Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGEABES:2026:70

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
200.00025-25
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 Wetboek van Strafrecht BESArt. 300 juncto Art. 47 Wetboek van Strafrecht BESArt. 3 eerste lid Opiumwet 1960 BESArt. 11 eerste lid Opiumwet 1960 BESArt. 31 Wetboek van Strafrecht BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen moord en poging doodslag met cocaïnebezit op Saba

Op 12 september 2025 werd een brandweerman op Saba van achteren neergeschoten door een man in donkere kleding. Verdachte en zijn neef hebben de moord planmatig voorbereid en uitgevoerd. Het gerecht acht bewezen dat verdachte de schutter was en neef een essentiële rol speelde door observatie en het wegmaken van het wapen.

Naast moord is verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op de partner van het slachtoffer en het bezit van ruim 2 kilo cocaïne. De moord veroorzaakte grote maatschappelijke onrust op Saba. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 28 jaar op, met aftrek van voorarrest.

De nabestaanden vorderden affectieschade, maar deze vorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van wettelijke grondslag op de BES. Wel werd aan de partner van het slachtoffer een immateriële schadevergoeding van 5.000 USD toegekend wegens poging tot doodslag.

De bewijsvoering bestond uit camerabeelden, schotresten, DNA-sporen en getuigenverklaringen. De verdediging voerde vrijspraak aan, maar het gerecht verwierp dit en oordeelde dat sprake was van medeplegen en voorbedachte raad.

De strafrechtelijke kwalificatie betrof medeplegen van moord, poging tot doodslag en overtreding van de Opiumwet BES. De verbeurdverklaring van drie walkietalkies werd gelast, en overige inbeslaggenomen voorwerpen werden geretourneerd aan rechthebbenden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 28 jaar gevangenisstraf voor medeplegen moord, poging tot doodslag en bezit van cocaïne; schadevergoeding deels toegewezen.

Uitspraak

Parketnummer: 200.00025/25
Uitspraak: 25 juni 2026 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteland],
wonende op Saba, [adres],
thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Bommel, advocaat in Sint Maarten.
De benadeelde partijen mevrouw [benadeelde partij 1] en mevrouw [benadeelde partij 2] (namens de nabestaanden) hebben zich ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. D.C. Smits, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren, met aftrek van voorarrest.
Zijn vordering behelst voorts:
  • de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen verdovende middelen;
  • de verbeurdverklaring van de 3 in beslag genomen walkie talkies;
  • de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, conform de overgelegde beslaglijst aan de op die lijst genoemde rechthebbenden;
  • de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hetgeen zij hebben gevorderd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte integraal zal worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte zijn de feiten ten laste gelegd die zijn vermeld op de dagvaarding. Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht (bijlage I).

