) van december 2023 tot juni 2025, waarna dit negatief werd afgesloten. De vader startte in augustus 2025 een procedure om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem in Nederland te bepalen. Dit verzoek werd toegewezen met ingang van 6 juli 2026.

De ouders hadden afgesproken dat de kinderen de eerste helft van de zomervakantie 2026 bij de moeder op Bonaire zouden blijven en pas op 24 juli 2026 naar Nederland zouden vertrekken. Na een incident op 25 juni 2026 en een escalatie op 2 juli 2026 waarbij de vader naar Bonaire vloog om de kinderen eerder mee te nemen, ontstond een stressvolle situatie. De kinderen verblijven sinds 2 juli 2026 feitelijk bij de vader op Bonaire met instemming van de moeder.

De moeder verzocht om de oorspronkelijke afspraak te handhaven, terwijl de vader en ZJCN het standpunt innamen dat de kinderen op 6 juli 2026 naar Nederland moeten vertrekken. De rechter oordeelde dat het belang van de kinderen voorop staat en dat de vader de situatie heeft doen escaleren door onaangekondigd te komen. De hoofdverblijfplaats blijft bij de vader, de omgangsregeling wordt vastgesteld op 4 en 5 juli 2026, en de gezinsvoogd wordt vervangen door een Nederlandse instelling bij aankomst van de kinderen in Nederland.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt per 3 juli 2026 bij de vader in Nederland vastgesteld en een omgangsregeling voor de moeder op 4 en 5 juli 2026 vastgesteld.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600029 en BON202600030
datum beslissing: 3 juli 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
ZORG EN JEUGD CARIBISCH NEDERLAND,
gevestigd te Bonaire,
hierna: ZJCN,
en het verzoek van
[de moeder],wonende te Bonaire,
hierna: de moeder,
met betrekking tot de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1]),
en
[minderjarige 2],geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2]),
hierna samen te noemen: de kinderen,
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente] (Nederland)
hierna: de vader,
gemachtigde: mr. A.F. van Toll,
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is gekend: de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad).

1.De procedure

1.1.
Op 16 juni 2026 heeft ZJCN verzocht om de ondertoezichtstelling over te dragen naar Nederland. Zowel Voogdijraad als de vader en de moeder hebben op respectievelijk 3, 15 en 17 juni 2026 bericht hiermee akkoord te zijn.
1.2.
Op 2 juli 2026 heeft de moeder verzocht om een omgangsregeling tussen haar en de kinderen vast te stellen.
1.3.
Op 3 juli 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
De moeder is verschenen. Ook de vader is verschenen, bijgestaan door mr. Van Toll.
Namens ZJCN waren mevrouw [medewerker ZJCN 1] en mevrouw [medewerker ZJCN 2]. Namens de Voogdijraad was mevrouw [medewerker voogdijraad] aanwezig.
1.5.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken.
1.6
De rechter heeft direct na de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan.

