ECLI:NL:OGEABES:2026:177

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
BON202600194
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BW BESArt. 3:181 BW BESArt. 810 Rv BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak echtscheiding met gezamenlijk gezag en kinderalimentatie

De man heeft bij het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek ingediend tot echtscheiding van de vrouw. Tijdens de procedure is vastgesteld dat partijen in onderling overleg zijn over de echtscheiding, het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind, de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw en de maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

De rechtbank heeft het verzoek tot echtscheiding toegewezen op grond van artikel 1:151 BW Pro BES. Het gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd en de hoofdverblijfplaats van het kind wordt vastgesteld bij de vrouw. De man is verplicht een maandelijkse bijdrage van $450 te betalen aan de vrouw voor de verzorging en opvoeding van het kind.

Verder is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap toegewezen, waarbij de benoeming van een notaris en onzijdig persoon is afgewezen omdat partijen geen geschil hebben over de verdeling. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de echtscheiding pas rechtsgeldig wordt door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De echtscheiding wordt uitgesproken met gezamenlijk gezag, hoofdverblijfplaats bij de vrouw en kinderalimentatie van $450 per maand.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600194
datum beslissing: 15 juli 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
[de man],
wonende te Bonaire,
verzoeker,
hierna: de man,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
[de vrouw],
wonende te Bonaire,
verweerster,
hierna: de vrouw,
procederend in persoon.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) BES is in de procedure gekend de Voogdijraad Caribisch Nederland (hierna: de Voogdijraad).

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is op 15 april 2026 op de griffie van het gerecht ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juli 2026. De man is verschenen, bijgestaan door mr. Nicolaas. De vrouw is in persoon verschenen. Namens de Voogdijraad is [medewerker voogdijraad] verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [huwelijksdatum] 2012 zijn de man en de vrouw op [huwelijksplaats] ([land]) met elkaar getrouwd.
2.2.
Tijdens het huwelijk tussen partijen is het volgende nu nog minderjarig kind geboren:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], hierna: [de minderjarige].

3.De verzoeken en de beoordeling

Het verzoek
3.1.
De man verzoekt:
- primair de echtscheiding uit te spreken, subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken;
- te bepalen dat beide partijen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] blijven uitoefenen;
- te bepalen dat het hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
- te bepalen dat een maandelijkse bijdrage van $ 450,- in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] door de man aan de vrouw wordt betaald;
- partijen te veroordelen over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap;
- benoeming van een notaris en onzijdig persoon;
De beoordeling
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard zich niet te verzetten tegen het verzoek van de man om van elkaar te scheiden. Het verzoek van de man om de echtscheiding uit te spreken zal als op de wet gegrond (art. 1:151 BW Pro BES) worden toegewezen.
3.3.
Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt. Nu beide partijen het hierover eens zijn zal het gerecht beslissen dat na de echtscheiding het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] in stand blijft.
3.4.
Ter zitting is gebleken dat de man en de vrouw het eens zijn dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn. Het gerecht zal daarom overeenkomstig beslissen.
3.5.
De man verzoekt een bijdrage van $ 450,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] vast te stellen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het eens zijn over de hoogte van het bedrag. Het gerecht zal dit bedrag dan ook vaststellen.
3.6.
Het verzoek met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is niet weersproken en zal als op de wet gegrond worden toegewezen met ingang van datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
3.7.
Het gerecht overweegt dat de benoeming van een notaris pas plaatsvindt op het moment dat partijen het niet eens kunnen worden over de keuze van de notaris. De benoeming van een onzijdig persoon vindt plaats als een van de deelgenoten van een gemeenschap geen medewerking verleent aan de verdeling daarvan (art. 3:181 BW Pro BES). Niet is gesteld of gebleken dat geen overeenstemming is bereikt over de keuze van de notaris en dat de vrouw geen medewerking zal verlenen aan de verdeling van de gemeenschap. Het gerecht zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
3.8.
De beslissing over de echtscheiding zal niet, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat die hoe dan ook pas tot stand komt door inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat ook de met de echtscheiding samenhangende overige beslissingen niet uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verklaard te berusten in de beslissing van het gerecht met betrekking tot de echtscheiding. De griffier zal daarom een zogenaamde griffiersverklaring aan partijen afgeven waaruit blijkt dat partijen afzien van een hoger beroep tegen de beslissing tot echtscheiding.
3.9.
Vanwege het familierechtelijke karakter is voor een proceskostenveroordeling geen plaats en zal iedere partij de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

Het gerecht:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] 2012 te [huwelijksplaats] ([land]);
4.2.
bepaalt dat verzoekers, na de echtscheiding, gezamenlijk belast blijven met het gezag over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats];
4.3.
verstaat dat de griffier aantekening maakt van de gezagsbeslissing uit rechtsoverweging 4.2. in het gezagsregister;
4.4.
bepaalt dat, met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn;
4.5.
bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats], met ingang van 1 augustus 2026 op totaal $ 450,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
4.6.
beveelt partijen om, na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers, met elkaar over te gaan tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap;
4.7.
verstaat dat de griffier een griffiersverklaring verstrekt dat partijen berusten in de in deze beschikking onder 4.1. uitgesproken echtscheiding;
4.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.