VOORVRAGEN

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Het dossier
Uit het dossier en wat op de zitting is besproken, komt het volgende naar voren.
De situatie ter plaatse en het schieten
De verdachte woont samen met (o.a.) zijn neef, die ook verdachte is binnen hetzelfde onderzoek, aan de [adres verdachte]. De woning van het slachtoffer bevindt zich aan de [adres slachtoffer], een kleine zijstraat van de [straatnaam] ten noorden van de woning van verdachten. De woning van verdachten en de woning van het slachtoffer liggen dicht bij elkaar.
Op 12 september 2025 om 20:43 uur rijdt het slachtoffer samen met zijn partner, mevrouw [benadeelde partij 1], naar huis en passeert daarbij de woning van verdachte en zijn neef. Na aankomst bij zijn woning gaat het slachtoffer zijn auto parkeren. De partner van het slachtoffer stapt alvast uit de auto, en begint naar de woning te lopen.
Dan worden kort na elkaar vier schoten gelost door een man met een sportief postuur, geheel gekleed in bedekkende kleding en met een capuchon over zijn hoofd. Het slachtoffer wordt twee keer geraakt, beide keren van achteren, waarbij de kogels beide keren door het lichaam heen gaan. Als de partner zich omdraait en schreeuwt schiet de man – één keer – in haar richting. De kogel raakt haar niet. De schutter rent na het schieten weg in zuidelijke richting, in de richting van de woning van verdachten. Het slachtoffer wordt omstreeks 21:00 uur naar het ziekenhuis overgebracht waar hij kort daarna wordt doodverklaard.
De camerabeelden
Op de camerabeelden van de woning van de verdachten is te zien dat de verdachte en zijn neef zich die avond in en rondom hun huis bevinden. De verdachte staat verschillende momenten (bijvoorbeeld tussen 19:00 uur en 19.30 uur) op zijn oprit, vlak bij de weg. Het lijkt er daarbij op dat hij de weg in de gaten houdt. De neef is ondertussen veel op het balkon zichtbaar. Vanaf het balkon is de weg goed te zien, slingerend over de berg. De verdachte en de neef zijn beiden gekleed in een korte broek en T-shirt.
Om 20:26 rijdt het slachtoffer langs, in zuidelijke richting (weg van zijn huis). De verdachte en zijn neef zijn dan beiden op het balkon. Op het moment dat de auto van het slachtoffer langs rijdt staat de verdachte op en loopt zijn huis in. De neef blijft op het balkon. Even later, om 20:37 uur, verschijnt een persoon in beeld gekleed in een lange broek, een shirt met lange mouwen, een capuchon en handschoenen. Het postuur van deze persoon lijkt op dat van de verdachte. Deze bedekte persoon is te zien op de oprit, bij de tent, en even later op het dak onder het balkon. Op het balkon is nog steeds de neef. Uit de houding en positie waarin ze staan is op te maken dat de neef en de bedekte persoon contact met elkaar hebben (met elkaar spreken).
Dan zijn om 20:42 uur koplampen te zien, komend uit zuidelijke richting. De bedekte persoon rent het dak weer af. Om 20:43 is te zien dat de koplampen horen bij de auto van het slachtoffer, die nu langs de woning van verdachten rijdt. Op de beelden van de oprit is op datzelfde moment te zien dat een bedekt persoon de weg op rent, in dezelfde richting als de auto. Nauwelijks twee minuten later, omstreeks 20:45 uur, is te zien dat een bedekt persoon over de weg de andere kant op rent, komend uit noordelijke richting en gaand in zuidelijke richting. Deze figuur rent langs de woning van verdachten. De neef van verdachte komt ook weer in beeld, op de weg onder de woning van verdachten. De bedekte persoon en de neef kruisen elkaar op korte afstand, waarna de bedekte persoon uit beeld verdwijnt. De neef loopt naar het bushokje aan de overzijde van de weg en verdwijnt achter dit bushokje. Pas ongeveer negen minuten later komt hij weer in beeld, vanaf het bushokje teruglopend in de richting van de woning van verdachten. Vrij kort daarna is te zien dat de politie met zwaailichten langsrijdt.
Aanhouding en doorzoekingen
