De zaak betreft een geschil tussen de besloten vennootschap Blue Factor, die vorderingen heeft overgenomen van TAO Curaçao B.V., en het Land Curaçao. Blue Factor vordert betaling van een bedrag dat voortvloeit uit een televisieproductieopdracht die TAO uitvoerde voor het Ministerie van Financiën van Curaçao.
Het Land Curaçao betwist dat er een rechtsgeldige overeenkomst tot stand is gekomen met TAO, onder meer omdat de minister niet bevoegd was de overeenkomst te sluiten en er geen machtigingsbesluit was conform de Staatsregeling. Ook wijst het Land op een aanwijzing van de Rijksministerraad die het aangaan van nieuwe verplichtingen verbood.
Het Gerecht stelt vast dat hoewel formele machtigingen ontbreken, uit de feiten en omstandigheden, waaronder het initiatief en de betrokkenheid van de minister, de medewerking van departementshoofden en medewerkers, en toezeggingen omtrent betaling, de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt. Hierdoor mocht TAO gerechtvaardigd vertrouwen op een geldige volmacht van de minister.
Het Gerecht veroordeelt het Land tot betaling van het gevorderde bedrag vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 maart 2015. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Het Land wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.