Eiser, een Colombiaanse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf bij echtgenoot', die de Nederlandse nationaliteit bezit. De vergunning werd ingetrokken omdat eiser en zijn echtgenoot niet feitelijk samenwoonden noch een gemeenschappelijke huishouding voerden, aangezien de echtgenoot grotendeels buiten Bonaire en Saba verbleef.
Eiser voerde aan dat hij en zijn echtgenoot een duurzame relatie hebben, beiden op hetzelfde adres in Saba staan ingeschreven en dat het verblijf van de echtgenoot elders tijdelijk was vanwege werk. Tevens stelde eiser dat hij mocht vertrouwen op een advies van de IND en dat het besluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel.
Het Gerecht oordeelde dat feitelijke samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding cumulatief zijn en dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van de echtgenoot niet op het adres van eiser lag. De enkele inschrijving op hetzelfde adres was onvoldoende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concreet advies of toezegging was gegeven.
De intrekking was gerechtvaardigd en proportioneel, mede omdat eiser niet financieel afhankelijk was en een aanvraag voor een andere verblijfsvergunning kon indienen. Het Gerecht verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.