Niet veel later begeven verbalisanten zich naar de woning van de verdachten, waar zowel de verdachte als zijn neef worden aangehouden. Tijdens deze aanhouding zijn de verbalisanten ook op zoek naar de harddrive van de camerabeelden. Zij nemen uiteindelijk een Network Video Recorder (NVR) in beslag. Later blijkt dat hier niet de beelden van de camera’s rondom de woning op staan.
Gedurende het onderzoek zijn meerdere (huis)zoekingen verricht in en rondom de woning van verdachten. In de woning zijn drie walkietalkies en een doos met zwarte latexhandschoenen gevonden. Op 21 september 2025 is in het buitengebied achter de woning van verdachten een rugtas aangetroffen, met daarin een zwarte hoodie met witte letters op de rug en een zwarte joggingbroek. De rugtas lag naast een pad dat blijkt uit te komen in de achtertuin van de verdachten. In de zak van de joggingbroek zat een paar zwarte latexhandschoenen. Op het erf van verdachten, achter de schuur, werd een ander paar zwarte latexhandschoenen aangetroffen.
Op 30 september 2025 is na een doorzoeking in het buitengebied nabij de woning van verdachten, in de bosschages en gewikkeld in een blauwe handdoek een harddiskrecorder aangetroffen. Op de in de handdoek gewikkelde harddiskrecorder staan de videobeelden van rondom de woning opgeslagen.
Het wapen is niet gevonden.
Schotresten en DNA
Van de verdachte en zijn neef is kort na de aanhouding een schiethandenset afgenomen. Het NFI heeft op de handen van zowel de verdachte als van zijn neef schotresten aangetroffen.
Op de mouwen van de zwarte hoodie die in de rugzak zat, zijn schotresten aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de joggingbroek en de zwarte latexhandschoenen die in de joggingbroek zaten. Ook op het andere paar zwarte latexhandschoenen (gevonden bij de schuur) worden schotresten aangetroffen.
Op de zwarte hoodie is DNA gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de hoodie van hem is.
Oordeel van het Gerecht over feit 1 (medeplegen van moord)
Inleiding
Op Saba zijn vanaf het eerste moment de namen van verdachte en zijn neef genoemd, als verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer]. De aanleiding zou zijn gelegen in een al langer bestaande vete tussen de verdachte en zijn neef enerzijds, en de groep rondom [slachtoffer] anderzijds.
Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier duidelijk dat de verdachte en zijn neef samen de moord op [slachtoffer] hebben gepland en uitgevoerd. Zij zouden op 12 september 2025 vanaf hun woning de auto van het slachtoffer in de gaten hebben gehouden. Toen die langsreed is de verdachte zich gaan omkleden en naar buiten gekomen als ‘de bedekte persoon’. Toen het slachtoffer opnieuw langsreed is verdachte achter de auto van het slachtoffer aan gerend tot waar hij ging parkeren, en heeft daar het slachtoffer doodgeschoten. Ook heeft hij geschoten in de richting van de partner. Daarna is hij terug gerend. Op straat, onder hun woning, ontmoette hij zijn neef, die het wapen van hem heeft overgenomen en weggemaakt. De verdachte heeft zich ondertussen omgekleed.
De verdachte en zijn neef hebben steeds gezegd dat zij niets met de schietpartij te maken hebben. Zij waren thuis en hebben het erf niet verlaten die avond. Hun hele vervolging is gebaseerd op roddels en verdachtmakingen. De neef van verdachte heeft wel verklaard dat hij inderdaad even op straat was en daar ook een in het zwart geklede figuur zag langsrennen. Hij is zich toen achter het bushokje gaan verschuilen. Volgens de neef was verdachte op dat moment in de keuken, door het raam zichtbaar vanaf het bushokje. Van de gevonden kleding en schotresten weten zij niets. De walkietalkies worden gebruikt om te hiken.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft betoogd dat niet is komen vast te staan dat de bedekte persoon die op de camerabeelden te zien is, de schutter is. Ook staat niet vast dat de verdachte deze persoon is. Er is geen herkenning, maar enkel sprake van veronderstellingen. De schotresten kunnen worden verklaard door secundaire overdracht. Subsidiair heeft zij betoogd dat, als betrokkenheid van de verdachte al kan worden vastgesteld, geen sprake is geweest van medeplegen of van voorbedachte raad.
