ECLI:NL:OGEABES:2026:3

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
BON202500038
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot vervreemding van onroerend goed uit huwelijksgoederengemeenschap

In deze zaak verzoekt een man om machtiging om een perceel grond, dat valt onder de huwelijksgoederengemeenschap met zijn ex-partner, aan zijn nicht te schenken of te verkopen. Het verzoekschrift is ingediend op 9 januari 2025, en de eerste mondelinge behandeling vond plaats op 25 juni 2025, gevolgd door een tweede op 17 december 2025. De gedaagde is niet verschenen, ondanks dat zij behoorlijk is opgeroepen. De man heeft geen contact met de gedaagde, die hij al 36 jaar niet heeft gezien, en haar woonplaats is onbekend. De man heeft een recht van erfpacht op het perceel grond, dat hij wil overdragen aan zijn nicht omdat hij geen geld heeft om een huis te bouwen. Het gerecht overweegt dat, gezien de omstandigheden van het schijnhuwelijk en de onbekende verblijfplaats van de gedaagde, het voor de man onmogelijk zou zijn om enige handeling met betrekking tot het gemeenschappelijk goed te verrichten zonder machtiging. Het gerecht verleent de machtiging voor een periode van drie jaar, met inachtneming van de noodzaak om toestemming te verkrijgen van het Openbaar Lichaam Bonaire. De waarde van het recht van erfpacht is vastgesteld op USD 40.000. De beschikking is gegeven door rechter R.P.P. Hoekstra en is op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500038
datum beslissing: 14 januari 2026
BESCHIKKING
op verzoek van:
[verzoeker],
wonende te Bonaire,
hierna:
[verzoeker],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,
tegen
[gedaagde],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
hierna:
[gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met bijlagen is ingediend op 9 januari 2025.
1.2.
De eerste mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2025. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde.
1.3.
De tweede mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij was aanwezig [verzoeker] bijgestaan door zijn gemachtigde. Ter gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling heeft [verzoeker] stukken overgelegd.
1.4. [
gedaagde] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.5.
De beschikking is bepaald op heden.

2.De kern van de zaak

In deze zaak ligt de vraag voor of een man kan worden gemachtigd om uit de huwelijksgoederengemeenschap een perceel grond aan zijn nicht te schenken, althans te verkopen en te leveren.

3.De feiten

3.1. [
verzoeker] is op 3 februari 1988 in Rotterdam (Nederland) gehuwd met [gedaagde]. Dit was een schijnhuwelijk. [verzoeker] heeft [gedaagde] voor en na het moment van huwelijksvoltrekking niet (meer) gezien.
3.2.
In een tussen partijen gewezen beschikking van 13 december 1993 heeft de rechtbank Rotterdam op verzoek van [gedaagde] de echtscheiding uitgesproken.
3.3.
Op 19 januari 1994 heeft [verzoeker] op Bonaire een recht van erfpacht tot 20 januari 2054 op een perceel grond gelegen te Rincon op Bonaire, kadastraal bekend als afdeling 2, sectie C, nummer 131, groot 794 m² (bouwterrein) verkregen.
3.4.
Op 25 januari 1994 is het huwelijk tussen partijen ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 december 1993.

4.Het verzoek

4.1.
In zijn verzoekschrift vraagt [verzoeker] het gerecht om hem, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, op de voet van artikel 3:300 BW BES vervangende toestemming te verlenen om het onroerend goed te vervreemden.
4.2. [
verzoeker] stelt in zijn verzoekschrift dat hij het recht van erfpacht wil overdragen aan zijn nicht [nicht verzoeker] [verzoeker] omdat hij geen geld heeft om een huis te bouwen op het perceel waar het recht van erfpacht op rust. Op de tweede zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij het recht van erfpacht voor een vriendenprijs aan zijn nicht wil verkopen om zelf ook een kleine woning te bouwen op het perceel. Het gerecht maakt daar uit op dat hij overweegt (een deel van) zijn aandeel in het gemeenschappelijke goed aan zijn nicht te schenken.

5.De beoordeling

5.1.
Omdat het recht van erfpacht in de ontbonden maar onverdeelde gemeenschap valt waarin [verzoeker] en [gedaagde] deelgenoten zijn, is in beginsel toestemming van [gedaagde] nodig om het recht van erfpacht aan de nicht van [verzoeker] te kunnen schenken althans verkopen en leveren. Het is [verzoeker] niet gelukt om in contact te komen met [gedaagde]. Hij heeft al zo’n 36 jaar geen contact met haar en weet niet hoe hij met haar in contact zou moeten komen. [verzoeker] weet niet waar [gedaagde] is.
5.2.
Het gerecht begrijpt dat [verzoeker] verzoekt om hem te machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in artikel 3:174 lid 1 BW BES zodat hij daarvoor niet de medewerking van [gedaagde] nodig heeft. Voor toepassing van artikel 3:300 BW is namelijk nodig dat er een gehoudenheid tot medewerking is en [verzoeker] heeft daar geen feiten en/of omstandigheden voor gesteld. Verder geldt artikel 3:174 BW specifiek voor de gemeenschap.
5.3.
Gelet op het feit dat sprake was van een schijnhuwelijk, het recht van erfpacht ná de echtscheiding en nog geen week voor de ontbinding van het huwelijk is verkregen en verder gelet op de duur van de onverdeeldheid, de omstandigheid dat de woon- en verblijfplaats van [gedaagde] onbekend is en [gedaagde] in deze procedure niet is verschenen, is naar het oordeel van het gerecht sprake van
andere gewichtige redenenin de zin van artikel 3:174 lid 1 BW BES. Een ander oordeel zou immers leiden tot een situatie waarin het voor [verzoeker] feitelijk voor altijd onmogelijk zou blijven enige handeling met betrekking tot dit gemeenschappelijk goed te verrichten.
5.4.
Het gerecht zal daarom de verzochte machtiging verlenen aan [verzoeker]. Het gerecht zal aan de machtiging voor schenking althans verkoop en levering aan de nicht van [verzoeker] een tijdslimiet verbinden van drie jaar. Daarmee wordt rekening gehouden met het feit dat [verzoeker] toestemming nodig heeft van het Openbaar Lichaam Bonaire welke toestemming hij eerder al wel had maar die inmiddels is verlopen.
5.5.
Uit het door [verzoeker] overgelegde in opdracht van zijn nicht opgestelde taxatierapport van Taxabon N.V. van 22 oktober 2025 blijkt dat het recht van erfpacht een marktwaarde vertegenwoordigt van USD 40.000, -.
5.6.
Omdat de woon- en verblijfplaats van [gedaagde] niet bekend is, kan het gerecht geen voorziening treffen opdat zij haar aandeel van de waarde van het recht van erfpacht verkrijgt. De machtiging die het gerecht aan [verzoeker] zal geven, maakt evenwel geen inbreuk op de rechten die [gedaagde] heeft op grond van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Wat betreft het recht van erfpacht heeft [gedaagde] dus een (eventueel te verrekenen) vordering op [verzoeker] van USD 20.000, -.

6.De beslissing

Het gerecht:
6.1.
machtigt [verzoeker] om binnen een periode van drie jaar na vandaag over te gaan tot schenking, althans verkoop en levering van:
- het recht van erfpacht tot 20 januari 2054 (behorende tot de ontbonden maar onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap van [verzoeker] en [gedaagde]) op een perceel grond gelegen te Rincon op Bonaire, kadastraal bekend als afdeling 2, sectie C, nummer 131, groot 794 m² (bouwterrein)
aan zijn nicht [nicht verzoeker] [verzoeker];
6.2.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.