In deze zaak verzoekt een man om machtiging om een perceel grond, dat valt onder de huwelijksgoederengemeenschap met zijn ex-partner, aan zijn nicht te schenken of te verkopen. Het verzoekschrift is ingediend op 9 januari 2025, en de eerste mondelinge behandeling vond plaats op 25 juni 2025, gevolgd door een tweede op 17 december 2025. De gedaagde is niet verschenen, ondanks dat zij behoorlijk is opgeroepen. De man heeft geen contact met de gedaagde, die hij al 36 jaar niet heeft gezien, en haar woonplaats is onbekend. De man heeft een recht van erfpacht op het perceel grond, dat hij wil overdragen aan zijn nicht omdat hij geen geld heeft om een huis te bouwen. Het gerecht overweegt dat, gezien de omstandigheden van het schijnhuwelijk en de onbekende verblijfplaats van de gedaagde, het voor de man onmogelijk zou zijn om enige handeling met betrekking tot het gemeenschappelijk goed te verrichten zonder machtiging. Het gerecht verleent de machtiging voor een periode van drie jaar, met inachtneming van de noodzaak om toestemming te verkrijgen van het Openbaar Lichaam Bonaire. De waarde van het recht van erfpacht is vastgesteld op USD 40.000. De beschikking is gegeven door rechter R.P.P. Hoekstra en is op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.