De vragen die het Gerecht achtereenvolgens moet beantwoorden zijn de volgende:
  • Is de in bedekkende kleding geklede persoon die op de camerabeelden van de woning van verdachten te zien is, de schutter?
  • Is verdachte deze bedekte persoon?
  • Wat is de rol van de neef, en is sprake van medeplegen?
  • Is sprake van voorbedachte raad?
Is de in bedekkende kleding geklede persoon de schutter?
De schutter is omschreven als een in het donker geklede man met een sportief postuur en bedekt hoofd, die over straat aan kwam rennen. Het slachtoffer reed langs de woning van verdachten naar zijn eigen woning om 20:43 uur. Op datzelfde moment is op de camera te zien dat uit de schaduw bij de oprit van verdachte een bedekte figuur stapt, die in dezelfde richting rent als waarin de auto is gegaan. Twee minuten later, om 20:45 uur, rent eenzelfde bedekte figuur in tegengestelde richting, komend vanuit de richting van de woning van het slachtoffer. Behalve de neef zijn op dat moment geen andere personen op de weg te zien.
Gelet op de korte afstand tussen de woning van verdachten en de woning van het slachtoffer, de in de rugtas gevonden donkere bedekkende kleding en de schotresten die op de mouwen van de hoodie zijn gevonden, oordeelt het Gerecht dat de bedekte persoon die op de camerabeelden van de verdachte is te zien, de schutter is geweest.
Is verdachte deze bedekte persoon?
Op basis van het hiervoor beschreven feitelijke verloop van de avond stelt het Gerecht vast dat ook geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de verdachte de bedekte persoon is die op de videobeelden rondom het huis is te zien. Het Gerecht vindt de in dit verband door verdachte gegeven verklaring dat er een onbekend persoon over zijn terrein liep ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
Daarbij neemt het Gerecht het volgende in aanmerking.
Het is opvallend dat gedurende de gehele dag en avond de verdachte op de beelden rondom zijn huis te zien is, behalve op de momenten waarop de bedekte persoon in beeld is. Tussen 20:27 uur en 20:46 uur is de bedekte persoon op verschillende camera’s te zien. Ook de neef is dan in beeld – eerst op het balkon en later op straat bij de bushalte. De verdachte is in deze bijna 20 minuten echter op geen enkel moment in beeld. Hij verschijnt pas weer in beeld om 20:53 uur, na het schietincident en 7 minuten nadat de bedekte persoon voor het laatst in beeld was. Daarbij vertonen de bewegingen en gedragingen van de bedekte persoon, zoals die op de videobeelden zijn vastgelegd, sterke overeenkomsten met de gedragingen van de verdachte die avond. De verdachte staat meerdere keren voor de tent op de oprit en observeert de straat. De verdachte heeft ook contact met zijn neef op het balkon. De bedekte persoon vertoont vervolgens soortgelijke gedragingen: deze persoon observeert ook de straat en staat op dezelfde plek op de oprit naast de tent. De bedekte persoon heeft ook contact met de neef. Voorts komt het postuur van de bedekte persoon overeen met het postuur van verdachte.
Dit alles wijst er al sterk op dat de verdachte de bedekte persoon is. Maar er is meer.
De in de rugtas gevonden kleding moet van de schutter zijn geweest. De kleding komt overeen met die van de schutter: een lange donkere broek, een donkere trui met capuchon en donkere handschoenen. En zowel op de mouwen van de hoodie, als op de broek als ook op de handschoenen zijn schotresten aangetroffen. De rugtas en de kleding zijn aan de verdachte te koppelen. De rugtas lag verstopt in de bosschages achter de woning van verdachten. Verdachte heeft zelf verklaard dat de daarin gevonden hoodie van hem is. En verdachte had een doos met soortgelijke handschoenen als in de zak van de broek zaten, in zijn keuken liggen.