2.De feiten

2.1.
In 2016 zijn de ouders na een affectieve relatie uit elkaar gegaan. Zij hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. Op 10 augustus 2019 is de moeder met toestemming van de vader naar Bonaire verhuisd.
2.2.
De kinderen stonden van 20 december 2023 tot medio juni 2025 onder toezicht van ZJCN. Deze ondertoezichtstelling is (negatief) afgesloten.
2.3.
De vader is in augustus 2025 een procedure gestart waarin hij heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem in Nederland te bepalen.
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van dat verzoek heeft de Voogdijraad verzocht de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen. Dat verzoek is toegewezen.
De kinderen staan sinds 22 oktober 2025 onder (voorlopig) toezicht van ZJCN.
2.5.
Bij beschikking van 18 februari 2026 is – voor zover hier van belang - de hoofdverblijfplaats van de kinderen met ingang van 6 juli 2026 bij de vader in Nederland bepaald en is aan de vader vervangende toestemming verleend om met de kinderen vanaf 6 juli 2026 van Bonaire naar Nederland te reizen. Daarnaast zijn de kinderen bij (afzonderlijke) beschikking van 18 februari 2026 definitief onder toezicht gesteld van ZJCN voor de voor de duur van een jaar.
2.6.
Vervolgens hebben de ouders samen met ZJCN afgesproken dat de kinderen pas op 24 juli 2026 met de kinderen naar Nederland zouden gaan, om – in het kader van een omgangsregeling – het eerste deel van de zomervakantie 2026 nog bij de moeder op Bonaire door te brengen.
2.7.
Op 25 juni 2026 heeft zich een incident voorgedaan met [minderjarige 1], waarna hij in overleg met ZJCN een nacht bij iemand uit het netwerk van de moeder heeft overnacht. Dat incident is voor de vader aanleiding geweest om op 2 juli 2026 naar Bonaire te vliegen met de intentie om de kinderen op 6 juli 2026 mee te nemen naar Nederland. Dat heeft er weer toe geleid dat de situatie is geëscaleerd waarbij ZJCN en de politie zijn betrokken.
2.8.
De kinderen verblijven sinds 2 juli 2026 feitelijk – en vooralsnog met instemming van de moeder – met de vader bij kennissen op Bonaire.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1.
De moeder heeft verzocht om te bepalen dat de kinderen de eerste helft van de zomervakantie, dat wil zeggen tot 24 juli 2026, in het kader van een vakantieregeling bij de moeder op Bonaire zullen blijven en dat zij pas op die dag met de vader naar Nederland zullen vetrekken.
3.2.
De vader is het hier niet mee eens. Hij vindt dat door het incident van 25 juni 2026 en de escalatie sinds 2 juli 2026 de spanningen te hoog zijn opgelopen om nog het eerste deel van de zomervakantie bij de moeder door te brengen. Hij houdt daarom vast aan de in de beschikking van 18 februari 2026 genoemde datum van 6 juli 2026.
3.3.
ZJCN ondersteunt het standpunt van de vader. Zij maakt zich zorgen over de situatie bij de moeder en vindt dat de stressvolle situatie die nu is ontstaan in het belang van de kinderen zo kort mogelijk moet worden gehouden.
3.4.
De Voogdijraad heeft naar voren gebracht dat de ouders veel sturing nodig hebben. Afspraken maken is lastig. De kinderen zitten klem tussen de ouders. De kinderen hebben duidelijkheid nodig, maar moeten ook de mogelijkheid krijgen om goed afscheid te nemen van de moeder.
3.5.
Het gerecht stelt voorop dat het teleurstellend is dat het de ouders niet is gelukt om het afscheid van de kinderen op Bonaire en de verhuizing naar Nederland op een voor de kinderen prettige wijze te laten verlopen. De ouders weten al sinds februari 2026 dat de kinderen in deze vakantie naar Nederland zullen gaan en hebben de gelegenheid gehad zowel zichzelf als de kinderen daarop voor te bereiden. Daarbij wil het gerecht niet onvermeld laten dat de vader de situatie op scherp heeft gezet door onaangekondigd op 2 juli 2026 naar Bonaire te komen en het eerder overeengekomen vertrekmoment van 24 juli 2026 eenzijdig te willen wijzigen. Het is vooral hierdoor dat de huidige stressvolle en onduidelijke situatie is ontstaan. Het had de vader – wiens verzoek de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen eerder was toegewezen en die zich had kunnen en moeten beseffen hoe moeilijk deze beslissing voor de moeder is geweest – gesierd als hij zijn zorgen over het overeengekomen vertrekmoment met moeder had gedeeld en had geprobeerd daarover zo nodig nadere of andere afspraken te maken. Dit gezegd hebbende, overweegt het gerecht dat het nu niet langer gaat om de belangen van de ouders, maar uitsluitend nog om de belangen van de kinderen. De kinderen weten al geruime tijd dat ze naar Nederland gaan en hebben zich daar al op voorbereid. Zij zitten nu echter volledig klem tussen de ouders. Onzekerheid over de vertrekdatum en de wetenschap dat ouders daar verschillend over denken, is voor hen zeer belastend. Deze belastende situatie moet nu zo kort mogelijk duren. Het gerecht vindt het daarom nu het meest in het belang van de kinderen dat zij op 6 juli 2026 met de vader naar Nederland gaan. De beschikking van 18 februari 2026 – die dit als uitgangspunt had - blijft dus gewoon gelden. Het verzoek van de moeder om te bepalen dat de kinderen de eerste helft van de zomervakantie tot 24 juli 2026 bij haar zullen blijven en pas op die dag naar Nederland zullen vertrekken met de vader zal dus niet worden toegewezen, hoewel in een ‘normale’ situatie aan deze afspraak gevolg zou zijn gegeven. De kinderen verblijven sinds 2 juli 2026 feitelijk bij de vader op Bonaire. Een wijziging daarin, zo kort voor het vertrek, lijkt nu niet in hun belang. Daarom zal het gerecht dit verblijf vastleggen op de hierna te vermelden wijze. Het is wel heel belangrijk dat de kinderen nog zoveel mogelijk op een goede manier afscheid kunnen nemen van de moeder en van Bonaire. Daarom zal het gerecht ook bepalen dat de kinderen op zaterdag 4 juli 2026 en 5 juli 2026 van 09.00 tot 20.00 uur omgang met de moeder zullen hebben. De moeder mag die omgang vrij invullen. De moeder haalt de kinderen bij de vader op en brengt ze ook weer terug naar de vader.
3.6.
Door deze beslissing heeft de moeder deze zomer geen omgang met de kinderen. Het gerecht vindt het redelijk als de moeder daarvoor in de toekomst wordt gecompenseerd en gaat ervan uit dat de vader hier welwillend tegenover zal staan.
3.7.
Tot slot loopt de ondertoezichtstelling in Nederland gewoon door. ZJCN kan de ondertoezichtstelling feitelijk echter niet meer uitvoeren zodra de kinderen in Nederland zijn. De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers [plaats instelling] heeft zich bereid verklaard om de ondertoezichtstelling in Nederland uit te voeren. Alle belanghebbenden stemmen hier ook mee in. Het verzoek van ZJCN om de ondertoezichtstelling over te dragen naar Nederland zal in zoverre worden toegewezen dat ZJCN zal worden vervangen door de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers. Verder zal het gerecht – via het BLIK – contact opnemen met de bevoegde rechtbank in Nederland met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2],geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] met ingang van 3 juli 2026 bij de vader zal zijn,
4.2.
bepaalt dat de moeder omgang zal hebben met
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2],geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] op 4 en 5 juli 2026 van 09.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de moeder de kinderen bij de vader zal ophalen en terugbrengen,
4.3.
vervangt – met ingang van het moment waarop de kinderen in Nederland aankomen - de gezinsvoogd Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) door De Jeugd- & Gezinsbeschermers [plaats instelling];
4.4.
verstaat dat de griffier de beslissing onder 4.3. aantekent in het gezagsregister;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier en dezelfde dag op schrift gesteld.