De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat de witte letters op de achterzijde van de aangetroffen hoodie niet zichtbaar zijn op de videobeelden en dat het daarom niet de trui kan zijn geweest die werd gedragen door de bedekte persoon. Het Gerecht gaat er echter vanuit dat het ontbreken van de witte letters op de beelden kan worden verklaard door de eigenschappen van een infraroodcamera, die geen of nauwelijks kleurverschillen registreert. Dat de witte letters niet te zien zijn is daarmee niet relevant.
Op de handen van de verdachte zijn schotresten aangetroffen.
Gelet op dit alles kan naar het oordeel van het Gerecht geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte degene is geweest die op de slachtoffers heeft geschoten.
Medeplegen
De verdachte en zijn neef hebben samen gedurende enige uren de weg geobserveerd en het Gerecht gaat er daarbij vanuit dat zij tijdens het observeren contact met elkaar onderhielden via walkietalkies. Zoals hiervoor beschreven is het de verdachte geweest die de trekker die avond heeft overgehaald. Maar op basis van het schiethandenonderzoek stelt het Gerecht vast dat ook zijn neef het wapen in handen moet hebben gehad die avond. Het Gerecht gaat ervan uit dat de neef het wapen van de verdachte heeft overgenomen vlak na het schieten. De neef is vervolgens achter het bushokje verdwenen en heeft het wapen ergens in het gebied achter het bushokje weggemaakt. Daarmee is de rol van de neef van verdachte groter geweest dan enkel het bevorderen of vergemakkelijken van de door verdachte begane moord.
Gelet op het voorgaande vindt het Gerecht dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken, en dat zowel de verdachte als zijn neef een substantiële bijdrage hebben geleverd aan het delict.
Is sprake van voorbedachten raad?
Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt van een vooropgezet plan van de verdachte en zijn neef om het slachtoffer van het leven te beroven. Het hele observeren, de walkietalkies, het omkleden in donkere kleding: het kan niet anders dan dat dit door verdachte en zijn neef zorgvuldig is voorbereid. Daarmee is sprake van moord.
Conclusie t.a.v. feit 1
De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de verdachte en zijn neef zich in de avond van 12 september 2025 schuldig hebben gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 (poging doodslag op [benadeelde partij 1])
Het Gerecht moet vervolgens beoordelen of kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd om ook mevrouw [benadeelde partij 1] van het leven te beroven. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat niet is gebleken dat de schutter daadwerkelijk in de richting van [benadeelde partij 1] heeft geschoten en al helemaal niet dat hiermee een aanmerkelijke kans op de dood is ontstaan. Het Gerecht ziet dit anders en overweegt als volgt.
Uit de aangifte van mevrouw [benadeelde partij 1] volgt dat er door de schutter op een korte afstand in haar richting is geschoten, nadat zij schreeuwde. De verklaring van mevrouw [benadeelde partij 1] is duidelijk, ondubbelzinnig en wordt niet tegengesproken door de rest van het dossier. Integendeel, haar verklaring vindt op verschillende punten ondersteuning. Uit het feit dat de verdachte op haar schoot nadat [benadeelde partij 1] had geschreeuwd, volgt dat het in haar richting schieten een bewuste keuze is geweest. Als al geen sprake is van vol opzet, dan heeft de verdachte in elk geval voorwaardelijk opzet gehad op haar dood. Het van een korte afstand een kogel op iemand afvuren levert zonder meer een aanmerkelijke kans op de dood op.
Het Gerecht vindt dan ook bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op mevrouw [benadeelde partij 1]. Van het onderdeel ‘in vereniging’ zal de verdachte bij dit feit worden vrijgesproken, omdat de neef in deze poging geen aandeel had.

BEWEZENVERKLARING

Het Gerecht vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Feit 1
hij op 12 september 2025 op het eiland Saba, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg
met zijn mededader, met een vuurwapen meerdere kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,
waaronder een schotin het hoofd tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.
Feit 2
hij op 12 september 2025 op het eiland Saba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, een vuurwapen op die [benadeelde partij 1] heeft gericht en vervolgens een schot in de richting van die [benadeelde partij 1] heeft afgeschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 3
hij op 12 september 2025 op het eiland Saba aanwezig heeft gehad bruto 2040 gram van enige bereiding
bevattendecocaïne.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (
cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMIDDELEN

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Het Gerecht heeft de bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit vonnis (bijlage II).
Daarbij wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Saba.

STRAFBAARHEID EN KWALIFICATIE VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van moord.
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto Pro artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Poging tot doodslag.
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij bij artikel 3, eerste lid, aanhef en onder C, van de Opiumwet 1960 BES en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a, van die wet.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumwet 1960 BES.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

OPLEGGING VAN STRAF

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft [slachtoffer] op straat, vlak voor zijn eigen woning vermoord door hem op een laffe manier van achteren te naderen en dood te schieten. Daarbij is de verdachte samen met zijn neef op planmatige en doordachte wijze te werk gegaan. Zij hebben de moord voorbereid en na afloop geprobeerd ontdekking te voorkomen. Hiermee hebben de verdachte en zijn neef het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt, het recht op leven, van het slachtoffer ontnomen. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens en onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de familie, partner en kinderen van het slachtoffer. Daarvan is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen van de zus en partner van het slachtoffer.
Saba is een klein eiland, met een hechte en kleine gemeenschap. Het behoeft geen betoog dat door dergelijke misdrijven de samenleving op Saba ernstig is geschokt. In een gemeenschap waar inwoners elkaar veelal persoonlijk kennen en nauw met elkaar verbonden zijn, hebben dergelijke gebeurtenissen een diepgaande impact.
De impact van deze moord op de gemeenschap van Saba, en ook op Bonaire, is duidelijk. Dat bleek al meteen op 12 september 2025, toen de familie zich verzamelde en de verdachten in veiligheid moesten worden gebracht. Het bleek ook later, uit de reacties in de media, en ook uit de grote belangstelling die er is voor de behandeling door het Gerecht van deze zaak. Dat is iets om – in strafverzwarende zin – mee te wegen.
Het Gerecht heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, en naar de oriëntatiepunten straftoemeting. Daarin wordt voor het (mede)plegen van een moord als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren gegeven. Straf verhogende omstandigheden zijn onder andere een grote mate van planning en een ernstig geschokte samenleving. Zoals gezegd zijn beide omstandigheden hier aan de orde. Daarmee zou alleen voor de moord een gevangenisstraf van 21 of 22 jaar passend zijn.
Naast de moord op [slachtoffer] heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 1]. Zij is geen bijkomend slachtoffer dat door de op [slachtoffer] gerichte kogels eveneens geraakt had kunnen worden. De verdachte heeft een apart wilsbesluit genomen door ook gericht op haar te schieten, terwijl zij op een andere plek stond. Voor een poging tot doodslag waarbij er wordt geschoten in de richting van een persoon geldt als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5-6 jaren.
De verdachte heeft bovendien nog ruim 2000 gram cocaïne voorhanden gehad. Hiervoor is de gebruikelijke straf een gevangenisstraf van 2 jaren.
De verdachte is in Sint-Maarten eerder veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en het dreigen met een vuurwapen.
De verdachte is nog jong, maar het slachtoffer was dat ook. Er zijn ook geen andere persoonlijke omstandigheden die zouden moeten leiden tot een lagere straf.
Alles bij elkaar vindt het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.
De drie walkie talkies zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. De voorwerpen behoren immers toe aan de verdachte en met behulp daarvan is het onder 1 bewezen verklaarde begaan of voorbereid. Het Gerecht zal daarom de verbeurdverklaring gelasten. Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
De in beslag genomen cocaïne en hennep vervallen ingevolge artikel 11, zesde lid van de Opiumwet BES 1960 van rechtswege aan het Openbaar Lichaam. De gevorderde onttrekking aan het verkeer daarvan is om die reden niet nodig.
De op de door de officier van justitie opgestelde beslaglijst vermelde overige voorwerpen dienen te worden geretourneerd aan de rechthebbenden, zoals die op de beslaglijst staan vermeld. De beslaglijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage III) en moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

DE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Mevrouw
[benadeelde partij 2], namens de familie, tot een bedrag van
USD 27.933,00.
Mevrouw
[benadeelde partij 1], tot een bedrag van
USD 27.933,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zowel ten aanzien van mevrouw [benadeelde partij 2] als van mevrouw [benadeelde partij 1] gevorderd dat zij niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Met betrekking tot de vordering van mevrouw [benadeelde partij 2], betoogt de officier van justitie dat de grondslag van deze vordering, te weten affectieschade, geen wettelijke basis kent in het rechtssysteem op de BES. Met betrekking tot de vordering van mevrouw [benadeelde partij 1] stelt de officier van justitie dat de door haar gestelde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, dan wel afgewezen, in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair sluit de raadsvrouw zich aan bij hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht.
Oordeel van het Gerecht
Ad 1. Vordering tot immateriële schadevergoeding namens de familie [familienaam]
Op de zitting heeft de advocaat van de familie van [slachtoffer] de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden.
Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering.
Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kortgezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is.
Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ad 2. Vordering tot immateriële schadevergoeding van mevrouw [benadeelde partij 1]
Op de zitting heeft de advocaat namens mevrouw [benadeelde partij 1] het woord gevoerd. Zij heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade toegelicht en aangevoerd dat deze uit twee schadeposten bestaat. Enerzijds ziet de vordering op de immateriële schade die mevrouw [benadeelde partij 1] heeft geleden doordat zij zelf slachtoffer is en op haar is geschoten. Anderzijds ziet de vordering op het verlies van haar partner. Mevrouw [benadeelde partij 1] heeft door het gebeuren een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) ontwikkeld.
Voor zover de vordering ziet op de schade die mevrouw [benadeelde partij 1] heeft geleden als direct slachtoffer, overweegt het Gerecht als volgt. Op zich is het Gerecht met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat de gestelde stoornis PTSS onvoldoende is onderbouwd. In de brief van drs. [psycholoog] wordt geen diagnose gesteld en blijkt evenmin van een verder behandeltraject. Echter kan in uitzonderlijke gevallen ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending [1] . In deze categorie gaat het om gevallen waarin de aard en ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het Gerecht vindt dat daarvan in dit geval sprake is. Immers heeft de verdachte van een korte afstand op mevrouw [benadeelde partij 1] geschoten, hetgeen naar zijn aard een zodanig ernstige normschending betreft dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen zonder dat hoeft vastgesteld te worden welke concrete gevolgen zij daarvan heeft ondervonden.
Dit betreft echter alleen dat deel van de schade dat ziet op feit 2, met mevrouw [benadeelde partij 1] zelf als rechtstreeks slachtoffer. Voor het deel van de schade dat ziet op de dood van haar partner, ligt dit anders.
Hoewel mevrouw [benadeelde partij 1] aanwezig is geweest bij de moord op haar partner is niet gesteld (en zonder nadere onderbouwing ook niet gebleken) dat zij schade heeft geleden in de vorm van shockschade.
Voor het toekennen van affectieschade is op de BES wettelijk geen ruimte, zoals hiervoor is overwogen.
Dit alles overwegend, komt het Gerecht tot de slotsom dat aan mevrouw [benadeelde partij 1] voor het onder 2 bewezen verklaarde een immateriële schadevergoeding kan worden toegekend. Het Gerecht waardeert deze schade op een bedrag van USD 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2025. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.
Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 38f van het Wetboek van Strafrecht BES aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
Het Gerecht is van oordeel dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij dat deel daarvan slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 31, 35, 38f, 49 en 59 van het Wetboek van Strafrecht BES.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
28(achtentwintig)
jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart verbeurd de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de drie walkietalkies;
gelast de teruggave van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen conform de aangehechte beslaglijst aan de op die lijst genoemde rechthebbenden;
verklaart de benadeelde partij mevrouw
[benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij mevrouw
[benadeelde partij 1]geleden schade toe tot een bedrag van
USD 5.000,00(zegge: vijfduizend Amerikaanse dollar)
,vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 september 2025 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij mevrouw [benadeelde partij 1] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij mevrouw [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
USD 5.000,00(zegge: vijfduizend Amerikaanse dollar), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 178 (honderdachtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2025 tot aan de dag van de voldoening;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. J.J. Scholte ter Horst, griffier, en op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2026:822